Op 20 maart 2021 is het exact vijftien jaar geleden dat de Boeddhistische Unie van België (BUB) een aanvraag tot erkenning als niet-confessionele levensbeschouwing indiende. In oktober 2020 kondigde de Federale regering aan dat ze het Boeddhisme als achtste levensbeschouwing zal erkennen. Naast het grondwettelijk vastgelegde recht op bezoldiging van 'bedienaars van de eredienst' (art. 181) hebben de boeddhisten in België hiermee ook recht op bezoldigde morele consulenten in onder meer gevangenissen, ziekenhuizen en het leger. Daarnaast bepaalt grondwetsartikel 24 dat er, eens het boeddhisme erkend is, ook boeddhistisch onderwijs op het levensbeschouwelijke keuzemenu zal staan in de officiële scholen.

Erkenning van het boeddhisme: een zege(n)?

De huidige voorzitter van de BUB, Carlo Luyckx, gaf alvast aan "verheugd" te zijn met de nakende erkenning. Zo wijst hij op het belang om "op gelijke voet te worden gesteld met de andere levensbeschouwingen en religies, vooral om vrije toegang te hebben tot de gevangenissen, de ziekenhuizen enzovoorts." Bovendien wordt met de erkenning van het boeddhisme eindelijk een maatschappelijke realiteit erkend: met zo'n 150.00 beoefenaars is het boeddhisme niet langer een randfenomeen, maar heeft het een volwaardige plaats in de Belgische samenleving verworven.

Brengt de erkenning van het boeddhisme verlichting?

Voorts wijst Luyckx op het belang van het boeddhisme in het onderwijs. Gezien de grote interesse in het boeddhisme, maar ook in meditatietechnieken, yoga en mindfulness, is de kans immers reëel dat heel wat jongeren voor boeddhistisch onderwijs zullen kiezen. Maar ook in gevangenissen zou het boeddhisme wel eens een zinvolle bijdrage kunnen leveren: "We zijn vooral blij dat we eindelijk in de gevangenissen kunnen. We denken dat gedetineerden die kennismaakten met het boeddhisme betere mensen worden als ze buitenkomen", aldus Luycx.

... of een vloek?

Niet iedereen is echter even gelukkig met de erkenning van het boeddhisme. Vooral voormalig voorzitter van de BUB, Edel Maex, liet zich kritisch uit over deze erkenning, die volgens hem misschien wel "het ergste is wat [het boeddhisme] zou kunnen overkomen."

Zo zal de erkenning van het boeddhisme in de praktijk niet noodzakelijk tot gelijkheid leiden. Het boeddhisme wordt immers gekenmerkt door een interne diversiteit en dynamiek, die moeilijk of niet te vatten is in één alomvattende en overkoepelende structuur. Maar zo een structuur is wel één van de voorwaarden voor erkenning. Bijgevolg zijn er verschillende boeddhistische verenigingen zijn die niet onder de koepel van de BUB (willen) vallen en dus geen recht zullen hebben op overheidsfinanciering. De gelijkberechtiging die er op het eerste zicht lijkt aan te komen, verdient dus de nodige nuance.

Daarnaast wijst Maex er op dat het financieren van levensbeschouwingen kan leiden tot luiheid en burgerlijke inschikkelijkheid. Wanneer levensbeschouwingen automatisch gefinancierd worden, hoeven ze zich immers minder in te spannen om hun leer te verkondigen, wat zich dan weer vertaalt in een gebrek aan engagement en authenticiteit. Vanuit die optiek zou het wel eens 'rendabeler' kunnen zijn om levensbeschouwingen niet van overheidswege te financieren, maar om dat over te laten aan individuele burgers. Volgens Maex staat het boeddhisme alvast sterk genoeg in haar schoenen om haar eigen boontjes te doppen: "De huidige bloei van het boeddhisme in het Westen bewijst dat het ook anders kan en dat mensen met veel goodwill en idealisme in staat zijn zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen levensbeschouwing en de beoefening daarvan. Een eventuele erkenning van het boeddhisme binnen het huidige systeem dreigt ook dat in de kiem te smoren."

Tot slot wijst Maex op het feit dat het erkennings- en financieringssysteem van levensbeschouwingen in België gedateerd en ondemocratisch is. Is het wel fair om er als overheid van uit te gaan dat erkende religies en levensbeschouwingen voor iedereen van belang zijn en daarom met belastinggeld gesubsidieerd moeten worden? Zou het niet rechtvaardiger zijn om de subsidiëring van levensbeschouwingen en de organisatie van levensbeschouwelijke vakken niet a priori in de Grondwet vast te leggen, maar om burgers hierin op een democratische manier inspraak te geven?

