In een niet zo ver verleden woonde je bij ma en pa in hetzelfde huis, leende je de zwarte frak van je oudere broer om naar je eerste fuif te gaan, en was Enzo Scifo de enige allochtoon die je kende. Dat eenvormige Vlaanderen bestaat niet meer, ook niet meer onder jongeren. In het beleid en in veel wetenschappelijk onderzoek worden ze als één groep behandeld, in het beste geval opgesplitst volgens leeftijd. Maar jongeren passen hoe langer hoe minder in grove categorieën, blijkt uit het boek Divers jong - diversiteit bij en tussen jongeren in Vlaanderen. Daarin proberen onderzoekers van het JeugdOnderzoeksPlatform, een samenwerking tussen de UGent, de VUB en de KU Leuven, de grote verscheidenheid onder Vlaamse jongeren aan te tonen.
...

In een niet zo ver verleden woonde je bij ma en pa in hetzelfde huis, leende je de zwarte frak van je oudere broer om naar je eerste fuif te gaan, en was Enzo Scifo de enige allochtoon die je kende. Dat eenvormige Vlaanderen bestaat niet meer, ook niet meer onder jongeren. In het beleid en in veel wetenschappelijk onderzoek worden ze als één groep behandeld, in het beste geval opgesplitst volgens leeftijd. Maar jongeren passen hoe langer hoe minder in grove categorieën, blijkt uit het boek Divers jong - diversiteit bij en tussen jongeren in Vlaanderen. Daarin proberen onderzoekers van het JeugdOnderzoeksPlatform, een samenwerking tussen de UGent, de VUB en de KU Leuven, de grote verscheidenheid onder Vlaamse jongeren aan te tonen. Zo vreemd zijn die verschillen niet. In een steeds meer diverse samenleving gaan ook jongeren steeds meer van elkaar verschillen. Hun gezinssituatie is anders, net als hun etnische afkomst, hun woonomgeving en hun attitudes, schrijven de onderzoekers. Het boek gaat na welke impact die onderlinge verschillen hebben op het gedrag en de gevoelens van jongeren. Knack selecteerde drie opvallende cases. Uit het huis, uit het hart? Welke gevolgen heeft de verblijfsregeling na een scheiding voor de relatie van het kind met beide ouders, wilde sociologe An Katrien Sodermans (KU Leuven) weten. Sinds 2006 is wettelijk vastgelegd dat het zogenaamde verblijfsco-ouderschap, waarbij gescheiden ouders een even groot aandeel van het verblijf en opvoeding opnemen, de norm is na een scheiding. 'Het idee is dat evenveel tijd bij moeder als bij vader doorbrengen noodzakelijk is voor de goede band van het kind met beide ouders', zegt Sodermans. Maar haar onderzoek gaat daartegen in. Uit de resultaten bleek dat kinderen die 30 procent van hun tijd of meer bij hun moeder wonen meestal een heel goede relatie met haar hebben. Maar als kinderen hoofdzakelijk of permanent bij hun vader wonen, gaat het bergaf met de kwaliteit van de moederrelatie, zelfs als de kinderen veel contact met hun moeder blijven onderhouden. Het gekke is dat het omgekeerde voor vaders níét geldt. Kinderen die hoofdzakelijk bij hun moeder wonen maar geregeld contact met hun vader hebben, rapporteerden een even goede band met hun vader als kinderen die afwisselend bij vader en moeder inwonen. Sodermans: 'Voor een goede relatie tussen vader en kind is samenwonen dus minder belangrijk en volstaat het om elkaar regelmatig te zien.' Waar ligt dat aan? 'Waarschijnlijk beschouwen gescheiden moeders samenwonen met de kinderen, ondanks de wet van 2006, nog vaak als de norm', zegt Sodermans. 'Ze vinden samenwonen met hun kinderen belangrijker dan vaders. Voor moeders is het maatschappelijk ook veel minder aanvaard dat de kinderen niet bij hen wonen. Er gelden in de samenleving nog altijd andere opvattingen in verband met het ouderschap voor vaders en voor moeders.' Een tweede verklaring is de hardnekkigheid van het klassieke rollenpatroon, waarbij moeders geacht worden een groot deel van het huishouden en de zorg voor de kinderen op zich te nemen. 'Wanneer daarvan wordt afgeweken, wordt de moederband door de betrokkenen misschien ook minderwaardig bevonden', zegt Sodermans. En het zou natuurlijk ook kunnen dat de moeders van kinderen die hoofdzakelijk bij de vader wonen - wat nog steeds vrij uitzonderlijk is - met financiële of emotionele problemen kampen. 'Hoe het ook zij, de resultaten laten duidelijk zien dat verblijfsco-ouderschap geen noodzakelijke voorwaarde is voor een goede relatie tussen kinderen en hun vaders.' Dit is geen pleidooi om de co-ouderschapsverblijfsregeling dan maar weer af te voeren, benadrukt Sodermans, of om moeders dan maar systematisch te bevoordelen in de verblijfsregeling. Vaak is gedeeld verblijf immers ook gewoon een voorwaarde voor regelmatig contact met beide ouders. 'Kinderen die voltijds bij hun moeder wonen, zien hun vader vaak te weinig, omdat de moeder daar een stokje voor steekt.' Wel is Sodermans voorstander van een flexibele omgang met co-ouderschap en verblijfsregelingen. 