De betrokken man was door de politie tegengehouden aan de slachthuizen in Anderlecht omdat hij daar rondliep zonder mondmasker. Hij werd door het Brusselse parket gedagvaard voor de politierechtbank maar die sprak hem op 12 januari vrij. De mondmaskerplicht was op dat moment ingevoerd door het ministerieel besluit van 30 juni 2020 dat zich, net als de andere ministeriële besluiten over de coronamaatregelen, op de wet van 15 mei 2007 op de Civiele Veiligheid baseerde om een aantal verplichtingen en beperkingen in te voeren. Maar dat ministerieel besluit ging volgens de politierechtbank te ver. Artikel 182 van die wet voorziet immers dat de minister in gevaarsituaties de bewegingsvrijheid kan beperken, maar voorziet volgens de rechter niet dat de minister die bewegingsvrijheid kan verbinden aan bepaalde voorwaarden, zoals het dragen van een mondmasker. Volgens professor Vrieling is het niet de eerste keer dat die wettelijke grondslag van het ministerieel besluit in vraag wordt gesteld. Naast enkele eerdere uitspraken in dezelfde zin is er ook al een open brief geweest van verschillende grondwetspecialisten die opriepen tot een wet. "Het fundamentele probleem is dat er nu verschillende interpretaties mogelijk zijn en dat er dus sprake is van rechtsonzekerheid", gaat de hoogleraar verder. "De wetgever zou er goed aan doen daar een einde aan te maken door een 'coronawet' op te stellen, iets wat eigenlijk al best van bij het begin van de pandemie had moeten gebeuren." (Belga)

De betrokken man was door de politie tegengehouden aan de slachthuizen in Anderlecht omdat hij daar rondliep zonder mondmasker. Hij werd door het Brusselse parket gedagvaard voor de politierechtbank maar die sprak hem op 12 januari vrij. De mondmaskerplicht was op dat moment ingevoerd door het ministerieel besluit van 30 juni 2020 dat zich, net als de andere ministeriële besluiten over de coronamaatregelen, op de wet van 15 mei 2007 op de Civiele Veiligheid baseerde om een aantal verplichtingen en beperkingen in te voeren. Maar dat ministerieel besluit ging volgens de politierechtbank te ver. Artikel 182 van die wet voorziet immers dat de minister in gevaarsituaties de bewegingsvrijheid kan beperken, maar voorziet volgens de rechter niet dat de minister die bewegingsvrijheid kan verbinden aan bepaalde voorwaarden, zoals het dragen van een mondmasker. Volgens professor Vrieling is het niet de eerste keer dat die wettelijke grondslag van het ministerieel besluit in vraag wordt gesteld. Naast enkele eerdere uitspraken in dezelfde zin is er ook al een open brief geweest van verschillende grondwetspecialisten die opriepen tot een wet. "Het fundamentele probleem is dat er nu verschillende interpretaties mogelijk zijn en dat er dus sprake is van rechtsonzekerheid", gaat de hoogleraar verder. "De wetgever zou er goed aan doen daar een einde aan te maken door een 'coronawet' op te stellen, iets wat eigenlijk al best van bij het begin van de pandemie had moeten gebeuren." (Belga)