Tot twee weken was Carlo Herpoel in het vluchtelingenkamp van Idomeni.Het kamp aan de Grieks-Macedonische grens is recent ontruimd door de Griekse ordediensten.
...

Mijn laatste dag in Idomeni is aangebroken. Ik sta op en kijk reeds vol heimwee terug. Dit is de laatste rit naar het kamp, de laatste politiecontrole. Heel de dag zal ik wellicht in mijn achterhoofd 'dit is de laatste...' plaatsen voor alle gedachten en alles wat ik doe of zie. Maar ik heb nog een hele dag te gaan. Die intussen vertrouwde dagelijkse dingen waar ik afscheid van neem, zullen wellicht wel de nodige emoties met zich meebrengen. De vluchtelingen hier zijn er erger aan toe. Ze worden meer en meer in het nauw gedreven. Tenten worden niet meer vervangen, voedsel wordt schaarser, de politie belemmert veel en weigert ook veel. Vluchtelingen mogen geen voedsel meebrengen in het kamp, vrijwilligers die niet aangesloten zijn bij een organisatie ook niet. De sfeer betert er niet op.Een algemeen negatief gevoel hangt in het kamp. Het is alsof de vluchtelingen heel goed weten dat dit hun laatste dagen hier kunnen zijn. We mogen er niet aan denken. Maar het is buigen of barsten. Ik weet dat het barsten wordt. Europa heeft geen consensusvisie, het wordt te heet hier vlak aan de grens: de belemmeringen van de overheid, de politie die moeilijk doet. Wat moeten die gezinnen hier nog doen als hun tent vernield is en er geen andere tenten of onderkomen in het kamp zijn? Letterlijk afdruipen.Men heeft drie mogelijkheden: ofwel de bus richting het nieuwe kamp in Athene op, ofwel weer op de vlucht naar onbekende oorden, ofwel terug naar het eigen land. Ik huiver bij de gedachte van zo'n terugkeer naar eigen land, opnieuw de oorlog tegemoet, of naar onleefbare gebieden. Als puntje bij paaltje komt, doet niemand iets. 'Laat hen maar doen. Ze hebben het zelf gezocht.' Néén, zeg ik. Niets is minder waar. Wij Europeanen mogen blij zijn dat deze mensen breeddenkend zijn, dat deze vluchtelingen bijzonder tolerant zijn. Respect voor deze mensen want ze ondergaan alles, ze verdragen zoveel. Ik weet niet of wij dat kunnen. In ellenlange rijen staan voor een maaltijd. Neen man, wij gaan naar een ander eethuis. Vragen stellen die onbeantwoord blijven of op een koude njet eindigen. Wij zouden een aangetekende brief sturen. En dan te bedenken dat Griekenland een Europees land is. Daar merk ik toch weinig van. Mijn afscheid komt zienderogen nabij. Ik kwam machteloze vluchtelingen helpen maar ga machteloos terug naar België. Wat kan ik nu nog doen? Ik moet het ondergaan, of ik dat nu wil of niet. Wellicht wordt het kamp gesloten 'om diverse redenen'. Men zal allicht een hele reeks redenen opsommen waarna de conclusie steeds dezelfde is: 'Opdoeken, dat kamp.'We zullen het heft in handen nemen, zegt de Griekse overheid. Iedereen naar de kampen die door de militairen beheerd worden. Zo behouden we de controle over die vluchtelingen. Ze zullen doen wat wij zeggen. De Griekse overheid heeft het onderste uit de kan gehaald om op voorhand al zo veel mogelijk vluchtelingen uit het kamp te krijgen. Hoeveel, dat zullen ze niet zeggen. Hoeveel zijn er opnieuw op de vlucht naar betere oorden of ontgoocheld op weg naar hun land van herkomst? Dat zal men ook niet zeggen. Ik zag en zeg het met volle overtuiging: enkele duizenden zijn weer op pad.Nog even tijd