'In Vlaanderen wordt de verblijfsregeling na een scheiding nu nog vaak heel rigide ingevuld. Maar voor de kwaliteit van de relatie maakt het eigenlijk niet uit of een kind nu 30, 40 of 50 procent van de tijd bij de vader of bij de moeder woont. Dus pleit ik voor maatwerk. Veel jongeren vinden die fiftyfiftyregeling, een week bij de vader en een week bij de moeder, namelijk heel stresserend.' Hoe komen etnische vooroordelen bij Vlaamse jongeren tot stand? Hoeveel invloed hebben ouders in vergelijking met de school, de vrienden of de buurt, op de attitudes die hun kinderen ontwikkelen tegenover mensen uit andere culturen? Heel erg veel, zegt onderzoekster Jessy Siongers (UGent). 'In het onderwijs doet men echt zijn best om jongeren een positieve houding tegenover diversiteit aan te leren. Maar hun blik wordt al in een vroeg stadium heel sterk door de ouders bepaald.' Dat doen ze door het voorbeeld te geven, en door het gedrag van de kinderen bij te sturen. Daarnaast spelen ook het opleidingsniveau en de sociaaleconomische situatie van de ouders een rol. 'In gezinnen waar minstens één ouder hoogopgeleid is, en die relatief makkelijk rondkomen, hebben de ouders en dus ook hun kinderen vaak minder vooroordelen.' Jongeren vormen hun etnische vooroordelen in de pubertijd. Je zou denken dat vrienden op die leeftijd allesbepalend zijn, maar dat blijkt niet te kloppen. Siongers: 'Uit mijn resultaten blijkt dat de invloed van de ouders ook in de pubertijd constant blijft. Vrienden hebben natuurlijk ook impact, maar als zij een andere houding hebben tegenover mensen uit andere culturen dan de ouders, zal de invloed van de ouders overheersen.' 'Om te beginnen is een ouder-kindrelatie voor altijd,' zegt Siongers, 'terwijl vriendschappen vaak wisselen. Verder speelt communicatie een grote rol in de ontwikkeling van je houding, en gesprekken over allochtonen worden vaker thuis gevoerd dan op school. Jongeren zijn geneigd om zulke gevoelige thema's te vermijden om vriendschappen niet in gevaar te brengen.' Wat betekent dat dan voor de goedbedoelde lespakketten over belang van de multiculturele samenleving? 'De impact daarvan is niet zo groot als je zou hopen. Alle beetjes helpen, maar leraren moeten beseffen dat ze geen grote veranderingen teweeg kunnen brengen. En dat ze ook het best niet frontaal tegen de vooroordelen van hun leerlingen ingaan, maar er een open gesprek over moeten voeren, waarin ook de jongeren het woord krijgen.' 'Onderzoek naar het verband tussen afkomst en criminaliteit wordt weleens het laatste taboe van de Belgische criminologie genoemd', schrijft criminoloog Diederik Cops (KU Leuven) in zijn bijdrage aan Divers jong. In Nederland wordt de mogelijke link al lang onderzocht, bij ons veel minder. 'Het ligt allemaal heel gevoelig', vertelt Cops ons vanuit Washington, waar hij een congres bijwoont. De criminoloog onderzocht of er een verband bestaat tussen het soort opvoeding en het feit dat sommige vormen van criminaliteit vaker voorkomen bij allochtone dan bij autochtone jongeren. Uit zijn onderzoek bleek dat Vlaamse en allochtone jongeren (vooral van Marokkaanse en Turkse afkomst) evenveel 'vermogensdelicten' plegen. Lees: zwartrijden, vandalisme en diefstal. Qua 'geweldsdelicten' - fysiek geweld, bedreiging op straat en openbare wapendracht - is er wel een groot verschil. 'Jongeren van niet-Belgische afkomst geven bijvoorbeeld dubbel zo vaak aan dat ze iemand hebben geslagen en verwondingen hebben toegebracht.' In de vakliteratuur wordt vaak verwezen naar sociaaleconomische achterstelling om de sterkere aanwezigheid van allochtonen in sommige misdaadstatistieken uit te leggen. Maar die verklaring schiet tekort, meent Cops, want niet alle sociaal achtergestelde groepen laten hoge criminaliteitscijfers noteren. Andere verklaringen leggen de nadruk op culturele factoren. Cops: 'Heeft het te maken met waardepatronen of met mislukte integratie? Wie goede sociale banden onderhoudt met de samenleving pleegt alvast minder criminaliteit. En we weten dat ouders belangrijk zijn bij het smeden van die banden.' Zo rijst de vraag of ouders van een andere etnische afkomst minder controle uitoefenen op en minder betrokken zijn bij hun kinderen, waardoor de kans op delinquent gedrag toeneemt. 'Anders dan wat vaak wordt aangenomen, worden jongeren in niet-Belgische gezinnen even goed in de gaten gehouden als jongeren in Belgische gezinnen als het gaat om hun vrijetijdsbesteding, de dingen die ze met hun vrienden doen en de school', zegt Cops. 'De betrokkenheid van Belgische en niet-Belgische ouders is even groot, en ook qua opvoedingsstijl is er weinig verschil, blijkt uit mijn onderzoek.' Wat dan met de vaak gehoorde klacht dat allochtone ouders zich weinig aantrekken van de school en de schoolprestaties van hun kinderen? 'Dat klopt niet', zegt de criminoloog. 'Alle ouders, ongeacht hun etnische achtergrond, willen dat hun kinderen een diploma behalen en proberen zicht te hebben op de vrienden met wie ze omgaan. Het clichébeeld van de onverschillige allochtone ouders staat heel ver van de werkelijkheid.' Als de grotere kans op crimineel gedrag bij allochtone jongeren niet aan de opvoeding ligt, waaraan dan wel? Volgens Cops speelt de buurt zeker een rol. 'Hoe gemengder de buurt, hoe meer kans op geweldsdelicten, zo lijkt het. Dat geldt zowel voor Belgische als voor allochtone jongeren, maar die laatsten wonen vaker in gemengde buurten.'