We hebben het even voor u geturfd. Vorige maand zijn er in de Vlaamse pers 199 artikels verschenen over de lijst van zware beroepen voor ambtenaren, waarover de regering en de vakbonden het maar niet eens raken. Een andere term viel amper 5 keer: tantième. Dat is curieus. De lijst van zware beroepen, moet u weten, is maar een aanvullende compensatie voor de pensioenmaatregel die écht telt, en die de regering-Michel het koste wat het kost wil doorvoeren: de afschaffing van de preferentiële tantièmes (geen paniek, straks meer hierover) voor de berekening van de ambtenarenpensioenen.
...

We hebben het even voor u geturfd. Vorige maand zijn er in de Vlaamse pers 199 artikels verschenen over de lijst van zware beroepen voor ambtenaren, waarover de regering en de vakbonden het maar niet eens raken. Een andere term viel amper 5 keer: tantième. Dat is curieus. De lijst van zware beroepen, moet u weten, is maar een aanvullende compensatie voor de pensioenmaatregel die écht telt, en die de regering-Michel het koste wat het kost wil doorvoeren: de afschaffing van de preferentiële tantièmes (geen paniek, straks meer hierover) voor de berekening van de ambtenarenpensioenen. Soms spreken cijfers voor zich. Om de erkenning van zware beroepen voor ambtenaren te compenseren heeft de regering een budget van 17 miljoen euro per jaar uitgetrokken. Tegelijk schatte een nota van de Inspectie van Financiën de opbrengst van de afschaffing van de tantièmes op 182 miljoen euro per jaar (daarbij is de besparing die in de NMBS gerealiseerd zal worden niet eens meegerekend). De Inspectie van Financiën stipt aan dat tegen 2040, wanneer de maatregel zijn volledige effect moet bereiken, de impact enorm is: de gecumuleerde opbrengst bedraagt 16,7 miljard euro. Zulke voorspellingen moet je altijd met een korrel zout nemen, maar feit is: de afschaffing van de preferentiële tantièmes is een gouden zaak voor de schatkist. En tegelijk een aanslag op de portemonnee van hen die dat geld moeten afstaan: de (toekomstige) gepensioneerde ambtenaren. Hoe moeilijk 'preferentiële tantièmes' te verkopen zijn, bleek recent nog in 'het grote pensioendebat' van De Zevende Dag. In het midden van het gesprek, dat vooral over zware beroepen ging, maakte professor Ria Janvier (Universiteit Antwerpen) haar punt over het fundamentele verschil tussen het pensioendebat voor ambtenaren en dat voor werknemers en zelfstandigen. Javier beklemtoonde dat er voor werknemers met een zwaar beroep een voordeel bijkomt, maar dat ambtenaren de poten van onder hun stoel worden gezaagd. De hoogleraar probeerde uit te leggen dat de hervorming draait om 'de tantièmes', maar driekwart van het panel begreep amper waar ze het over had. Alleen Kamerlid Vincent Van Quickenborne (Open VLD) wist het als ex-minister van Pensioenen al te goed, maar ging dat debat liever niet aan. Twee minuten later ging het weer over zware beroepen. De afschaffing van de tantièmes past in het eindeloopbaandebat, dat al lang voor het aantreden van de regering-Michel werd ingezet. Het werd op gang getrokken onder Verhofstadt II, toen die regering van liberalen en socialisten in 2005 uitpakte met het Generatiepact. Men verkondigde dat de sociale zekerheid en bij uitbreiding de hele welvaartsstaat onbetaalbaar zouden worden als we niet langer aan de slag zouden blijven. Deden we dat niet, dan zouden de pensioenen onbetaalbaar worden, zeker voor de generaties van morgen. Die stelling werd ondersteund met een resem rapporten uit binnen- en buitenland. Om die reden namen ook latere regeringen maatregelen die niet altijd populair waren, zoals de beperking van het brugpensioen en de verhoging van de pensioenleeftijd. Begin 2012 nam Van Quickenborne de hele regering-Di Rupo op sleeptouw door de leeftijd voor het vervroegd pensioen met twee jaar op te trekken, van 60 naar 62 jaar. De regering-Michel ging op dat elan verder. In het regeerakkoord van oktober 2014 stond een heel hoofdstuk over de pensioenhervorming. De verhoging van de pensioenleeftijd (op termijn tot 67 jaar) zorgde prompt voor een hete herfst, met betogingen en stakingen. Veel minder aandacht was er voor enkele technische maatregelen die minstens zo ingrijpend zijn. Nochtans heeft de regering nooit een geheim gemaakt