nemen om wat foto's te maken van het kamp. Ik noem het 'De festivalweide van de ellende'. Ik zoek de mooie kantjes op, de verrassende hoekjes want de zielige en dramatische beelden vind je al overal in de kranten en in het nieuws. Ik fotografeer de laatste kinderen, in al hun spontaniteit, zodat mijn fotoreeks The Kids of Idomeni af is. Na mijn fotoronde voel ik me wat beschaamd, een ramptoerist. Toch pik ik nog snel de laatste shift van de voedselbedeling mee. Het is een ideaal moment om afscheid te nemen van de vluchtelingen. Al staan ze natuurlijk niet voor mij in de rij, wel voor een warme maaltijd. Ik heb het opnieuw zo druk dat ik enkele vrienden, die ik graag nog wilde zien, geen gedag meer kan zeggen. Tegen de enkele die ik alsnog tegenkom, zeg ik dat ik er morgen niet meer zal zijn. Met tranen in de ogen neem ik afscheid, en ik moet me ook inhouden. Ik moet me sterk tonen, en wens hen veel geluk toe. Meer kan ik niet doen. Eventjes ben ik totaal van slag wanneer een jongetje dat ik dagelijks eten gaf bij de foodbus naar me toekomt met een thee en wat voedsel dat hij net daarvoor heeft gekregen. 'Dit is voor u,' zegt hij, 'voor de terugreis'. Hij geeft me een zoen, waardoor de helft van de thee op de grond belandt. Hij zwaait nog een paar keer en verdwijnt dan, al spelend met zijn vriendjes. Daar sta ik dan met mijn maaltijd voor morgen. Ik kan het niet over mijn hart krijgen om het mee te nemen en geef het aan een andere vriend van me die daar godganse dagen in een rolstoel voor zich uitstaarde. Waarom niet? Morgenavond eet ik wellicht toch frieten.Het is al negen uur en het wordt snel duister. De avond valt, en ook het doek van mijn missie gaat langzaam dicht. In de foodbus neem ik afscheid van een prachtig team. Het toffe aan dat team was dat het een mix was van culturen, van vrijwilligers en vluchtelingen. Samen maakten we eten klaar, samen deelden we maaltijden uit. Toen we urenlang slaatjes stonden te bereiden voor duizenden vluchtelingen hebben we gelachen en heb ik veel geluisterd naar hun verhalen. Dat was telkens een confrontatie met de realiteit. Hoe ze de ellende, de pijn en het verdriet omschreven, hoe ze situatie nuchter bekeken, hoe ze zo hoopvol de toekomst zagen en hoe begripvol ze waren voor de mensen die willen helpen maar niet kunnen. Daar sta je paf van. Dan leer je wat relativeren is. Mijn vriend vertaler, Shero met de eeuwige glimlach en humor, is bij het afscheid niet te bespeuren. Shero zou bij de bus wachten of in zijn hotel (zo heet zijn tent) zitten. Hij is nergens te bekennen en iemand zoeken in het donkere kamp is als een speld in een hooiberg proberen te vinden. Ik laat bij een vriend een videogesprek achter. Dat gaat hij morgen tonen aan Shero. Beter zo dan niets.Wanneer ik het kamp verlaat, roept een andere vriend: 'Ik zie je in Macedonië.. sorry Belgium... bye'. Dit waren de laatste woorden van mijn nieuwe vrienden in Idomeni. Twee zaken vind ik niet leuk: aankomen en verlaten. Beide dragen iets triests in zich. In mijn hoofd weerklinkt een liedje uit mijn Chirotijd: 'Ik zeg je geen vaarwel mijn vriend, dra zien we elkander weer... zodra... (zodra wat?)'Waar ga ik nu naartoe? Terug naar de machteloosheid want Europa is ook machteloos ten opzichte van de vluchtelingenproblematiek. Ook zij zijn op de vlucht, en daarvoor gebruiken ze uitvluchten.