Het virus zal terugkomen, dat is alvast hetgeen Professor Peter Piot, aangesteld als bijzonder adviseur van de Europese Commissievoorzitter Ursula von der Leyen, ons wist te vertellen. Hoe we ons hiertegen kunnen wapenen is al langer duidelijk; mondmaskers, verluchten, ontsmetten en fysieke afstand bewaren. Als de afgelopen weken een leerschool kan zijn, wordt in deze context afstand bewaren een hele uitdaging.

Door de versoepelingen, wordt er volop ingezet op het opsporen van besmette personen. En daar knelt nu juist het schoentje. Blijkbaar zijn Vlamingen niet zo bereidwillig om hun contacten te delen. Het charme-offensief van de virologen om de Vlaming nog maar eens te overtuigen van het belang van een corona-maatregel zet blijkbaar geen zoden aan de dijk. Ook Vlaams minister van Welzijn, Gezin Volksgezondheid en Armoedebestrijding Wouter Beke liet weten dat er in de praktijk nogal wat mensen geen contacten doorgeven of zelf bereikt worden. Vlaams-minister president Jan Jambon stelt alvast dat de "ingebakken argwaan van de Vlaming tegenover de overheid" nergens voor nodig is, en zal daarom binnenkort een infocampagne lanceren.

Bezorgdheid over contact tracing? Het recht op privacy is niet te geef.

We zouden het bijna vergeten, maar naast het manueel contacten opsporen werd ook het idee van een contact-tracing applicatie geopperd, de zogenaamde 'corona app'. Ook hiervoor is er blijkbaar maar weinig vertrouwen in de overheid. Ons onderzoek toont aan dat er minder vertrouwen is om gegevens te delen met de overheid, dan met een ziekenhuis. Ook is het opvallend dat er een grote bezorgdheid is over wat er met persoonlijke gegevens, verzameld door zo'n app, zou gebeuren na de coronacrisis.

De rol van de overheid bij de ontwikkeling en implementatie van een corona app kan gelukkig beperkt blijven. De "decentralized privacy-preserving proximity tracing of DP-3T" maakt gebruik van bluetooth, en dus geen GPS, om contacten te meten. Je exacte locatie hoeft dus niet geweten te zijn. Er wordt uitgegaan van een vrijwillig gebruik, alsook dat de informatie gedecentraliseerd wordt opgeslagen. Met andere woorden, een derde partij zoals een overheid is overbodig.

Toch zijn er heel wat zaken die de adoptie van een corona-app, zowel met een decentrale of centrale werking, bemoeilijkheden. In het bijzonder hoe privacy wordt gekaderd in dit hele gebeuren. Een expliciete uiteenzetting van wat privacy juist inhoudt, ontbreekt veelal in publieke debatten die eerder pro of contra zijn. Terwijl dat publieke debat belangrijk is willen we op een verantwoorde manier technologie aanwenden om een maatschappelijke probleem aan te pakken.

Naast verwijzingen naar de algemene richtlijnen van de EU en hoe applicaties volledig aan de GDPR-regels moeten voldoen kunnen we twee dominante interpretaties onderscheiden.

Vooreerst wordt privacy gezien als het recht om met rust gelaten te worden. Mensen worden niet graag in de gaten gehouden. Niet door de overheid, en niet door een (gedecentraliseerde) app waarvan men de werking nog niet vat. We moeten opletten dat "vertrouwen alleen nog maar gestalte krijgt vanuit de dwingende imperatief dat je niets mag achterhouden", zoals Ignaas Devisch terecht opmerkte. Een (te) strikte interpretatie van het recht om met rust gelaten te worden zorgt er evenwel voor dat elke vorm van innovatie waarvoor persoonlijke informatie nodig is vereenzelvigd wordt met een teloorgang van de privacy.