van wat ze van plan was met de tantièmes (afbouwen) of met de vaste benoeming (ook afbouwen) van de ambtenaren: het staat allemaal in het regeerakkoord. Eigenlijk is de afschaffing van de voordelige tantièmes niet de eerste aanpassing - zeg maar: inlevering - op het pensioen voor ambtenaren. Al langer wilden de meeste overheden (federaal, maar ook Vlaams en vaak ook lokaal en bij (voormalige) overheidsbedrijven en -instellingen, zoals de VRT) het gros van het contractuele overheidspersoneel niet meer vast benoemen - tenzij voor gezagsfuncties. Dat is geen algemene wet, eerder een collectief uitgevoerde beleidsoptie. Vroeger was het anders: er was een tijd dat het gangbaar was dat contractueel overheidspersoneel na enige tijd bijna-automatisch recht had op een statutaire benoeming. Vorig jaar leidde een verschil in visie op de 'promotie' van contractuele personeelsleden tot statutaire ambtenaren al tot een scherp conflict tussen het Gentse stadsbestuur en Vlaams minister van Binnenlands Bestuur Liesbeth Homans (N-VA). Homans schorste de Gentse beslissing om 508 zogenaamde 'contractuelen' met twaalf jaar dienst een vaste benoeming te gunnen. De minister verantwoordde haar schorsing door te verwijzen naar de praktijk in andere gemeentebesturen: 'Daar bouwt men het aantal statutairen af en benoemt men alleen nog contractuelen.' Die filosofie heeft een prijs voor de betrokkenen: contractueel overheidspersoneel verdient minder dan zijn statutaire collega's, heeft minder vakantie, minder hoge uitkeringen bij ziekte, minder werkzekerheid, en vooral een lager pensioen. Contractuelen kosten de lagere overheid doorgaans een pak minder dan statutairen. Vandaar dat veel gemeentebesturen meer dan 60 procent contractuelen in dienst hebben. Sommige parlementsleden willen dat uitbreiden tot zo veel mogelijk overheidsdiensten, -instellingen en -bedrijven. Zo diende Kamerlid Wouter Raskin (N-VA) in 2016 een wetsvoorstel in om nieuwe vaste benoemingen bij de NMBS te verbieden, 'zoals dat reeds gebeurt bij bpost en Proximus'. Voor contractueel overheidspersoneel dat ervan uitging ooit statutair ambtenaar te worden, is dat een ingrijpende beslissing. Laaggeschoold OCMW-personeel (vaak poetsvrouwen) met een laag loon van 2500 euro bruto na twintig jaar dienst levert gemiddeld meer dan 1000 euro pensioen per maand in, (zie kader: OCMW-poetsvrouw). Bij personeel met een graduaat- of bachelordiploma (zoals een OCMW-verpleegkundige) loopt dat snel op tot meer dan 1500 euro minder pensioen. Een vakbondsbron rekent voor: 'Poetsvrouwen die na hun pensioen nog 25 jaar blijven leven, leveren in totaal meer dan 400.000 euro in, dus een woning. Voor de bachelors loopt dat op tot bijna 500.000 euro, daar heb je al een villa voor.' (zie kader: Verpleegkundige stedelijk ziekenhuis). Het maakt ook meteen duidelijk hoe groot het verschil is tussen een pensioen van een ambtenaar en dat van een werknemer in de privésector, laat staan dat van een zelfstandige. Recenter waren er nog drie maatregelen om de pensioenen van de ambtenaren aan te passen. De eerste maatregel (eigenlijk een poging daartoe) is de harmonisering van het loon of de wedde waarop het pensioen wordt berekend. Het pensioen van de werknemers uit de privésector wordt berekend op de lonen die verdiend werden tijdens de hele loopbaan, dus ook op de (doorgaans lage) lonen uit de begindagen. Het pensioen van ambtenaren werd tot 2012 berekend op de laatste vijf jaar van de loopbaan, dus alleen op de hoogste wedde, wat natuurlijk leidde tot een hoger pensioen. De regering-Di Rupo trok die termijn al op tot 'de laatste tien jaar'. In de praktijk veranderde er weinig, omdat veel oudere ambtenaren op tien jaar van hun pensioen al hun maximale wedde krijgen. De regering-Michel wilde verder doorduwen, en vroeg de administratie een regeling uit te de werken om op termijn naar 20 jaar, 30 jaar en verder te gaan, conform het systeem in de privésector. Dat voorstel heeft het regeerakkoord níét gehaald, omdat het onwerkbaar bleek. Omdat de pensioenadministratie vroeger geen oude gegevens van ambtenaren nodig had, werden ze nooit bijgehouden. Teruggaan in de tijd was dus onmogelijk. Een tweede maatregel, waarover een brede consensus bestaat, is de geleidelijke