De rectoren van de UAntwerpen, UGent en KU Leuven maakten afgelopen week duidelijk dat ze meer studenten met een migratieachtergrond willen aantrekken in hun universiteiten. Wij steunen deze oproep, al maken we ook enkele kanttekeningen.

De huidige financiering van universiteiten ondermijnt hun democratisering.

In vergelijking met andere landen heeft Vlaanderen in het algemeen een toegankelijk hoger onderwijs. De toelatingsvoorwaarden aan universiteiten laten toe dat alle studenten met een diploma secundair onderwijs zich kunnen inschrijven en inschrijvingsgelden zijn relatief laag.

Die toegankelijkheid wordt gereflecteerd in de cijfers. In 1992 had 27 procent van de 30 tot 34-jarige Belgen een diploma hoger onderwijs, in 2016 46 procent. Nog nooit schreven zoveel studenten zich in aan een universiteit als de voorbije jaren, al zien we recent terug een lichte daling.

Ondanks deze groei blijft de deelname van sommige groepen in het hoger onderwijs bijzonder laag. De UAntwerpen en de UGent spreken van respectievelijk slechts 14,9 en 11 procent studenten met een migratieachtergrond. Aan de VUB ligt dit cijfers gelukkig hoger op zo'n 35 procent (23 procent met niet-Europese en 12 procent met Europese roots). Toch is daarmee de kous niet af.

Meer diverse studenten aantrekken is één zaak, hen succesvol begeleiden tot het behalen van een diploma een andere.

Uit internationaal onderzoek en uit eigen onderzoek op gegevens van de Vlaamse administratie blijkt dat studenten uit kansengroepen - van beursstudenten tot jongeren met niet-Nederlandstalige ouders - vaker uitstromen zonder diploma. Net zoals in het leerplichtonderwijs blijkt bovendien dat dit niet altijd met iemands cognitieve en academische vaardigheden te maken heeft. Sommige studenten hebben dus wel het potentieel om succesvol te zijn aan de universiteit, maar omstandigheden verhinderen hen hiervan.

Dit ondermijnt de democratisering van het universitair hoger onderwijs. Het is onvoldoende om de toegankelijkheid en participatie te verhogen. Om sociale mobiliteit te realiseren moeten ook de slaagkansen van ondervertegenwoordigde groepen verhoogd worden. Universiteiten die een inclusief beleid willen voeren, moeten dus brede inspanningen leveren om studenten tijdens de studieloopbaan te ondersteunen.

Dit vraagt extra (financiële) investeringen en het is bijzonder jammer dat de regering-Bourgeois het Aanmoedigingsfonds dat hoger onderwijsinstellingen financieel ondersteunde om gelijke kansen en diversiteit te stimuleren eind 2014 heeft afgeschaft.

Op dit moment worden instellingen die in kansengroepen investeren door het financieringsmodel afgestraft omdat een deel van de financiering berekend wordt op basis van het aantal afgeleverde diploma's.

Deze outputfinanciering maakt dat studenten die door hun achtergrond gemiddeld genomen minder kans hebben op slagen, voor universiteiten een 'risicovolle' investering zijn omdat de kans groter is dat ze uiteindelijk het diploma niet halen. Het is bijzonder jammer dat universiteiten om financiële redenen kansengroepen zouden gaan mijden.

Om sociale mobiliteit te realiseren moeten ook de slaagkansen van ondervertegenwoordigde groepen verhoogd worden.

Wij roepen op om samen met alle betrokkenen werk te maken van een tweede democratiseringsgolf in het hoger onderwijs. Niet alleen de toegankelijkheid voor bepaalde doelgroepen staat daarbij centraal maar ook de begeleiding en het studiesucces voor álle studenten ongeacht hun achtergrond. In het leerplichtonderwijs wordt momenteel sterk geïnvesteerd in inclusief onderwijs en het omgaan met diversiteit om de maximale ontplooiing van alle leerlingen te stimuleren. Ook voor het hoger onderwijs lijkt dit ons het te bewandelen pad.

Prof. dr. Els Consuegra en Sebastiano Cincinnato zijn onderzoekers aan het departement Onderwijskunde van de Vrije Universiteit Brussel.