Voortbouwend op technologische innovatie wordt privacy ook als een ruilmiddel omschreven met een nadruk op individuele controle. Zo zouden Vlaamse burgers zelf kunnen beslissen welke informatie wordt geruild in plaats voor veiligheid en gezondheid. Een doorgedreven interpretatie van deze definitie legt weliswaar heel wat verantwoordelijkheid bij het individu, voor iets wat een maatschappelijke verworven recht zou moeten zijn. Opvallend is dat bij deze definiëring weinig rekening wordt gehouden met de verschillen tussen individuen. Zo heeft niet iedereen toegang tot een smartphone (met bluetooth) of de nodige vaardigheden om de applicatie te installeren en gebruiken, en heeft dus niet iedereen iets om te ruilen.

Het moge duidelijk zijn dat beide kampen hun beperkingen hebben. Indien er een grote infocampagne wordt gelanceerd over contactonderzoek (manueel en/of via een applicatie) lijkt het ons alvast opportuun om discussies te vermijden die het opgeven van informatie (ook al gaat het maar over bluetooth signalen) vereenzelvigen met het opgeven van privacy. Dit hoeft niet zo te zijn. Evenzeer lijkt het verantwoord om privacy niet te reduceren tot een munteenheid die gezondheid en veiligheid kan kopen. Het recht op privacy blijft van essentieel belang en een recht is niet te geef.

"Privacy is een sociaal en contextueel gebeuren" horen we Helen Nissenbaum, een van de meeste invloedrijke denkers over privacy in onze digitale samenleving, zeggen. Over de jaren heen hebben we in offline en online contexten privacy normen kunnen opbouwen. Zo weten we dat we best de deur van onze kamer toe doen als we een privaat gesprek willen voeren of beginnen we te fluisteren op de trein. Evenzeer hebben we geleerd om sociale media profielen af te schermen en niet alle informatie online te delen. Iedere context is uniek en langzamerhand beginnen we de huidige situatie te vatten, wat gepast is en wat niet.

Laat een infocampagne over contact tracing de start zijn van een langetermijnvisie waarbij de rol van surveillance en technologie in de bestrijding van pandemieën wordt bediscussieerd, eerder dan een louter informeren en duiding van de verwachte rol van de burger.

Ralf De Wolf, Marijn Martens, en Tom Evens zijn onderzoekers aan de Universiteit Gent (Vakgroep communicatiewetenschappen), verbonden aan het onderzoekscentrum Imec-Mict en het kenniscentrum Data & Maatschappij.

