Het Britse Hooggerechtshof, de hoogste rechtbank in het Verenigd Koninkrijk, buigt zich deze week over de opschorting van het parlement. Premier Boris Johnson besliste daar enkele weken geleden toe, naar eigen zeggen om zijn regering de kans te geven zich voor te bereiden op de regeerverklaring aan de start van het parlementaire jaar. Critici zien er echter vooral een poging in om het parlement vleugellam te maken vlak voor de geplande brexitdatum van 31 oktober. Die critici - een tachtigtal parlementsleden, onder leiding van Joanne Cherry van de Scottish National Party (SNP) - dienden daarop een klacht in tegen de beslissing van Johnson. De rechtbank in Edinburgh verklaarde de demarche van Johnson vorige week onwettig. Volgens de rechters daar was Johnson duidelijk oneerlijk over zijn motieven en heeft hij op die manier ook Queen Elizabeth misleid, die haar toestemming voor de demarche moest geven. De regering ging daar tegen in beroep bij het Hooggerechtshof. Samen met die beroepszaak wordt deze week ook de klacht van zakenvrouw Gina Miller, gesteund door de Conservatieve ex-premier John Major, behandeld voor de hoogste rechtbank. In die zaak oordeelde een Londense rechtbank dat ze niet bevoegd is, waarna ook Miller beroep indiende. De zaak is nu in handen van de elf rechters van het Hooggerechtshof. De pleidooien gingen gisteren van start. Vandaag kwam onder meer de advocaat van de regering, sir James Eadie, aan het woord. Volgens hem is het Hooggerechtshof duidelijk niet bevoegd voor de zaak. Die beslissing werd "op het hoogste politieke niveau genomen" en gaat dus te boven aan het gerecht, zei hij. Bovendien hadden de parlementsleden een mogelijkheid om zich met politieke middelen te verdedigen, maar grepen ze die kans niet, ging hij verder. Zo hadden ze bijvoorbeeld een motie van wantrouwen indienen tegen de regering. De elf rechters van het Hooggerechtshof moeten beslissen of ze die redenering volgen, of meegaan in de redenering van de rechtbank in Edinburgh. De beslissing valt wellicht vrijdag. (Belga)