Op donderdag 11 april 2019 publiceerde Klerusblatt een essay van paus-emeritus Benedictus over de misbruikschandalen in de rooms-katholieke Kerk. Benedictus voelde zich geroepen tot het schrijven van deze tekst, omdat zijn pontificaat werd getekend door 'de publieke uitbraak van de crisis'. Met zijn essay wenst hij naar eigen zeggen het debat te voeden en de Kerk perspectieven aan te reiken voor de toekomst.

De paus-emeritus vat zijn essay aan met een bespreking van de sociaal-culturele context waaruit het seksuele misbruik volgens hem ontstond. Zonder aarzeling wijst hij hiervoor naar de seksuele revolutie in de jaren 60 van de vorige eeuw en in het bijzonder naar de vrije moraal die binnensloop in de seksuele opvoeding van jongeren. Benedictus hekelt dat zij sindsdien een inleiding tot seksualiteit kregen die weinig aan de verbeelding overlaat. Alleen laat hij na (op een vreemde anekdotische verwijzing na die het verband legt tussen expliciete seksualiteit en geweld in het vliegtuigwezen) om te beargumenteren waarom deze openheid omtrent seksualiteit nefast is voor de morele vorming van de jeugd.

Benedictus lijkt vooral te bogen op de vooronderstellingen van zijn eigen jeugd (intussen al bijna een eeuw geleden) en dit maakt hem blind voor de gevaren die hieraan verbonden zijn. Seksualiteit hullen in discretie en zelfs stilzwijgen, leidt niet zelden tot een verkrampte houding met betrekking tot seks en bijgevolg zichzelf. De Kerk zelf erkent immers dat seksualiteit bepalend is voor de persoonsvorming (Persona Humana, 1975). Iedere hindernis in het verkennen, ontdekken en beleven van de eigen seksualiteit kan dan ook leiden tot een verstoring in de ontwikkeling tot een gezond en evenwichtig persoon. Dat de huidige misbruikschandalen eerder een naschok zijn van de Victoriaanse seksuele moraal die de Kerk (veel te) lang heeft gehuldigd, komt bij Benedictus niet eens op.

Dat de misbruikschandalen in de Kerk eerder een naschok zijn van de Victoriaanse seksuele moraal komt bij Benedictus niet eens op

Dit valt te betreuren. Benedictus is hierdoor niet bij machte om in te zien dat de vrije seksuele moraal die zich misschien 'niet conformeert aan normen', wel gericht is op waarden. De eigentijdse, seculiere cultuur is niet geheel van god los. Er was een tijd dat de Kerk dit beter aanvoelde. Het was de eigenlijke reden waarom het Tweede Vaticaanse Concilie (waaraan een jonge Ratzinger deelnam als raadgever) in diezelfde jaren 60 de dialoog met de wereld aanvatte (Gaudium et Spes, 1965). Alleen werd dat voornemen in de jaren erna losgelaten en verhardden de standpunten. Nochtans zou een hernieuwde dialoog leren dat er meer gemeenschappelijk is dan op het eerste gezicht lijkt.

De vrije seksuele moraal die Benedictus aanklaagt, schudde het taboe over de eigen lichamelijkheid van zich af. Ze huldigt het menselijk lichaam en zo de Schepping waar het deel van uitmaakt. Terecht waarschuwt de Kerk voor de schaduwzijden ervan. Zo kan een vrije seksuele moraal leiden tot een grote(re) zelfgerichtheid en de andere herleiden tot slechts een middel tot een doel (met name het persoonlijke genot). Alleen draagt de traditionele seksuele moraal van de Kerk met haar functionele inslag dat risico ook in zich. Seksualiteit dient voor haar enkel het doel van de voortplanting (Humanae vitae, 1968; Persona Humana, 1975). De seksuele revolutie van de jaren 60 verzette zich dus tegen hetzelfde als dat waar de Kerk vandaag tegen strijdt: een instrumentele moraal die de mens hindert in zowel zijn seksuele als persoonlijke ontplooiing.

Het bestaan en de eerbiediging van de absolute waarden die Benedictus wil beschermen, worden niet noodzakelijk in het gedrang gebracht door het zoeken naar een meer ontspannen omgang met seksualiteit. Ook de seculiere mens ervaart seksualiteit als een manier om intimiteit en geborgenheid te ontwikkelen. Hij zoekt - net als de gelovige - naar liefde en een duurzame relatie om haar in te borgen. Dit wordt door de seculiere moraal dan ook niet in twijfel getrokken; integendeel. Waar zij over struikelt, is dat de Kerk hier maar één manier toe ziet, namelijk in de klassieke man-vrouwrelatie ingebed in een huwelijk. Dat de vrije seksuele moraal met haar verzet hiertegen de liefde verdedigt die in zo veel andere relatievormen aanwezig is, blijft Benedictus moedwillig negeren. Deze eenzijdige lezing van de hedendaagse cultuur heeft als voordeel dat het een duidelijk vijandsbeeld oplevert waartegen men zich kan afzetten, maar in hoeverre is die opstelling Evangelisch?