schrapping van de diplomabonificatie. Voor de pensioenberekening van ambtenaren met een hoger diploma dat vereist is voor het uitoefenen van hun ambt werden de studiejaren meegerekend als gewerkte jaren. Graduaten/bachelors kregen twee of drie extra jaren extra, licentiaten/masters vier of vijf jaren. Daardoor konden zij eerder met pensioen, bereikten ze sneller een volledige loopbaan en dus het maximumpensioen. Dat is voorbij. Al mogen ze, net als werknemers en zelfstandigen, sinds 2017 hun studiejaren 'afkopen' voor de berekening van hun pensioen. Vandaag ligt dus de derde maatregel op tafel die heel veel statutaire personeelsleden treft, en die de onderliggende oorzaak is van de discussie over de zware beroepen: de afschaffing van de preferentiële tantièmes. Waarover gaat het? De term tantième (wat 'bonus' of 'winstuitkering' betekent) slaat op de formule die gebruikt wordt voor de berekening van het pensioen. De pensioenberekening begint met een breukgetal dat varieert naargelang van het aantal gewerkte jaren. De teller van die breuk is gelijk aan het aantal gewerkte jaren bij de overheid, de noemer is bij ambtenaren 60. De pensioenberekening begint dus aan 1/60, en na 45 jaar heeft men een volledig pensioen van 45/60sten. Tenminste, dat is de theorie. In de praktijk geniet meer dan 60 procent van alle ambtenaren van 'preferentiële of voordelige tantièmes'. Dat betekent: een lagere noemer, en bijgevolg een voordeliger pensioen. De voornaamste categorieën begunstigden zijn: 1/55: voor onderwijs- en niet-rijdend NMBS-personeel. 1/50: voor postbodes, douaniers, loodsen, luchtverkeersleiders, brandweerlui, politieagenten, militairen en bedienaars van de niet-katholieke eredienst. 1/48 (sinds 2012): rijdend NMBS-personeel, magistraten, federale ombudsmannen, hoogleraren aan de universiteit, lokale mandatarissen, provinciegouverneurs, leden van het Comité P en I, en bedienaars van de katholieke eredienst. De regering-Di Rupo had in 2012 al een paar al te voordelige tantièmes geschrapt: zoals 1/30 voor hoogleraren aan de universiteit en 1/20 voor de bedienaars van de katholieke eredienst en de leden van het Comité P en I. De hogere breuk is niet onbelangrijk. Als het tantième 60 is, moet een ambtenaar 45 jaar hebben gewerkt om zijn maximumpensioen te krijgen, namelijk 75 procent van zijn wedde van de laatste 5 of 10 jaar. Als het tantième 55 is, komt de ambtenaar aan dat maximum na 41 jaar en 3 maanden. Tot voor kort kon die ambtenaar ook sneller met pensioen, mét een volledig pensioen. Dat is de sleutel achter het zeer aantrekkelijke 'ambtenarenpensioen', toch in vergelijking met het werknemerspensioen. De ambtenaar heeft namelijk een pensioen van zoveel 60sten (of 55sten, of minder), vermenigvuldigd met het loon van de laatste vijf of tien jaar, zonder plafond, maar met een absoluut maximum. De regering-Michel heeft gekozen voor een fundamentele wijziging van het ambtenarenpensioen door in één klap de preferentiële tantièmes af te schaffen, en dat vanaf 1 januari 2020. Er is nog een overgang van 20 jaar voor militairen en rijdend personeel van de NMBS. En dan is er die ene, zéér preferentiële tantième die niet werd afgeschaft: 1/20e geldt nog altijd voor... parlementsleden. Op de Vlaams Parlementsleden na kunnen zij ook nog altijd met pensioen op 52 jaar. Nochtans stond de gelijkschakeling van de parlementaire pensioenen al op de agenda toen Vincent Van Quickenborne zijn pensioenhervorming in 2012 door de Kamer joeg. Er kwam een minder gunstig parlementair pensioen voor de níéuwe parlementsleden. Niet voor verkozenen die in 2012 al zitting hadden, zij behouden alle rechten. De huidige Kamervoorzitter Siegfried Bracke (N-VA) verdedigde het destijds met de mooie woorden: 'Wij hebben respect voor verworven rechten.' Los van het cadeau van de politici aan zichzelf is het financiële effect van die operatie natuurlijk reusachtig. Als de statutaire ambtenaren in het verleden aanzienlijke voordelen haalden uit dit systeem, zowel qua hoogte van het pensioen als qua vroeger stoppen, dan betekent de intrekking ervan een besparing van dezelfde omvang: het pensioen gaat in verhouding naar beneden, het aantal jaren dat je moet werken gaat naar boven. Die maatregel treft dus ruim 60 