Waarom overheidssubsidies?

Dat brengt ons bij de kern van de zaak, met name de vraag of het nog wel wenselijk is om als overheid levensbeschouwingen te financieren. Historisch gezien gaat het Belgische systeem terug op het Concordaat van 1801, waarin, bij wijze van compensatie voor de geconfisqueerde goederen tijdens en kort na de Franse Revolutie, werd vastgelegd dat de overheid de clerus bezoldigt. Wanneer de Belgische Grondwet in 1831 werd goedgekeurd werd dit financieringssysteem grondwettelijk verankerd. Naast dit compensatieargument kan worden gewezen op het maatschappelijk belang van religies en op de godsdienstvrijheid, die mits financiering van levensbeschouwingen niet enkel op papier, maar ook in de praktijk gegarandeerd kan worden. Tot slot zou het Belgische erkennings- en financieringsbeleid ook een pragmatisch voordeel bieden: "Zodra je erediensten subsidieert, kan je meer controle uitoefenen", aldus van Els van Hoof (CD&V), die het wetsvoorstel voor de erkenning van het boeddhisme indiende.

Tot op de dag van vandaag worden deze argumenten aangehaald om het Belgische financieringsbeleid te legitimeren, maar er kunnen heel wat vraagtekens bij worden geplaatst. Zo zijn er bijvoorbeeld geloofsgemeenschappen die (nog) niet erkend zijn of niet erkend willen worden en die dus wat controle betreft makkelijk door de mazen van het net glippen. En zelfs als een geloofsgemeenschap erkend is overheidscontrole, omwille van de scheiding tussen kerk en staat, niet evident.

Daarnaast kunnen we vraagtekens plaatsen bij de maatschappelijke functie van religie. Een grootschalig onderzoek uit 2017 bracht alvast aan het licht dat 68% van de Belgen vindt dat religie meer kwaad dan goed doet, terwijl slechts 18% overtuigd is dat religie zorgt voor 'betere burgers'. Een ander onderzoek toonde dan weer aan dat slechts 13% van de Belgische bevolking vindt dat het huidige financieringssysteem van levensbeschouwingen behouden moet blijven. Waar er in 1831 nog consensus was over het 'maatschappelijk nut' van religie en over de financiering ervan, blijkt dat anno 2021 niet langer het geval te zijn.

Ook het argument van de godsdienstvrijheid gaat niet vrijuit. Deze vrijheid (die zowel slaat op het hebben van een geloofsovertuiging als op het praktiseren ervan) kan, zoals blijkt uit het hierboven aangehaalde citaat van Edel Maex, ook zonder directe overheidssteun gegarandeerd worden.

Tot slot is er de vraag of de genoemde compensatieregel vandaag nog wel zin heeft. Moet de Belgische overheid, meer dan tweehonderd jaar na het Franse antiklerikale bewind, nog opdraaien voor wat er in het verleden gebeurd is?

Kerk en Staat in Nederland: een voorbeeld voor België?

Dat het van overheidswege financieren van religies, zonder enige inspraak van burgers, niet wenselijk en niet nodig is, heeft men in Nederland al langer door. Ook daar werden religies lange tijd gesubsidieerd en ook daar was het systeem schatplichtig aan het concordaat uit 1801. In 1983 maakte de Rijksoverheid echter een einde aan het systeem: ze betaalde een eenmalige afkoopsom aan de betreffende kerkgenootschappen, waardoor de zogenaamde 'compensatie' niet langer nodig was.

Het einde van dit systeem betekende echter niet dat er in Nederland na 1983 geen enkele vorm van subsidiëring voor religies mogelijk zou zijn. Zo is er bijvoorbeeld ruimte voor gesubsidieerd levensbeschouwelijk onderwijs op de openbare school, waar op dit moment 7 soorten 'vormingsonderwijs' worden aangeboden: protestants, katholiek, joods, islamitisch, humanistisch, hindoeïstisch en, sinds september 2018, ook boeddhistisch. Daar waar er in België vanuit wordt gegaan dat het volgen van dit soort onderwijs de norm is en vrijstelling de uitzondering, redeneert men in Nederland echter omgekeerd: geen vormingsonderwijs is de norm, maar wie dat wenst, kan dit onderwijs op aanvraag volgen. Daarnaast besteedt de Nederlandse overheid ook aandacht aan de aanwezigheid van diverse levensbeschouwingen, waaronder het boeddhisme, in het gevangeniswezen. Zo zijn er sinds 2011 zes parttime, door de overheid bezoldigde boeddhistische geestelijke verzorgers aangesteld in de justitiële inrichtingen in Nederland.

