Herinnert u zich Uplace nog, het grote koopcentrum dat onder het viaduct van Vilvoorde zou komen? Na een lange strijd weigerde de vorige Vlaamse regering het project goed te keuren. Maar de ontwikkelaar bleef zitten met de waardevolle gronden en pakt nu uit met een alternatief: Broeklin. Dat project kreeg intussen een omgevingsvergunning. Het vernietigingsverzoek van de stad Vilvoorde werd door de Raad voor Vergunningsbetwistingen afgewezen. Broeklin is een beloftevol idee, zo beloftevol dat het zonde is om het onder het viaduct van Vilvoorde te stoppen.
...

Herinnert u zich Uplace nog, het grote koopcentrum dat onder het viaduct van Vilvoorde zou komen? Na een lange strijd weigerde de vorige Vlaamse regering het project goed te keuren. Maar de ontwikkelaar bleef zitten met de waardevolle gronden en pakt nu uit met een alternatief: Broeklin. Dat project kreeg intussen een omgevingsvergunning. Het vernietigingsverzoek van de stad Vilvoorde werd door de Raad voor Vergunningsbetwistingen afgewezen. Broeklin is een beloftevol idee, zo beloftevol dat het zonde is om het onder het viaduct van Vilvoorde te stoppen. Terwijl Uplace een ordinair koopcentrum was, moet Broeklin een circulair belevingscentrum worden. Er komen maakwinkels, plekken voor vorming, ateliers, ruimtes voor cultuur, een beetje groen en zelfs een kleine stadsboerderij. Duurzaamheid staat voorop. Het concept is werkelijk een baken dat verzet wordt in de aanpak van Vlaamse projectontwikkelaars. Velen beperken zich nog steeds tot hoogbouw: grote winkelketens op de benedenverdieping, dure appartementen erboven. Het belang van 'maken' voor onze steden kan niet overschat worden. De voorbije tien jaar zijn Brussel en de meeste Vlaamse steden een stuk aantrekkelijker geworden. Hun centra zijn netter, verkeersluwer en groener dan voorheen. Straten, pleinen en trottoirs zijn heraangelegd, parken verfraaid. Dat is evenwel maar een eerste stap in de ontwikkeling van aangename, dynamische steden. Veel moeilijker is het om die infrastructuur nieuw leven in te blazen, het immateriële aspect van stadsontwikkeling: de ondernemersgeest, identiteit, betrokkenheid. Wat dat betreft, is er nog een lange weg af te leggen. Veel steden kampen nog steeds met leegloop. Economische activiteit vertrekt uit de stadskernen. Hier en daar opent een dappere zuurdesembakker een nieuwe zaak, maar activiteiten die mee de identiteit en creativiteit van een stad stuwen, de vakmannen, de nijverheid, blijven een randverschijnsel. Ze zijn nochtans onmisbaar voor de belevingswaarde van een stad. Ga zelf na: welke etalage zal u eerder lokken? Die van een chocoladewinkel, of die van een chocoladeatelier waar u de vakman aan het werk ziet; die van een koffiewinkel, of die van een branderij waarvan de aroma's u toewaaien? Behalve de belevingswaarde en de identiteit zijn ook netwerken van makers belangrijk voor de economische gezondheid van een stad. De recente vooruitgang van de steden werd grotendeels gefinancierd met belastinggeld: banen werden gecreëerd met belastinggeld, gebouwen werden opgeleverd met belastinggeld. Gezien de omvang van de overheidsschuld wordt dat moeilijk vol te houden. De spaarreserves van rijke babyboomers, de belangrijkste afnemers van dure appartementen, zijn niet onuitputtelijk. Steden zullen moeten nadenken hoe ze hun economische activiteiten kunnen diversifiëren. De oude industrie en winkels staan onder druk, de publieke middelen zullen beperkter zijn. Steden doen er goed aan om hun lokale economie te herdenken. En dat gaat verder dan het ter beschikking stellen van goedkope gronden aan de stadsrand. Vaak strijken daar bedrijven neer die veel ruimte opeisen, maar weinig toegevoegde waarde scheppen of mensen aan het werk helpen, laat staan de stad aantrekkelijker maken. Steden moeten hun schaarse ruimte in de rand voorbehouden aan bedrijven met grote toegevoegde waarde, en ruimte in het centrum voorbehouden aan hoogwaardige kleinschalige nijverheid. Bovenal moeten ze mee een band creëren tussen burgers en de nieuwe nijverheid. Het is die nabijheid die cruciaal is om hen te wijzen op het belang van duurzaamheid, circulariteit en creativiteit in de economie. In vergelijking met onze buurlanden lopen we in België flink achter. In Sint-Truiden, bijvoorbeeld, schoot het stadsbestuur recent zo'n project nog af, en daarmee ook het engagement van talrijke burgers. Hoewel van Kopenhagen tot Rotterdam de omslag al lang is ingezet en de Europese Unie veel geld beschikbaar stelt, rijpen de geesten traag onder de Belgische kerktorens. In dat opzicht is het hoopvol dat een private ontwikkelaar de stap zet. Toch zou het beter zijn dat in plaats van één Broeklin ergens ver in de stadsrand, vele tientallen Broeklins zouden opduiken in de stadscentra. Voor projectontwikkelaars én overheden vereist dat een omslag van megawerven naar netwerken. Eigenlijk zou de Vlaamse overheid de gronden in Machelen voor een schappelijke prijs moeten overnemen, ze vrijhouden voor projecten die echt schaal behoeven en ontwikkelaars als Broeklin met de middelen mee laten bouwen aan duurzame makersnetwerken in onze steden.