Ze zit erop, de eerste editie van de Koningin Elisabethwedstrijd voor cello. Daarmee wordt het befaamde Brusselse concours in één klap de grote broer van de Tsjaikovski-wedstrijd in Moskou, die al sinds zijn ontstaan behalve aan piano en viool ook aan de cello is gewijd. De winnaar heet Victor Julien-Laferrière (26), een eersteling waarvoor de wedstrijd dankbaar mag zijn.
...

Ze zit erop, de eerste editie van de Koningin Elisabethwedstrijd voor cello. Daarmee wordt het befaamde Brusselse concours in één klap de grote broer van de Tsjaikovski-wedstrijd in Moskou, die al sinds zijn ontstaan behalve aan piano en viool ook aan de cello is gewijd. De winnaar heet Victor Julien-Laferrière (26), een eersteling waarvoor de wedstrijd dankbaar mag zijn. We spraken Julien-Laferrière een uurtje voor een van de vele, al dan niet private concerten die laureaten in de nasleep van hun prestatie aangeboden krijgen. Smokings en cocktailjurken alom in het Brusselse Concert Noble. Het steekt scherp af tegen de gesofisticeerde eenvoud van de jonge Fransman. Victor Julien-Laferrière: Ik recupereer goed. (lacht)Julien-Laferrière: Het zal wat tijd kosten om aan die gedachte te wennen. Maar ik besef natuurlijk dat ik deel in het ongelooflijke prestige van dit concours, dat zich nauwelijks met andere laat vergelijken. Er zitten zeker prettige kanten aan. Tijdens de finaleweek probeerden de andere finalisten en ik ons voor te stellen hoe de legendarisch geworden kandidaten uit de jaren vijftig en zestig in dezelfde ruimtes van de Elisabethkapel zaten. Met de bijzondere sfeer die de Koude Oorlog met zich mee moet hebben gebracht. Stel je voor: Amerikanen en Russen die samen opgesloten zaten. Het is toch raar? Er bestaan best wel wedstrijden die qua vorm op de Elisabethwedstrijd lijken, en in de jury's tref je onvermijdelijk met regelmaat dezelfde mensen aan. En toch is de sfeer die hier hangt, de psychologie van de wedstrijd, nergens mee te vergelijken. Julien-Laferrière: Ik kan alleen maar zeggen dat ik me van mijn leven nog niet zo uitgeput heb gevoeld. Deze wedstrijd woont je helemaal uit: je energiebalans, je metabolisme... Na elke piekfase ga je door een dal, en het behoort tot de vaardigheden van wie hier laureaat wil worden dat je zo'n dip kunt overwinnen. Het ligt vooral aan de duur van de wedstrijd. Het aantal werken dat je moet aanbieden is een belangrijke parameter, maar in dat opzicht zijn ook andere wedstrijden hard. Maar de psychologische intensiteit vasthouden, met die langgerekte nervositeit omgaan, je geest niet te veel laten afdwalen: dat is in Brussel echt niet evident. En ja, er is natuurlijk ook het nieuwe plichtwerk. Iedereen die aankwam in de kapel voelde hetzelfde: dit haal ik nooit. Ook dat is een psychologische strijd, want je haalt het natuurlijk wél. Je mag alleen niet panieken. Julien-Laferrière: Het is ook een heel mooi werk! Inderdaad buitengewoon goed geschreven voor het instrument, én opmerkelijk slim opgevat voor dit wedstrijdformat. Dat is belangrijk, zeker als er geen voorgeschiedenis is van een werk. Je kunt geen opname beluisteren om je er een mening over te vormen. Het is een hartverwarmend poëtisch werk, bij mijn weten heeft elke finalist het met plezier gespeeld. Dat is soms wel anders. (lacht)Julien-Laferrière: Dat wilde ik zeggen, ja. Ik hoor liever het woord 'traditie' dan 'school'. Er is altijd een levendige cellotraditie in Frankrijk geweest, al sinds de gebroeders Duport aan het eind van de zeventiende eeuw. Een 'school' doet me toch eerder denken aan een consistent geheel qua techniek, gestiek, precisie, smaak ... Ik denk dat de vier Franse finalisten op die vlakken toch substantieel verschillen. Julien-Laferrière: Heinrich Schiff was, boven op zijn enorme carrière als cellist en dirigent, sinds zijn 25e een echte pedagoog. Daarmee bedoel ik: hij gaf niet alleen hier en daar een masterclass, hij vormde leerlingen van meet af aan en legde er een volledig parcours mee af. Ook het vuile werk, technisch werken met de leerling, deed hij zelf. Een meester van zijn kaliber heeft daar normaal gezien assistenten voor. Hij was een totale leermeester en mentor, zoals je ze ook in de sport vindt. Clemens Hagen is heel anders, hij heeft een totaal andere balans in zijn muzikantenleven. Hij speelt in een strijkkwartet (het Hagen Quartett, een van de grootste kwartetten van onze tijd, nvdr.), en heeft in veel mindere mate een solistencarrière. Julien-Laferrière: Dat is fijn, dat hoor ik niet vaak. In tegenstelling tot Schiff heeft Hagen een gezin en een min of meer evenwichtige indeling van zijn leven. Hij is wat afstandelijk, maar ook totaal intuïtief. Ik denk niet dat hij met beginnende studenten evenveel tijd kan en wil doorbrengen als Schiff, maar voor mij was hij fantastisch. Twee jaar lang probeerde hij me bij wijze van spreken de vorming van Schiff te doen vergeten. Niet dat zoiets echt zou kunnen of wenselijk zou zijn, maar het was een interessante oefening om mijn vorming te deconstrueren. Julien-Laferrière: Dat was niet meer nodig. Ik speel zowel kamermuziek als solistisch, maar ik heb me in mijn werk als solist altijd laten beïnvloeden door wat ik in de kamermuziek heb geleerd. Kamermuziek is de meest natuurlijke manier om te musiceren, en het loont om in de meer geforceerde, gewapende confrontatie tussen solist en orkest iets van dat naturel mee te nemen. Ik heb enorm veel geluk gehad dat ik van op jonge leeftijd met mensen kon samenspelen die ik kon vertrouwen en die mij wilden vertrouwen. En met wie ik nog lang hoop te werken. Julien-Laferrière: Omdat ik geen jonkie van negentien ben en al wat ervaring heb, hoop ik dat ik voldoende terughoudendheid aan de dag kan leggen tegenover de vragen die nu op me af zullen komen. De uitdaging is om in de engagementen die je aangaat een zo ruim mogelijke artistieke marge te bedingen. Als dat lukt, zal ik blij zijn. En voor de rest: spelen, spelen, spelen. Het dagelijkse ritueel is heel belangrijk voor me. De cello vraagt voortdurend werk, vele uren per dag, en zal dat altijd doen.