Zowel de aanstelling van boeddhistische geestelijke verzorgers, als de inrichting van boeddhistisch vormingsonderwijs, zijn voorbeelden van democratische besluitvorming waarbij er niet top down, maar bottom up wordt gewerkt. De aanstelling van de verzorgers kwam er immers niet omdat het boeddhisme in Nederland erkend is en daarom een grondwettelijk recht had op geestelijke verzorgers, maar omdat er vanuit civil society (met name vanuit het gevangeniswezen zelf), vraag was naar boeddhistische begeleiding. Een gelijkaardig scenario zien we op de openbare scholen. Daar wordt vormingsonderwijs niet georganiseerd omdat scholen hier grondwettelijk toe verplicht zijn, maar wordt het ingericht wanneer er vanuit ouders en leerlingen vraag naar is.

Wat mij betreft kunnen we in België heel wat leren van dit Nederlandse model. Het toont aan dat de vrijheid van godsdienst ook zonder grondwettelijk vastgelegde steun voor levensbeschouwingen gevrijwaard kan blijven. Bovendien laat het Nederlandse model zien dat het mogelijk is om als overheid bepaalde vormen van levensbeschouwelijke 'dienstverlening' te subsidiëren, waarbij rekening wordt gehouden met wat er in civil society speelt, en niet met wat er al 190 jaar in de Grondwet staat. Vanuit dat perspectief zou Edel Maex wel eens groot gelijk kunnen hebben:

Is het niet hoog tijd om ook de wetgeving over de levensbeschouwingen vanuit het Napoleontische tijdperk het democratische tijdperk binnen te loodsen? Zo kan de verantwoordelijkheid komen te liggen waar ze thuishoort: bij de burger. Het feit dat het boeddhisme in België ook zonder erkenning tot bloei is kunnen komen toont aan dat dit moet kunnen.

