Sinds maart 2019 kunnen werknemers hun firmawagen inruilen voor een mobiliteitsbudget, als de werkgever die oplossing ten minste aanbiedt. Met dat budget kunnen werknemers onder meer kiezen voor een zuinigere auto of voor milieuvriendelijke mobiliteitsoplossingen zoals de fiets of het openbaar vervoer. Wie binnen een straal van vijf kilometer van de werkplek woont kan bovendien huisvestingskosten zoals hypotheeklasten of huur inbrengen. Wat nog overblijft van het budget, wordt op het einde van het jaar uitbetaald, aan een socialezekerheidsbijdrage van iets meer dan 38 procent, volledig ten koste van de werknemer. Het mobiliteitsbudget kent echter weinig succes. Volgens cijfers van HR-dienstverlener die dateren van januari heeft het systeem in de eerste negen maanden slechts 0,011 procent van de werknemers die ervoor in aanmerking kwamen, kunnen bekoren. Om daar verandering in te brengen, gieten CD&V-Kamerleden Jef Van den Bergh en Steven Matheï een aantal aanpassingen in een wetsvoorstel. Concreet willen Van den Bergh en Matheï de lijst met duurzame vervoersmodi uitbreiden. Daar staan nu onder meer de fiets, de speed pedelec, de step of het openbaar vervoer op, maar de CD&V-Kamerleden willen bijvoorbeeld ook de parkeerkosten gekoppeld aan het openbaar vervoer toevoegen. Werknemers die eerst de auto nemen naar een bushalte of treinstation en de wagen daar achterlaten, kunnen die kosten dan ook dekken. Ook de voetgangerspremie staat in het wetsvoorstel in de lijst met duurzame modi. Daarnaast voorzien Van den Bergh en Matheï een aanpassing aan de afstand tussen woon- en werkplaats waarbinnen werknemers hun huisvestingskosten kunnen inbrengen. Nu is dat 5 kilometer, maar de CD&V-Kamerleden willen dat uitbreiden tot 10 kilometer. Gemiddeld bedraagt de afstand voor woon-werkverkeer 20 kilometer. In het voorstel wordt bovendien rekening gehouden met kapitaalaflossingen, en dus niet alleen meer met rente en huur. Tot slot maakt het wetsvoorstel komaf met de wachttermijnen om van mobiliteitsbudget gebruik te kunnen maken. Nu moeten werkgevers al minstens drie jaar ononderbroken bedrijfswagens aanbieden en moeten werknemers al minstens drie maanden een bedrijfswagen hebben of ervoor in aanmerking komen, en tijdens de drie jaar voor de aanvraag al minstens één jaar een bedrijfswagen gehad hebben. "Deze maatregelen moeten het mobiliteitsbudget een boost geven", aldus Van den Bergh. "Werknemers zullen doordachter omgaan met hun mobiliteit, met een duurzamere mobiliteit tot gevolg. Een win-winsituatie voor alle partijen." (Belga)

Sinds maart 2019 kunnen werknemers hun firmawagen inruilen voor een mobiliteitsbudget, als de werkgever die oplossing ten minste aanbiedt. Met dat budget kunnen werknemers onder meer kiezen voor een zuinigere auto of voor milieuvriendelijke mobiliteitsoplossingen zoals de fiets of het openbaar vervoer. Wie binnen een straal van vijf kilometer van de werkplek woont kan bovendien huisvestingskosten zoals hypotheeklasten of huur inbrengen. Wat nog overblijft van het budget, wordt op het einde van het jaar uitbetaald, aan een socialezekerheidsbijdrage van iets meer dan 38 procent, volledig ten koste van de werknemer. Het mobiliteitsbudget kent echter weinig succes. Volgens cijfers van HR-dienstverlener die dateren van januari heeft het systeem in de eerste negen maanden slechts 0,011 procent van de werknemers die ervoor in aanmerking kwamen, kunnen bekoren. Om daar verandering in te brengen, gieten CD&V-Kamerleden Jef Van den Bergh en Steven Matheï een aantal aanpassingen in een wetsvoorstel. Concreet willen Van den Bergh en Matheï de lijst met duurzame vervoersmodi uitbreiden. Daar staan nu onder meer de fiets, de speed pedelec, de step of het openbaar vervoer op, maar de CD&V-Kamerleden willen bijvoorbeeld ook de parkeerkosten gekoppeld aan het openbaar vervoer toevoegen. Werknemers die eerst de auto nemen naar een bushalte of treinstation en de wagen daar achterlaten, kunnen die kosten dan ook dekken. Ook de voetgangerspremie staat in het wetsvoorstel in de lijst met duurzame modi. Daarnaast voorzien Van den Bergh en Matheï een aanpassing aan de afstand tussen woon- en werkplaats waarbinnen werknemers hun huisvestingskosten kunnen inbrengen. Nu is dat 5 kilometer, maar de CD&V-Kamerleden willen dat uitbreiden tot 10 kilometer. Gemiddeld bedraagt de afstand voor woon-werkverkeer 20 kilometer. In het voorstel wordt bovendien rekening gehouden met kapitaalaflossingen, en dus niet alleen meer met rente en huur. Tot slot maakt het wetsvoorstel komaf met de wachttermijnen om van mobiliteitsbudget gebruik te kunnen maken. Nu moeten werkgevers al minstens drie jaar ononderbroken bedrijfswagens aanbieden en moeten werknemers al minstens drie maanden een bedrijfswagen hebben of ervoor in aanmerking komen, en tijdens de drie jaar voor de aanvraag al minstens één jaar een bedrijfswagen gehad hebben. "Deze maatregelen moeten het mobiliteitsbudget een boost geven", aldus Van den Bergh. "Werknemers zullen doordachter omgaan met hun mobiliteit, met een duurzamere mobiliteit tot gevolg. Een win-winsituatie voor alle partijen." (Belga)