Zaterdag is het zover: de horecazaken mogen eindelijk hun terrassen coronaveilig heropenen. Op het moment dat menig cafébaas die terrassen nog oppoetst, de brouwerijen de leidingen komen reinigen en de tapinstallatie wordt afgesteld, wordt in de Wetstraat nagedacht om te sleutelen aan een wetgevend kader waarbinnen uw cafébaas en zijn drankenhandelaar/brouwer huurcontracten kunnen sluiten. Vooruit-fractieleider Melissa Depraetere diende een wetsvoorstel in die de afnameverplichtingen binnen huurcontracten aan banden wil leggen. Katrien Houtmeyers, Kamerlid voor N-VA liet in opiniestuk al verstaan daar geen goed oog in te hebben.

Brouwerijcontracten: afnameverplichting tijdelijk herbekijken in het licht van corona?

De kwestie klinkt complex, maar dat is ze niet. Want met die afnameverplichtingen komen we als consument vaak in aanraking, zonder ons hiervan bewust te zijn. Ze bepalen namelijk vaak welke pils we in een café kunnen drinken. U herkent volgende uitspraken vast en zeker: "Het café naast de kerk is een Bockor-café, om de hoek ligt een Bavik-café, en ginds aan de overkant kunt ge Stella krijgen." Daarnaast bestaan er nog cafés die -zoals men in de volksmond zegt- vrij van brouwer zijn: cafés waar de uitbater de volledige keuzevrijheid heeft.

Het lijkt erop dat de standpunten in hun definitieve plooi vallen: Vooruit trekt inderdaad de kaart van de café-uitbaters, terwijl N-VA zich ook pro-drankenhandelaars en brouwerijen uitspreekt. Het debat dreigt op die manier gepolariseerd te geraken. Het lijkt wel David tegen Goliath: de kleine zelfstandigen tegen de grote brouwers. Dat is jammer, want de realiteit dreigt zo ontkend te worden terwijl er tegelijk afbreuk gedaan wordt aan het evenwicht binnen de sector.

Zo wordt er bijvoorbeeld gesproken over een machtspositie van de brouwerijen, uitgedrukt via subjectieve termen als 'wurgcontracten'. Maar is die machtspositie er wel? Wie contact opneemt met brouwerijen weet namelijk dat deze contracten ook voor hen een pure noodzaak zijn: het is een middel om hun merk overeind te houden.

Daarnaast is een café-uitbater een vrije ondernemer die vrij instemt om een huurovereenkomst te sluiten met de brouwer in kwestie, of nét niet: de vrijheid om contracten te sluiten komt namelijk samen met de vrijheid om géén contracten te sluiten. Daarnaast heeft de ondernemer de optie om een vrij café uit te baten. Tot slot zijn eventuele hogere afnameprijzen voor een uitbater-huurder te rechtvaardigen doordat een stuk van zijn ondernemersrisico verdwijnt aangezien hij geen pand dient aan te kopen.

Tegelijk mogen we niet zomaar concluderen dat er vandaag een perfect evenwicht is, zoals collega Houtmeyers (N-VA) dat doet. De markt kent vandaag inderdaad een evenwichtige manier om huurovereenkomsten te sluiten, al dan niet met afnameverplichtingen, echter schuiven nieuwe horecaondernemers vaak onvoldoende geïnformeerd aan de onderhandelingstafel. Dat laatste is dan ook meteen de essentie: het zijn niet de huurovereenkomsten die ter discussie moeten staan maar de dreiging van beperkte informatie. Beide partijen vergissen zich dus van debat.

Betere en vooral méér informatie is de oplossing: wie voldoende informatie bezit over de haalbaarheid van afnameverplichtingen en zich goed laat omringen bij het sluiten van de overeenkomst zal later niet voor onaangename verrassingen staan. Daarin dient de sector eerst en vooral zelfregulerend op te treden. Dat deed ze in 2015 al een eerste keer, toen ze een gedragscode opstelde die al heel wat problemen verhielp. Een evaluatie van die gedragscode zou driejaarlijks plaatsvinden, maar gebeurde tot op heden nog niet.

Het siert de collega's van de andere politieke partijen dat ze een lans breken voor de brouwers dan wel de café-uitbaters, maar de eerste stap dient dus genomen te worden door de markt zélf, zeker vooraleer wetgevend in te willen grijpen. De sectorfederaties van café-uitbaters, brouwerijen en ook van drankenhandelaars dienen dus eerst opnieuw rond de tafel te zitten. We proberen in het dagelijkse leven toch ook liever een conflict eerst onderling op te lossen dan direct naar de rechtbank te stappen? Dat overleg kan dan gelijk aangegrepen worden om de afnameverplichtingen eventueel tijdelijk anders te behandelen in het licht van corona.

De cohesie binnen de sector is van fundamenteel belang. Met elkaar spreken is goud, en dat bleek eerder reeds, want de partijen binnen de sector hadden in deze crisis al een goede verstandhouding: huur werd kwijtgescholden en oude vaten bier werden teruggenomen. Binnen Open Vld willen we de sector opnieuw zelfregulerend zien optreden en de verschillende partners een brug zien slaan naar elkaar, want: zonder brouwers geen cafés, en geen café zonder bier. Ik wens u allen komende zaterdag alvast het grootste plezier, en dat op een veilige manier.

