Enige paniek! Een recent onderzoek in opdracht van Knack en Le Vif suggereert dat tot wel één op drie Belgen gelooft in een complottheorie. Het varieert van klassiekers zoals dat de maanlanding in scène zou zijn gezet tot recente theorieën dat China bewust achter het coronavirus zou zitten.

Toch mogen we ons niet mispakken en denken dat dit een groot of nieuw probleem zou zijn. Het is nodig dit onderzoek breder maatschappelijk en historisch te kaderen. Dan blijkt al snel dat, hoewel samenzweringstheorieën van alle tijden zijn, ze steeds samenhangen met een aantal sociale problemen.

Complotdenken is van alle tijden

De claim dat geloof in complottheorieën toeneemt, is een populaire stelling, maar er is eigenlijk amper bewijs voor. Deels is dat omdat het moeilijk te onderzoeken is, onder meer ook omdat het begrip complottheorie pas rond 1900 opduikt. Een van de weinige studies, uitgevoerd door de Amerikaanse onderzoeker Joseph Uscinski, keek naar de aanwezigheid van samenzweringstheorieën in ingezonden lezersbrieven naar de New York Times doorheen de 20e eeuw. De studie vond eerder aanwijzingen dat het aantal complottheorieën stabiel bleef doorheen de tijd.

Complottheorieën zijn een sociaal probleem.

Daarom zijn de cijfers van deze nieuwe studie eigenlijk niet zo verbazingwekkend, maar duiden op een standvastig patroon. Decennia van enquêtes in de Verenigde Staten geven een gelijkaardig, maar stabiel percentage complotdenkers aan. Toch wekken studies zoals deze de indruk dat het om een nieuw en hedendaags probleem zou gaan, dat samenhangt met de opkomst van sociale media. Sociale media zouden complottheorieën makkelijker verspreiden en polarisatie in de hand werken. Gegeven deze claims, lijkt het nieuws dus best mee te vallen. Er is niet plots een vloedgolf aan samenzweringstheorieën die op ons afkomt.

Complottheorieën zijn voor losers

Er is een groot verschil tussen positief antwoorden op een online enquête en ook effectief naar een complottheorie handelen. Het is vaak onduidelijk of zo'n antwoord op een enquête betekent dat je werkelijk de complottheorie gelooft of enkel maar de optie wil openhouden. Je schrijft met andere woorden enkel wat plausibiliteit aan de complottheorie toe. Het is mogelijk, maar je weet niets zeker. Er moet al meer aan de hand zijn vooraleer mensen op straat komen omwille van samenzweringstheorieën. Toch gebeurt dat, zoals we nu rond corona zien. Het gaat dan vaak om achterliggende sociale of politieke problemen, zoals armoede of sociale uitsluiting. Het zijn deze problemen die onze focus zouden moeten zijn, waarvan complottheorieën slechts symptomen zijn.

In wat voor soort maatschappij kunnen complottheorieën gedijen?

We moeten daarom bij complotdenkers niet focussen op het individu en wat er misgaat in diens bovenkamer, maar op de maatschappij. De psychologie van de complottheorie moet dus op z'n minst worden aangevuld door een sociologie van de complottheorie. In wat voor soort maatschappij kunnen complottheorieën gedijen? De centrale stelling van Uscinski's recent onderzoek is dan ook dat complottheorieën vooral populair zijn bij groepen die sociaal achtergesteld zijn, zoals delen van de Afro-Amerikaanse bevolking in de Verenigde Staten.

Op gelijkaardige manier kan je naar de Trump-supporters kijken, die vaak omwille van andere problemen een sterke leider en een zondebok zochten. Ook mensen die denken dat het coronavirus een hoax is of het vaccin niet vertrouwen, doen dat niet zomaar. Het is een een uiting van de talloze problemen die uitvergroot worden door de coronacrisis, gaande van vereenzaming tot structurele ongelijkheid

Historisch perspectief

Om de sociale rol van complotdenken te begrijpen is het daarnaast ook behulpzaam om een historisch perspectief in te nemen en naar de geschiedenis van de complottheorie te kijken. Als je ernaar zoekt, kun je doorheen de hele geschiedenis complottheorieën terugvinden. Bij de brand van Rome in het jaar 56 beschuldigde keizer Nero de christenen bijvoorbeeld van een complot tegen de stad. Pestepidemieën werden op gelijkaardige wijze vaak gezien als het product van een joods complot, waarbij joden waterputten zouden hebben vergiftigd.