procent van de ambtenaren. Om die pil een beetje te vergulden, zwaait de regering-Michel met de tegemoetkoming voor 'zware' beroepen. Vandaar dat de ambtenaren het debat in gang hebben gezet, nog vóór de werknemers uit de privésector: eigenlijk zou het akkoord begin januari 2020 rond moeten zijn. Dat wordt geen sinecure. De sociale partners in de publieke sector raakten het de voorbije jaren wel eens over vier criteria - gevaarlijk werk, onregelmatig werk, fysiek belastend werk en stressvol werk -, maar daarbij stopte de consensus. De vakbonden werkten een model uit waarbij die vier criteria werden verfijnd tot een lijst van 82 deelcriteria. Enkele weken geleden leek pensioenminister Daniel Bacquelaine (MR) hierover een akkoord te hebben gevonden met het ACV en ACLVB (maar nog niet met het ABVV). De regeringspartners van Open VLD en N-VA verwezen de lijst meteen naar de prullenmand, wegens te lang. Vooral het feit dat bijna alle categorieën van leerkrachten als 'zwaar beroep' werden erkend, stuitte op veel onbegrip. Toch zal die verworpen lijst wellicht als basis dienen voor nieuwe onderhandelingen. De echte 'zeer zware' ambtenarenberoepen zijn hoe dan ook beperkt tot luchtverkeersleiders, maritieme verkeersleiders en loodsen, militairen, politieagenten en hulpagenten, en brandweerlui. En ook in de verworpen lijst was er een verschil tussen onderwijzers in het kleuter-, beroeps- en bijzonder onderwijs (die wellicht wél als een zwaar beroep beschouwd blijven, en niet onterecht) en andere. Bij het akkoord dat Bacquelaine even leek te hebben afgesloten, waren er nog vier criteria om te spreken van een 'zwaar beroep'. Nu lijkt één criterium, 'stressvol werk', nog slechts in aanmerking te komen als een kenmerk van een zwaar beroep in combinatie met een van de drie 'echte' voorwaarden. Daardoor zouden de leerkrachten van het basis- en secundair onderwijs níét erkend worden als zware beroepen. De onderwijsbonden zeggen nog altijd dat die beperking een oorlogsverklaring is waarop een staking het antwoord is. Vraag is of de regering(en) van dit land zo'n confrontatie aandurven, zeker in een verkiezingsjaar. Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) gaf al te kennen dat zij leerkracht een zwaar beroep vindt, en minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon (N-VA) gooide het met de politievakbonden op een akkoordje om agenten te erkennen als zwaar beroep. In de praktijk is de compensatie voor 'zwaar beroep' veel geringer dan de opbrengst van de afschaffing van de preferentiële tantièmes. De drie mogelijke categorieën van zware beroepen staan voor drie niveaus van compensatie: van 'zeer zwaar beroep' (gelabeld als '1,15' - voor brandweerlui, politieagenten...) via 'zwaar beroep' ('1,10' - voor afvalophalers, spoorleggers NMBS, ambulanciers MUG...) tot 'best zwaar beroep' ('1,05' - voor postbodes en kleuteronderwijzers...). De compensaties zelf zijn eerder beperkt. Dat blijkt trouwens uit het reusachtige verschil tussen de verwachte opbrengst van de afschaffing van de tantièmes (182 miljoen euro per jaar, volgens de Inspectie van Financiën - en het bedrag van 17 miljoen euro dat de regering vrijhoudt voor de 'zware beroepen' bij ambtenaren. Of het nu politieagenten zijn (sowieso een zwaar beroep), licentiaten in het onderwijs (niet zeker) of hoogleraren aan de universiteit (zeker niet), allemaal zullen ze langer moeten werken en allemaal zullen ze minder pensioen krijgen. Meer nog, sommige groepen zullen tot ná de wettelijke pensioenleeftijd op 65 jaar moeten werken om ook in de toekomst evenveel pensioen te krijgen als wat ze bij ongewijzigd beleid vandaag zouden hebben. De echt bevoordeelde groepen, zoals de magistraten, zullen wellicht nooit meer hun oude pensioenniveau halen, ook al werken ze tot hun 70 jaar. 'Langer werken om het pensioen veilig te stellen': dat was de cruciale belofte van de regering, een 'voor wat hoort wat'-afspraak waarvan iedereen beter wordt. Voor een groot deel van het statutaire overheidspersoneel wordt dat moeilijk vol te houden. Zij zullen sowieso langer moeten werken, veelal voor minder geld. En dat omdat alle preferentiële tantièmes op de schop gaan, en de regeling voor zware beroepen daarvoor slechts een minimale compensatie is.