Leni Franken, Universiteit Antwerpen

Op 20 maart 2021 is het exact vijftien jaar geleden dat de Boeddhistische Unie van België (BUB) een aanvraag tot erkenning als niet-confessionele levensbeschouwing indiende. In oktober 2020 kondigde de Federale regering aan dat ze het Boeddhisme als achtste levensbeschouwing zal erkennen. Naast het grondwettelijk vastgelegde recht op bezoldiging van 'bedienaars van de eredienst' (art. 181) hebben de boeddhisten in België hiermee ook recht op bezoldigde morele consulenten in onder meer gevangenissen, ziekenhuizen en het leger. Daarnaast bepaalt grondwetsartikel 24 dat er, eens het boeddhisme erkend is, ook boeddhistisch onderwijs op het levensbeschouwelijke keuzemenu zal staan in de officiële scholen. De huidige voorzitter van de BUB, Carlo Luyckx, gaf alvast aan "verheugd" te zijn met de nakende erkenning. Zo wijst hij op het belang om "op gelijke voet te worden gesteld met de andere levensbeschouwingen en religies, vooral om vrije toegang te hebben tot de gevangenissen, de ziekenhuizen enzovoorts." Bovendien wordt met de erkenning van het boeddhisme eindelijk een maatschappelijke realiteit erkend: met zo'n 150.00 beoefenaars is het boeddhisme niet langer een randfenomeen, maar heeft het een volwaardige plaats in de Belgische samenleving verworven.Voorts wijst Luyckx op het belang van het boeddhisme in het onderwijs. Gezien de grote interesse in het boeddhisme, maar ook in meditatietechnieken, yoga en mindfulness, is de kans immers reëel dat heel wat jongeren voor boeddhistisch onderwijs zullen kiezen. Maar ook in gevangenissen zou het boeddhisme wel eens een zinvolle bijdrage kunnen leveren: "We zijn vooral blij dat we eindelijk in de gevangenissen kunnen. We denken dat gedetineerden die kennismaakten met het boeddhisme betere mensen worden als ze buitenkomen", aldus Luycx. Niet iedereen is echter even gelukkig met de erkenning van het boeddhisme. Vooral voormalig voorzitter van de BUB, Edel Maex, liet zich kritisch uit over deze erkenning, die volgens hem misschien wel "het ergste is wat [het boeddhisme] zou kunnen overkomen." Zo zal de erkenning van het boeddhisme in de praktijk niet noodzakelijk tot gelijkheid leiden. Het boeddhisme wordt immers gekenmerkt door een interne diversiteit en dynamiek, die moeilijk of niet te vatten is in één alomvattende en overkoepelende structuur. Maar zo een structuur is wel één van de voorwaarden voor erkenning. Bijgevolg zijn er verschillende boeddhistische verenigingen zijn die niet onder de koepel van de BUB (willen) vallen en dus geen recht zullen hebben op overheidsfinanciering. De gelijkberechtiging die er op het eerste zicht lijkt aan te komen, verdient dus de nodige nuance. Daarnaast wijst Maex er op dat het financieren van levensbeschouwingen kan leiden tot luiheid en burgerlijke inschikkelijkheid. Wanneer levensbeschouwingen automatisch gefinancierd worden, hoeven ze zich immers minder in te spannen om hun leer te verkondigen, wat zich dan weer vertaalt in een gebrek aan engagement en authenticiteit. Vanuit die optiek zou het wel eens 'rendabeler' kunnen zijn om levensbeschouwingen niet van overheidswege te financieren, maar om dat over te laten aan individuele burgers. Volgens Maex staat het boeddhisme alvast sterk genoeg in haar schoenen om haar eigen boontjes te doppen: "De huidige bloei van het boeddhisme in het Westen bewijst dat het ook anders kan en dat mensen met veel goodwill en idealisme in staat zijn zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen levensbeschouwing en de beoefening daarvan. Een eventuele erkenning van het boeddhisme binnen het huidige systeem dreigt ook dat in de kiem te smoren." Tot slot wijst Maex op het feit dat het erkennings- en financieringssysteem van levensbeschouwingen in België gedateerd en ondemocratisch is. Is het wel fair om er als overheid van uit te gaan dat erkende religies en levensbeschouwingen voor iedereen van belang zijn en daarom met belastinggeld gesubsidieerd moeten worden? Zou het niet rechtvaardiger zijn om de subsidiëring van levensbeschouwingen en de organisatie van levensbeschouwelijke vakken niet a priori in de Grondwet vast te leggen, maar om burgers hierin op een democratische manier inspraak te geven? Dat brengt ons bij de kern van de zaak, met name de vraag of het nog wel wenselijk is om als overheid levensbeschouwingen te financieren. Historisch gezien gaat het Belgische systeem terug op het Concordaat van 1801, waarin, bij wijze van compensatie voor de geconfisqueerde goederen tijdens en kort na de Franse Revolutie, werd vastgelegd dat de overheid de clerus bezoldigt. Wanneer de Belgische Grondwet in 1831 werd goedgekeurd werd dit financieringssysteem grondwettelijk verankerd. Naast dit compensatieargument kan worden gewezen op het maatschappelijk belang van religies en op de godsdienstvrijheid, die mits financiering van levensbeschouwingen niet enkel op papier, maar ook in de praktijk gegarandeerd kan worden. Tot slot zou het Belgische erkennings- en financieringsbeleid