Toch worden complottheorieën pas na de Tweede Wereldoorlog werkelijk een zorg voor beleidsmakers en academici. Dat is niet zozeer een gevolg van een plotse toename van samenzweringstheorieën, maar had te maken met een verschuivende perceptie. Voor lange tijd werd complotdenken immers als onproblematisch ervaren. Het was een acceptabele manier om over politiek te spreken in termen van complotten. Wanneer je werd beschuldigd van een complot bestreed je die claim uiteraard met passie, maar tegenstanders werden niet gelabeld als complotdenker. Dat is pas iets dat we recent zijn gaan doen.

De term zelf duikt pas op het einde van de 19e eeuw en wordt populair na de Tweede Wereldoorlog. Wat was er plots veranderd? Sociologen als Luc Boltanski suggereren een link met het ontstaan van de moderne natiestaat en de nieuwe sociale wetenschappen. Door het ontstaan van nieuwe wetenschappen, zoals de statistiek, kon er plots uitvoerig gesproken worden over de toestand van 'de maatschappij' of 'de economie'. Er was met andere woorden een sociale realiteit die je kon gaan vergelijken met je individuele ervaring, en waartussen conflicten konden ontstaan. Welke verborgen krachten de maatschappij en de economie stuurden werd een interessant probleem, zowel voor sociale wetenschappers als voor individuele complotdenkers.

Pas dan kreeg je ook een normatieve tegenstelling tussen een structurele verklaring en een complottheorie. Structurele verklaringen zien gebeurtenissen zoals een financiële crisis of een pandemie als onbedoelde neveneffecten van maatschappelijke tendensen zoals globalisering. Samenzweringstheorieën, daarentegen, doen beroep op intentionele en kwaadaardige complotten om deze gebeurtenissen te verklaren. We vinden tegenwoordig nog enkel het eerste type verklaring aanvaardbaar, terwijl we complottheorieën meteen afdoen als irrationeel.

Politieke psychologie

Boltanski wijst ook op een nauwe band met de moderne liberale democratie. Complottheorieën werden in de 20e eeuw pas echt een probleem voor een aantal liberale denkers, zoals Karl Popper en Richard J. Hofstadter. Zij maakten zich zorgen over samenzweringstheorieën, die zij associeerden met politiek extremisme, zowel aan de linker- als rechterkant. Het nazisme liep over van de complottheorieën, maar ook het communisme was er niet vrij van. Ook de heksenjacht op communisten in de jaren 1960 door Joseph McCarthy had veel weg van een complottheorie.

Popper en Hofstadter zagen de liberale consensus als de enige rationele middenweg en psychologiseerden hun politieke tegenstanders. In een beroemd artikel uit 1964 sprak Hofstadter over de 'paranoïde stijl van de Amerikaanse politiek'. Radicale politieke standpunten waren enkel het product van psychische problemen en sterke emoties. Deze moesten getemperd worden. Vandaar de psychologische interesse in complottheorieën, die mensen moesten genezen van deze psychische afwijkingen. De psychologie van de complottheorie was geboren.

Complottheorieën psychologiseren is dus niet politiek neutraal, maar hangt historisch en conceptueel samen met een liberaal vertoog dat pleit voor de middenweg en radicale politieke hervormingen schuwt. Dat liberale vertoog wordt niet enkel gebruikt om complotdenken uit te sluiten, maar ook om andere politiek afwijkende voorstellen te ridiculiseren. Politieke voorstellen zoals hogere belastingen voor de rijken of het basisinkomen, om maar twee voorbeelden te noemen, worden door datzelfde vertoog afgedaan als onrealistisch en gevaarlijk, het product van dromen en emoties.

Toch zijn zulke politieke voorstellen, die afwijken van het status quo, het misschien wel waard om besproken te worden. We worden immers geconfronteerd met grote uitdagingen, gaande van de disruptieve macht van sociale media tot een toenemende maatschappelijke ongelijkheid, die enkel nog versterkt worden door de coronakwestie. Laten we het over die problemen en hun mogelijke oplossingen hebben in plaats van individuele complotdenkers met de vinger te wijzen.