Het virus zal terugkomen, dat is alvast hetgeen Professor Peter Piot, aangesteld als bijzonder adviseur van de Europese Commissievoorzitter Ursula von der Leyen, ons wist te vertellen. Hoe we ons hiertegen kunnen wapenen is al langer duidelijk; mondmaskers, verluchten, ontsmetten en fysieke afstand bewaren. Als de afgelopen weken een leerschool kan zijn, wordt in deze context afstand bewaren een hele uitdaging.Door de versoepelingen, wordt er volop ingezet op het opsporen van besmette personen. En daar knelt nu juist het schoentje. Blijkbaar zijn Vlamingen niet zo bereidwillig om hun contacten te delen. Het charme-offensief van de virologen om de Vlaming nog maar eens te overtuigen van het belang van een corona-maatregel zet blijkbaar geen zoden aan de dijk. Ook Vlaams minister van Welzijn, Gezin Volksgezondheid en Armoedebestrijding Wouter Beke liet weten dat er in de praktijk nogal wat mensen geen contacten doorgeven of zelf bereikt worden. Vlaams-minister president Jan Jambon stelt alvast dat de "ingebakken argwaan van de Vlaming tegenover de overheid" nergens voor nodig is, en zal daarom binnenkort een infocampagne lanceren. We zouden het bijna vergeten, maar naast het manueel contacten opsporen werd ook het idee van een contact-tracing applicatie geopperd, de zogenaamde 'corona app'. Ook hiervoor is er blijkbaar maar weinig vertrouwen in de overheid. Ons onderzoek toont aan dat er minder vertrouwen is om gegevens te delen met de overheid, dan met een ziekenhuis. Ook is het opvallend dat er een grote bezorgdheid is over wat er met persoonlijke gegevens, verzameld door zo'n app, zou gebeuren na de coronacrisis.De rol van de overheid bij de ontwikkeling en implementatie van een corona app kan gelukkig beperkt blijven. De "decentralized privacy-preserving proximity tracing of DP-3T" maakt gebruik van bluetooth, en dus geen GPS, om contacten te meten. Je exacte locatie hoeft dus niet geweten te zijn. Er wordt uitgegaan van een vrijwillig gebruik, alsook dat de informatie gedecentraliseerd wordt opgeslagen. Met andere woorden, een derde partij zoals een overheid is overbodig. Toch zijn er heel wat zaken die de adoptie van een corona-app, zowel met een decentrale of centrale werking, bemoeilijkheden. In het bijzonder hoe privacy wordt gekaderd in dit hele gebeuren. Een expliciete uiteenzetting van wat privacy juist inhoudt, ontbreekt veelal in publieke debatten die eerder pro of contra zijn. Terwijl dat publieke debat belangrijk is willen we op een verantwoorde manier technologie aanwenden om een maatschappelijke probleem aan te pakken.Naast verwijzingen naar de algemene richtlijnen van de EU en hoe applicaties volledig aan de GDPR-regels moeten voldoen kunnen we twee dominante interpretaties onderscheiden.Vooreerst wordt privacy gezien als het recht om met rust gelaten te worden. Mensen worden niet graag in de gaten gehouden. Niet door de overheid, en niet door een (gedecentraliseerde) app waarvan men de werking nog niet vat. We moeten opletten dat "vertrouwen alleen nog maar gestalte krijgt vanuit de dwingende imperatief dat je niets mag achterhouden", zoals Ignaas Devisch terecht opmerkte. Een (te) strikte interpretatie van het recht om met rust gelaten te worden zorgt er evenwel voor dat elke vorm van innovatie waarvoor persoonlijke informatie nodig is vereenzelvigd wordt met een teloorgang van de privacy. Voortbouwend op technologische innovatie wordt privacy ook als een ruilmiddel omschreven met een nadruk op individuele controle. Zo zouden Vlaamse burgers zelf kunnen beslissen welke informatie wordt geruild in plaats voor veiligheid en gezondheid. Een doorgedreven interpretatie van deze definitie legt weliswaar heel wat verantwoordelijkheid bij het individu, voor iets wat een maatschappelijke verworven recht zou moeten zijn. Opvallend is dat bij deze definiëring weinig rekening wordt gehouden met de verschillen tussen individuen. Zo heeft niet iedereen toegang tot een smartphone (met bluetooth) of de nodige vaardigheden om de applicatie te installeren en gebruiken, en heeft dus niet iedereen iets om te ruilen. Het moge duidelijk zijn dat beide kampen hun beperkingen hebben. Indien er een grote infocampagne wordt gelanceerd over contactonderzoek (manueel en/of via een applicatie) lijkt het ons alvast opportuun om discussies te vermijden die het opgeven van informatie (ook al gaat het maar over bluetooth signalen) vereenzelvigen met het opgeven van privacy. Dit hoeft niet zo te zijn. Evenzeer lijkt het verantwoord om privacy niet te reduceren tot een munteenheid die gezondheid en veiligheid kan kopen. Het recht op privacy blijft van essentieel belang en een recht is niet te geef. "Privacy is een sociaal en contextueel gebeuren" horen we Helen Nissenbaum, een van de meeste invloedrijke denkers over privacy in onze digitale samenleving, zeggen. Over de jaren heen hebben we in offline en online contexten privacy normen kunnen opbouwen. Zo weten we dat we best de deur van onze kamer toe doen als we een privaat gesprek willen voeren of beginnen we te fluisteren op de trein. Evenzeer hebben we geleerd om sociale media profielen af te schermen en niet alle informatie online te delen. Iedere context is uniek en langzamerhand beginnen we de huidige situatie te vatten, wat gepast is en wat niet. Laat een infocampagne over contact tracing de start zijn van een langetermijnvisie waarbij de rol van surveillance en technologie in de bestrijding van pandemieën wordt bediscussieerd, eerder dan een louter informeren en duiding van de verwachte rol van de burger. Ralf De Wolf, Marijn Martens, en Tom Evens zijn onderzoekers aan de Universiteit Gent (Vakgroep communicatiewetenschappen), verbonden aan het onderzoekscentrum Imec-Mict en het kenniscentrum Data & Maatschappij.