ook een pragmatisch voordeel bieden: "Zodra je erediensten subsidieert, kan je meer controle uitoefenen", aldus van Els van Hoof (CD&V), die het wetsvoorstel voor de erkenning van het boeddhisme indiende.Tot op de dag van vandaag worden deze argumenten aangehaald om het Belgische financieringsbeleid te legitimeren, maar er kunnen heel wat vraagtekens bij worden geplaatst. Zo zijn er bijvoorbeeld geloofsgemeenschappen die (nog) niet erkend zijn of niet erkend willen worden en die dus wat controle betreft makkelijk door de mazen van het net glippen. En zelfs als een geloofsgemeenschap erkend is overheidscontrole, omwille van de scheiding tussen kerk en staat, niet evident. Daarnaast kunnen we vraagtekens plaatsen bij de maatschappelijke functie van religie. Een grootschalig onderzoek uit 2017 bracht alvast aan het licht dat 68% van de Belgen vindt dat religie meer kwaad dan goed doet, terwijl slechts 18% overtuigd is dat religie zorgt voor 'betere burgers'. Een ander onderzoek toonde dan weer aan dat slechts 13% van de Belgische bevolking vindt dat het huidige financieringssysteem van levensbeschouwingen behouden moet blijven. Waar er in 1831 nog consensus was over het 'maatschappelijk nut' van religie en over de financiering ervan, blijkt dat anno 2021 niet langer het geval te zijn. Ook het argument van de godsdienstvrijheid gaat niet vrijuit. Deze vrijheid (die zowel slaat op het hebben van een geloofsovertuiging als op het praktiseren ervan) kan, zoals blijkt uit het hierboven aangehaalde citaat van Edel Maex, ook zonder directe overheidssteun gegarandeerd worden. Tot slot is er de vraag of de genoemde compensatieregel vandaag nog wel zin heeft. Moet de Belgische overheid, meer dan tweehonderd jaar na het Franse antiklerikale bewind, nog opdraaien voor wat er in het verleden gebeurd is? Dat het van overheidswege financieren van religies, zonder enige inspraak van burgers, niet wenselijk en niet nodig is, heeft men in Nederland al langer door. Ook daar werden religies lange tijd gesubsidieerd en ook daar was het systeem schatplichtig aan het concordaat uit 1801. In 1983 maakte de Rijksoverheid echter een einde aan het systeem: ze betaalde een eenmalige afkoopsom aan de betreffende kerkgenootschappen, waardoor de zogenaamde 'compensatie' niet langer nodig was.Het einde van dit systeem betekende echter niet dat er in Nederland na 1983 geen enkele vorm van subsidiëring voor religies mogelijk zou zijn. Zo is er bijvoorbeeld ruimte voor gesubsidieerd levensbeschouwelijk onderwijs op de openbare school, waar op dit moment 7 soorten 'vormingsonderwijs' worden aangeboden: protestants, katholiek, joods, islamitisch, humanistisch, hindoeïstisch en, sinds september 2018, ook boeddhistisch. Daar waar er in België vanuit wordt gegaan dat het volgen van dit soort onderwijs de norm is en vrijstelling de uitzondering, redeneert men in Nederland echter omgekeerd: geen vormingsonderwijs is de norm, maar wie dat wenst, kan dit onderwijs op aanvraag volgen. Daarnaast besteedt de Nederlandse overheid ook aandacht aan de aanwezigheid van diverse levensbeschouwingen, waaronder het boeddhisme, in het gevangeniswezen. Zo zijn er sinds 2011 zes parttime, door de overheid bezoldigde boeddhistische geestelijke verzorgers aangesteld in de justitiële inrichtingen in Nederland. Zowel de aanstelling van boeddhistische geestelijke verzorgers, als de inrichting van boeddhistisch vormingsonderwijs, zijn voorbeelden van democratische besluitvorming waarbij er niet top down, maar bottom up wordt gewerkt. De aanstelling van de verzorgers kwam er immers niet omdat het boeddhisme in Nederland erkend is en daarom een grondwettelijk recht had op geestelijke verzorgers, maar omdat er vanuit civil society (met name vanuit het gevangeniswezen zelf), vraag was naar boeddhistische begeleiding. Een gelijkaardig scenario zien we op de openbare scholen. Daar wordt vormingsonderwijs niet georganiseerd omdat scholen hier grondwettelijk toe verplicht zijn, maar wordt het ingericht wanneer er vanuit ouders en leerlingen vraag naar is. Wat mij betreft kunnen we in België heel wat leren van dit Nederlandse model. Het toont aan dat de vrijheid van godsdienst ook zonder grondwettelijk vastgelegde steun voor levensbeschouwingen gevrijwaard kan blijven. Bovendien laat het Nederlandse model zien dat het mogelijk is om als overheid bepaalde vormen van levensbeschouwelijke 'dienstverlening' te subsidiëren, waarbij rekening wordt gehouden met wat er in civil society speelt, en niet met wat er al 190 jaar in de Grondwet staat. Vanuit dat perspectief zou Edel Maex wel eens groot gelijk kunnen hebben: Is het niet hoog tijd om ook de wetgeving over de levensbeschouwingen vanuit het Napoleontische tijdperk het democratische tijdperk binnen te loodsen? Zo kan de verantwoordelijkheid komen te liggen waar ze thuishoort: bij de burger. Het feit dat het boeddhisme in België ook zonder erkenning tot bloei is kunnen komen toont aan dat dit moet kunnen.Leni Franken, Universiteit Antwerpen