Enige paniek! Een recent onderzoek in opdracht van Knack en Le Vif suggereert dat tot wel één op drie Belgen gelooft in een complottheorie. Het varieert van klassiekers zoals dat de maanlanding in scène zou zijn gezet tot recente theorieën dat China bewust achter het coronavirus zou zitten. Toch mogen we ons niet mispakken en denken dat dit een groot of nieuw probleem zou zijn. Het is nodig dit onderzoek breder maatschappelijk en historisch te kaderen. Dan blijkt al snel dat, hoewel samenzweringstheorieën van alle tijden zijn, ze steeds samenhangen met een aantal sociale problemen.De claim dat geloof in complottheorieën toeneemt, is een populaire stelling, maar er is eigenlijk amper bewijs voor. Deels is dat omdat het moeilijk te onderzoeken is, onder meer ook omdat het begrip complottheorie pas rond 1900 opduikt. Een van de weinige studies, uitgevoerd door de Amerikaanse onderzoeker Joseph Uscinski, keek naar de aanwezigheid van samenzweringstheorieën in ingezonden lezersbrieven naar de New York Times doorheen de 20e eeuw. De studie vond eerder aanwijzingen dat het aantal complottheorieën stabiel bleef doorheen de tijd.Daarom zijn de cijfers van deze nieuwe studie eigenlijk niet zo verbazingwekkend, maar duiden op een standvastig patroon. Decennia van enquêtes in de Verenigde Staten geven een gelijkaardig, maar stabiel percentage complotdenkers aan. Toch wekken studies zoals deze de indruk dat het om een nieuw en hedendaags probleem zou gaan, dat samenhangt met de opkomst van sociale media. Sociale media zouden complottheorieën makkelijker verspreiden en polarisatie in de hand werken. Gegeven deze claims, lijkt het nieuws dus best mee te vallen. Er is niet plots een vloedgolf aan samenzweringstheorieën die op ons afkomt.Er is een groot verschil tussen positief antwoorden op een online enquête en ook effectief naar een complottheorie handelen. Het is vaak onduidelijk of zo'n antwoord op een enquête betekent dat je werkelijk de complottheorie gelooft of enkel maar de optie wil openhouden. Je schrijft met andere woorden enkel wat plausibiliteit aan de complottheorie toe. Het is mogelijk, maar je weet niets zeker. Er moet al meer aan de hand zijn vooraleer mensen op straat komen omwille van samenzweringstheorieën. Toch gebeurt dat, zoals we nu rond corona zien. Het gaat dan vaak om achterliggende sociale of politieke problemen, zoals armoede of sociale uitsluiting. Het zijn deze problemen die onze focus zouden moeten zijn, waarvan complottheorieën slechts symptomen zijn.We moeten daarom bij complotdenkers niet focussen op het individu en wat er misgaat in diens bovenkamer, maar op de maatschappij. De psychologie van de complottheorie moet dus op z'n minst worden aangevuld door een sociologie van de complottheorie. In wat voor soort maatschappij kunnen complottheorieën gedijen? De centrale stelling van Uscinski's recent onderzoek is dan ook dat complottheorieën vooral populair zijn bij groepen die sociaal achtergesteld zijn, zoals delen van de Afro-Amerikaanse bevolking in de Verenigde Staten. Op gelijkaardige manier kan je naar de Trump-supporters kijken, die vaak omwille van andere problemen een sterke leider en een zondebok zochten. Ook mensen die denken dat het coronavirus een hoax is of het vaccin niet vertrouwen, doen dat niet zomaar. Het is een een uiting van de talloze problemen die uitvergroot worden door de coronacrisis, gaande van vereenzaming tot structurele ongelijkheidOm de sociale rol van complotdenken te begrijpen is het daarnaast ook behulpzaam om een historisch perspectief in te nemen en naar de geschiedenis van de complottheorie te kijken. Als je ernaar zoekt, kun je doorheen de hele geschiedenis complottheorieën terugvinden. Bij de brand van Rome in het jaar 56 beschuldigde keizer Nero de christenen bijvoorbeeld van een complot tegen de stad. Pestepidemieën werden op gelijkaardige wijze vaak gezien als het product van een joods complot, waarbij joden waterputten zouden hebben vergiftigd. Toch