De paus-emeritus geeft in zijn essay een opvallend antwoord. Het is geen Evangelische houding, maar wel één van getrouwheid aan de rooms-katholieke traditie en aan het leergezag. Benedictus geeft toe dat de eendimensionale benadering van de katholieke, seksuele moraal niet gebaseerd kan worden op het Evangelie. Hij verwijst hiervoor naar de vergeefse inspanningen van Bruno Schüller (1925-2007) om een 'systematische moraal' te enten op het Evangelie. Dit doet Benedictus teruggrijpen naar de katholieke traditie die wel een duidelijk kader biedt, maar waarvan duidelijk is dat zij de seculiere wereld niet meer kan inspireren.

Benedictus en een deel van de Kerk met hem weigeren echter om de dialoog met de seculiere wereld te hervatten en te kijken wat zij van haar kunnen leren. In plaats daarvan nemen zij liever de bluts met de buil. Met betrekking tot de misbruikschandalen leidt dit tot een pijnlijke stellinginname. Zo legt Benedictus zich erbij neer dat er in Gods visnet nu eenmaal ook 'slechte vissen' zitten. Proberen aan te tonen hoe dit misbruik zo welig kon tieren door de seksuele moraaltheologie kritisch te bestuderen, geeft je volgens Benedictus recht op 'een molensteen om de hals'(Mc 9:42). Zo interpreteert hij althans het Bijbelvers dat anders ingeroepen wordt ter bescherming van kinderen en jongeren. Het draait Benedictus niet om hun veiligheid, maar om het veiligstellen van de geloofstraditie.

De Kerk is inderdaad magistra van het katholieke geloof, maar zoals de heilige paus Johannes XXIII begreep, laat een goede leraar zich minstens evenveel onderwijzen dan dat hij zelf onderwijst. Als zij over haar eigen schaduw kan heen stappen, dan zal de Kerk vaststellen dat de seculiere cultuur allesbehalve immoreel is.

Zo lijkt deze cultuur de liefde soms beter te herkennen en gemakkelijker te erkennen dan de Kerk. Zij lijkt ook minder nood te hebben aan intellectuele eenduidigheid, wat haar misschien net meer ontvankelijk maakt voor de inspiratie van het Evangelie. Om aansluiting te vinden bij de seculiere wereld, moet de Kerk weer leerling worden. Dit is geen 'voorstel van de duivel' zoals Benedictus stelt, maar een evangelische oefening. Een Kerk die deze weigert te maken, verliest ieder toekomstperspectief.

Jonathan Lambaerts is sociaal werker, filosoof en godsdienstwetenschapper. Hij is verbonden aan de Thomas More hogeschool.