Zaterdag is het zover: de horecazaken mogen eindelijk hun terrassen coronaveilig heropenen. Op het moment dat menig cafébaas die terrassen nog oppoetst, de brouwerijen de leidingen komen reinigen en de tapinstallatie wordt afgesteld, wordt in de Wetstraat nagedacht om te sleutelen aan een wetgevend kader waarbinnen uw cafébaas en zijn drankenhandelaar/brouwer huurcontracten kunnen sluiten. Vooruit-fractieleider Melissa Depraetere diende een wetsvoorstel in die de afnameverplichtingen binnen huurcontracten aan banden wil leggen. Katrien Houtmeyers, Kamerlid voor N-VA liet in opiniestuk al verstaan daar geen goed oog in te hebben.De kwestie klinkt complex, maar dat is ze niet. Want met die afnameverplichtingen komen we als consument vaak in aanraking, zonder ons hiervan bewust te zijn. Ze bepalen namelijk vaak welke pils we in een café kunnen drinken. U herkent volgende uitspraken vast en zeker: "Het café naast de kerk is een Bockor-café, om de hoek ligt een Bavik-café, en ginds aan de overkant kunt ge Stella krijgen." Daarnaast bestaan er nog cafés die -zoals men in de volksmond zegt- vrij van brouwer zijn: cafés waar de uitbater de volledige keuzevrijheid heeft.Het lijkt erop dat de standpunten in hun definitieve plooi vallen: Vooruit trekt inderdaad de kaart van de café-uitbaters, terwijl N-VA zich ook pro-drankenhandelaars en brouwerijen uitspreekt. Het debat dreigt op die manier gepolariseerd te geraken. Het lijkt wel David tegen Goliath: de kleine zelfstandigen tegen de grote brouwers. Dat is jammer, want de realiteit dreigt zo ontkend te worden terwijl er tegelijk afbreuk gedaan wordt aan het evenwicht binnen de sector.Zo wordt er bijvoorbeeld gesproken over een machtspositie van de brouwerijen, uitgedrukt via subjectieve termen als 'wurgcontracten'. Maar is die machtspositie er wel? Wie contact opneemt met brouwerijen weet namelijk dat deze contracten ook voor hen een pure noodzaak zijn: het is een middel om hun merk overeind te houden. Daarnaast is een café-uitbater een vrije ondernemer die vrij instemt om een huurovereenkomst te sluiten met de brouwer in kwestie, of nét niet: de vrijheid om contracten te sluiten komt namelijk samen met de vrijheid om géén contracten te sluiten. Daarnaast heeft de ondernemer de optie om een vrij café uit te baten. Tot slot zijn eventuele hogere afnameprijzen voor een uitbater-huurder te rechtvaardigen doordat een stuk van zijn ondernemersrisico verdwijnt aangezien hij geen pand dient aan te kopen.Tegelijk mogen we niet zomaar concluderen dat er vandaag een perfect evenwicht is, zoals collega Houtmeyers (N-VA) dat doet. De markt kent vandaag inderdaad een evenwichtige manier om huurovereenkomsten te sluiten, al dan niet met afnameverplichtingen, echter schuiven nieuwe horecaondernemers vaak onvoldoende geïnformeerd aan de onderhandelingstafel. Dat laatste is dan ook meteen de essentie: het zijn niet de huurovereenkomsten die ter discussie moeten staan maar de dreiging van beperkte informatie. Beide partijen vergissen zich dus van debat.Betere en vooral méér informatie is de oplossing: wie voldoende informatie bezit over de haalbaarheid van afnameverplichtingen en zich goed laat omringen bij het sluiten van de overeenkomst zal later niet voor onaangename verrassingen staan. Daarin dient de sector eerst en vooral zelfregulerend op te treden. Dat deed ze in 2015 al een eerste keer, toen ze een gedragscode opstelde die al heel wat problemen verhielp. Een evaluatie van die gedragscode zou driejaarlijks plaatsvinden, maar gebeurde tot op heden nog niet.Het siert de collega's van de andere politieke partijen dat ze een lans breken voor de brouwers dan wel de café-uitbaters, maar de eerste stap dient dus genomen te worden door de markt zélf, zeker vooraleer wetgevend in te willen grijpen. De sectorfederaties van café-uitbaters, brouwerijen en ook van drankenhandelaars dienen dus eerst opnieuw rond de tafel te zitten. We proberen in het dagelijkse leven toch ook liever een conflict eerst onderling op te lossen dan direct naar de rechtbank te stappen? Dat overleg kan dan gelijk aangegrepen worden om de afnameverplichtingen eventueel tijdelijk anders te behandelen in het licht van corona.De cohesie binnen de sector is van fundamenteel belang. Met elkaar spreken is goud, en dat bleek eerder reeds, want de partijen binnen de sector hadden in deze crisis al een goede verstandhouding: huur werd kwijtgescholden en oude vaten bier werden teruggenomen. Binnen Open Vld willen we de sector opnieuw zelfregulerend zien optreden en de verschillende partners een brug zien slaan naar elkaar, want: zonder brouwers geen cafés, en geen café zonder bier. Ik wens u allen komende zaterdag alvast het grootste plezier, en dat op een veilige manier.