worden complottheorieën pas na de Tweede Wereldoorlog werkelijk een zorg voor beleidsmakers en academici. Dat is niet zozeer een gevolg van een plotse toename van samenzweringstheorieën, maar had te maken met een verschuivende perceptie. Voor lange tijd werd complotdenken immers als onproblematisch ervaren. Het was een acceptabele manier om over politiek te spreken in termen van complotten. Wanneer je werd beschuldigd van een complot bestreed je die claim uiteraard met passie, maar tegenstanders werden niet gelabeld als complotdenker. Dat is pas iets dat we recent zijn gaan doen.De term zelf duikt pas op het einde van de 19e eeuw en wordt populair na de Tweede Wereldoorlog. Wat was er plots veranderd? Sociologen als Luc Boltanski suggereren een link met het ontstaan van de moderne natiestaat en de nieuwe sociale wetenschappen. Door het ontstaan van nieuwe wetenschappen, zoals de statistiek, kon er plots uitvoerig gesproken worden over de toestand van 'de maatschappij' of 'de economie'. Er was met andere woorden een sociale realiteit die je kon gaan vergelijken met je individuele ervaring, en waartussen conflicten konden ontstaan. Welke verborgen krachten de maatschappij en de economie stuurden werd een interessant probleem, zowel voor sociale wetenschappers als voor individuele complotdenkers. Pas dan kreeg je ook een normatieve tegenstelling tussen een structurele verklaring en een complottheorie. Structurele verklaringen zien gebeurtenissen zoals een financiële crisis of een pandemie als onbedoelde neveneffecten van maatschappelijke tendensen zoals globalisering. Samenzweringstheorieën, daarentegen, doen beroep op intentionele en kwaadaardige complotten om deze gebeurtenissen te verklaren. We vinden tegenwoordig nog enkel het eerste type verklaring aanvaardbaar, terwijl we complottheorieën meteen afdoen als irrationeel.Boltanski wijst ook op een nauwe band met de moderne liberale democratie. Complottheorieën werden in de 20e eeuw pas echt een probleem voor een aantal liberale denkers, zoals Karl Popper en Richard J. Hofstadter. Zij maakten zich zorgen over samenzweringstheorieën, die zij associeerden met politiek extremisme, zowel aan de linker- als rechterkant. Het nazisme liep over van de complottheorieën, maar ook het communisme was er niet vrij van. Ook de heksenjacht op communisten in de jaren 1960 door Joseph McCarthy had veel weg van een complottheorie.Popper en Hofstadter zagen de liberale consensus als de enige rationele middenweg en psychologiseerden hun politieke tegenstanders. In een beroemd artikel uit 1964 sprak Hofstadter over de 'paranoïde stijl van de Amerikaanse politiek'. Radicale politieke standpunten waren enkel het product van psychische problemen en sterke emoties. Deze moesten getemperd worden. Vandaar de psychologische interesse in complottheorieën, die mensen moesten genezen van deze psychische afwijkingen. De psychologie van de complottheorie was geboren.Complottheorieën psychologiseren is dus niet politiek neutraal, maar hangt historisch en conceptueel samen met een liberaal vertoog dat pleit voor de middenweg en radicale politieke hervormingen schuwt. Dat liberale vertoog wordt niet enkel gebruikt om complotdenken uit te sluiten, maar ook om andere politiek afwijkende voorstellen te ridiculiseren. Politieke voorstellen zoals hogere belastingen voor de rijken of het basisinkomen, om maar twee voorbeelden te noemen, worden door datzelfde vertoog afgedaan als onrealistisch en gevaarlijk, het product van dromen en emoties.Toch zijn zulke politieke voorstellen, die afwijken van het status quo, het misschien wel waard om besproken te worden. We worden immers geconfronteerd met grote uitdagingen, gaande van de disruptieve macht van sociale media tot een toenemende maatschappelijke ongelijkheid, die enkel nog versterkt worden door de coronakwestie. Laten we het over die problemen en hun mogelijke oplossingen hebben in plaats van individuele complotdenkers met de vinger te wijzen.