Op donderdag 11 april 2019 publiceerde Klerusblatt een essay van paus-emeritus Benedictus over de misbruikschandalen in de rooms-katholieke Kerk. Benedictus voelde zich geroepen tot het schrijven van deze tekst, omdat zijn pontificaat werd getekend door 'de publieke uitbraak van de crisis'. Met zijn essay wenst hij naar eigen zeggen het debat te voeden en de Kerk perspectieven aan te reiken voor de toekomst.De paus-emeritus vat zijn essay aan met een bespreking van de sociaal-culturele context waaruit het seksuele misbruik volgens hem ontstond. Zonder aarzeling wijst hij hiervoor naar de seksuele revolutie in de jaren 60 van de vorige eeuw en in het bijzonder naar de vrije moraal die binnensloop in de seksuele opvoeding van jongeren. Benedictus hekelt dat zij sindsdien een inleiding tot seksualiteit kregen die weinig aan de verbeelding overlaat. Alleen laat hij na (op een vreemde anekdotische verwijzing na die het verband legt tussen expliciete seksualiteit en geweld in het vliegtuigwezen) om te beargumenteren waarom deze openheid omtrent seksualiteit nefast is voor de morele vorming van de jeugd.Benedictus lijkt vooral te bogen op de vooronderstellingen van zijn eigen jeugd (intussen al bijna een eeuw geleden) en dit maakt hem blind voor de gevaren die hieraan verbonden zijn. Seksualiteit hullen in discretie en zelfs stilzwijgen, leidt niet zelden tot een verkrampte houding met betrekking tot seks en bijgevolg zichzelf. De Kerk zelf erkent immers dat seksualiteit bepalend is voor de persoonsvorming (Persona Humana, 1975). Iedere hindernis in het verkennen, ontdekken en beleven van de eigen seksualiteit kan dan ook leiden tot een verstoring in de ontwikkeling tot een gezond en evenwichtig persoon. Dat de huidige misbruikschandalen eerder een naschok zijn van de Victoriaanse seksuele moraal die de Kerk (veel te) lang heeft gehuldigd, komt bij Benedictus niet eens op.Dit valt te betreuren. Benedictus is hierdoor niet bij machte om in te zien dat de vrije seksuele moraal die zich misschien 'niet conformeert aan normen', wel gericht is op waarden. De eigentijdse, seculiere cultuur is niet geheel van god los. Er was een tijd dat de Kerk dit beter aanvoelde. Het was de eigenlijke reden waarom het Tweede Vaticaanse Concilie (waaraan een jonge Ratzinger deelnam als raadgever) in diezelfde jaren 60 de dialoog met de wereld aanvatte (Gaudium et Spes, 1965). Alleen werd dat voornemen in de jaren erna losgelaten en verhardden de standpunten. Nochtans zou een hernieuwde dialoog leren dat er meer gemeenschappelijk is dan op het eerste gezicht lijkt.De vrije seksuele moraal die Benedictus aanklaagt, schudde het taboe over de eigen lichamelijkheid van zich af. Ze huldigt het menselijk lichaam en zo de Schepping waar het deel van uitmaakt. Terecht waarschuwt de Kerk voor de schaduwzijden ervan. Zo kan een vrije seksuele moraal leiden tot een grote(re) zelfgerichtheid en de andere herleiden tot slechts een middel tot een doel (met name het persoonlijke genot). Alleen draagt de traditionele seksuele moraal van de Kerk met haar functionele inslag dat risico ook in zich. Seksualiteit dient voor haar enkel het doel van de voortplanting (Humanae vitae, 1968; Persona Humana, 1975). De seksuele revolutie van de jaren 60 verzette zich dus tegen hetzelfde als dat waar de Kerk vandaag tegen strijdt: een instrumentele moraal die de mens hindert in zowel zijn seksuele als persoonlijke ontplooiing.Het bestaan en de eerbiediging van de absolute waarden die Benedictus wil beschermen, worden niet noodzakelijk in het gedrang gebracht door het zoeken naar een meer ontspannen omgang met seksualiteit. Ook de seculiere mens ervaart seksualiteit als een manier om intimiteit en geborgenheid te ontwikkelen. Hij zoekt - net als de gelovige - naar liefde en een duurzame relatie om haar in te borgen. Dit wordt door de seculiere moraal dan ook niet in twijfel getrokken; integendeel. Waar zij over struikelt, is dat de Kerk hier maar één manier toe ziet, namelijk in de klassieke man-vrouwrelatie ingebed in een huwelijk. Dat de vrije seksuele moraal met haar verzet hiertegen de liefde verdedigt die in zo veel andere relatievormen aanwezig is, blijft Benedictus moedwillig negeren. Deze eenzijdige lezing van de hedendaagse cultuur heeft als voordeel dat het een duidelijk vijandsbeeld oplevert waartegen men zich kan afzetten, maar in hoeverre is die opstelling Evangelisch?De paus-emeritus geeft in zijn essay een opvallend antwoord. Het is geen Evangelische houding, maar wel één van getrouwheid aan de rooms-katholieke traditie en aan het leergezag. Benedictus geeft toe dat de eendimensionale benadering van de katholieke, seksuele moraal niet gebaseerd kan worden op het Evangelie. Hij verwijst hiervoor naar de vergeefse inspanningen van Bruno Schüller (1925-2007) om een 'systematische moraal' te enten op het Evangelie. Dit doet Benedictus teruggrijpen naar de katholieke traditie die wel een duidelijk kader biedt, maar waarvan duidelijk is dat zij de seculiere wereld niet meer kan inspireren.Benedictus en een deel van de Kerk met hem weigeren echter om de dialoog met de seculiere wereld te hervatten en te kijken wat zij van haar kunnen leren. In plaats daarvan nemen zij liever de bluts met de buil. Met betrekking tot de misbruikschandalen leidt dit tot een pijnlijke stellinginname. Zo legt Benedictus zich erbij neer dat er in Gods visnet nu eenmaal ook 'slechte vissen' zitten. Proberen aan te tonen hoe dit misbruik zo welig kon tieren door de seksuele moraaltheologie kritisch te bestuderen, geeft je volgens Benedictus recht op 'een molensteen om de hals'(Mc 9:42). Zo interpreteert hij althans het Bijbelvers dat anders ingeroepen wordt ter bescherming van kinderen en jongeren. Het draait Benedictus niet om hun veiligheid, maar om het veiligstellen van de geloofstraditie.De Kerk is inderdaad magistra van het katholieke geloof, maar zoals de heilige paus Johannes XXIII begreep, laat een goede leraar zich minstens evenveel onderwijzen dan dat hij zelf onderwijst. Als zij over haar eigen schaduw kan heen stappen, dan zal de Kerk vaststellen dat de seculiere cultuur allesbehalve immoreel is.Zo lijkt deze cultuur de liefde soms beter te herkennen en gemakkelijker te erkennen dan de Kerk. Zij lijkt ook minder nood te hebben aan intellectuele eenduidigheid, wat haar misschien net meer ontvankelijk maakt voor de inspiratie van het Evangelie. Om aansluiting te vinden bij de seculiere wereld, moet de Kerk weer leerling worden. Dit is geen 'voorstel van de duivel' zoals Benedictus stelt, maar een evangelische oefening. Een Kerk die deze weigert te maken, verliest ieder toekomstperspectief.Jonathan Lambaerts is sociaal werker, filosoof en godsdienstwetenschapper. Hij is verbonden aan de Thomas More hogeschool.