Op 16 januari 2019 oordeelde de Franstalige handelsrechtbank van Brussel dat taxibedrijf Uber voldeed aan de Brusselse wetgeving rond betaald personenvervoer. In het vonnis stond dat Uber passagiers in contact brengt met professionele chauffeurs, maar dat het niet om een taxidienst ging. Op basis daarvan mocht Uber blijven opereren in de hoofdstad. De advocaten van FeBet analyseerden het vonnis en tekenden beroep aan. Normaal moest de zaak in januari al voor het hof van beroep in Brussel komen, maar werd toen uitgesteld naar september. Afgelopen weken waren er verschillende procesdagen. Vrijdag werden de laatste pleidooien gehouden. De advocaten van FeBet voerden aan dat Uber "een verdoken taxidienst" is, dat de app UberX werkt als een platform voor het verzenden van boodschappen en dat de chauffeurs met een LVC-vergunning (licentie voor verhuurwagens met chauffeur) die gebruikmaken van Uber "geen limousineservice verlenen zoals bepaald door de wetgever". De raadsmannen van Uber en de onafhankelijke chauffeurs met een LVC-licentie betwistten alle aantijgingen van de tegenpartij. Ze baseren zich met name op het mededingingsrecht en voerden aan dat hun klanten het wettelijke kader naleven. Een uitspraak volgt ten laatste op 18 december. (Belga)

Op 16 januari 2019 oordeelde de Franstalige handelsrechtbank van Brussel dat taxibedrijf Uber voldeed aan de Brusselse wetgeving rond betaald personenvervoer. In het vonnis stond dat Uber passagiers in contact brengt met professionele chauffeurs, maar dat het niet om een taxidienst ging. Op basis daarvan mocht Uber blijven opereren in de hoofdstad. De advocaten van FeBet analyseerden het vonnis en tekenden beroep aan. Normaal moest de zaak in januari al voor het hof van beroep in Brussel komen, maar werd toen uitgesteld naar september. Afgelopen weken waren er verschillende procesdagen. Vrijdag werden de laatste pleidooien gehouden. De advocaten van FeBet voerden aan dat Uber "een verdoken taxidienst" is, dat de app UberX werkt als een platform voor het verzenden van boodschappen en dat de chauffeurs met een LVC-vergunning (licentie voor verhuurwagens met chauffeur) die gebruikmaken van Uber "geen limousineservice verlenen zoals bepaald door de wetgever". De raadsmannen van Uber en de onafhankelijke chauffeurs met een LVC-licentie betwistten alle aantijgingen van de tegenpartij. Ze baseren zich met name op het mededingingsrecht en voerden aan dat hun klanten het wettelijke kader naleven. Een uitspraak volgt ten laatste op 18 december. (Belga)