Prof. Dr. Tom Decorte, Hoogleraar criminologie aan de Gentse Universiteit, klom tot driemaal toe in de pen en vond bij Knack, De Standaard en Humo een podium om mijn boek Drugs. Antwerpen in de greep van de Nederlandse syndicaten te bekritiseren. Elk van zijn kritiekpunten is onterecht. Ik hou het kort.

Allereerst begrijpt Decorte de vraagstelling van mijn onderzoek niet. Toch is deze duidelijk omschreven in de inleiding (p. 14): De ontstaansgeschiedenis van de Antwerpse drugswereld, de modus operandi, de motivaties van de actoren en ondermijnende effecten van de drugshandel. Ik heb de effectiviteit van het drugsbeleid níet onderzocht, gewoon omdat dat niet de onderzoeksvraag was. Legalisering viel ook buiten mijn onderzoek. Wel heb ik dit kort aangestipt (p. 247): Experimenten met staatswiet dienen bestudeerd worden, legalisering van marihuana in de VS veroorzaakte een explosie van crystal meth in Mexico.

Volgens Decorte beweer ik dat 'dealers allemaal patsers willen zijn'. Ik beschrijf echter wel 22 mogelijke motivaties (p. 73-84) die op het sociale, culture, praktische, psychologische, hedonistische, groepsdynamische domein liggen. De 'patsfactor' is er één van. Sociaal-economische uitsluiting is een co-factor, maar is niet de alles bepalende determinerende factor. Voor deze positie bestaat een brede gedragen academisch consensus. Ik verwijs op p. 70 naar relevante auteurs.

Bewering dat "yogasnuiver" een politieke term is, is belachelijk.

Prof. Decorte zegt dat ik nauwelijks wetenschappelijke bronnen gebruik. Natuurlijk is mijn rapport gebaseerd op wetenschappelijke publicaties, 40 procent, voor wie er de literatuurlijst op natelt. De rest is wat wetenschappers zo badinerend gray literature noemen: onderzoeksjournalistiek, dagbladartikels, reportages, documentaires en literaire fictie. Tom Decorte had graag dat mijn boek aan een peer-review was onderworpen. Ik heb het door enkele criminologen laten lezen. Ook politiemedewerkers, criminelen en gebruikers hebben kritiek mogen leveren. Decorte zat echter niet in de groep die ik relevant achtte voor een peer-review.

Ik ben geen leunstoelcriminoloog, maar cultureel antropoloog. Ik deed veldwerk en interviewde meer dan 150 respondenten (hulpverleners, magistraten, ordediensten, onderzoekers, ondernemers, buurtbewoners). Centraal in mijn onderzoek zijn getuigenissen en diepte-interviews die ik met 25 drugsdealers en evenveel consumenten voerde. Ook 30 jaar oorlogsfotografie (in elk conflict zit wel een drugs angle), een verblijf van vijf maanden in een kolonie van aan crack verslaafde ondergrondse daklozen in New York, tien jaar intensief fotograferen en promotieonderzoek in de Mexicaanse drugsoorlog, zijn in mijn studie verwerkt.

Ik stel dat sommige etnische groepen zijn oververtegenwoordigd in bepaalde drugssectoren. Dat is geen etnische profilering, maar misdaadgroepen geloven nu eenmaal niet in diversiteit. Dat veel Mexicanen in de crystal meth zitten, komt omdat Mexico een productieland is. Marokko is 's werelds grootste hasj- leverancier, daarom zijn er relatief veel Marokkanen in de business. Overigens maakt Tom Decorte er geen punt van als ik mijn tribe, de Brabanders, met de synthetische drugsindustrie associeer.

De professor vindt het problematisch dat ik pleit voor een kordaat migratiebeleid omdat illegale migranten potentiële rekruten zijn voor de ondergrondse drugsindustrie. Ik citeer echter op p. 253 uit een rapport van Decorte himself, uit 2013, waarin hij stelt dat ruim dertig procent, 'misschien wel meer' van de in Antwerpen gearresteerde straatdealers geen geldige verblijfspapieren heeft.

Volgens Decorte druk ik een generaliserende culturele stempel op etnische groepen. Als cultureel antropoloog let ik natuurlijk op culture factoren. Ik maak echter een onderscheid tussen microcultuur, cultuur op het middenniveau en een nationale macrocultuur. Ik vergelijk de subcultuur van de Mocro-maffia, met Noord-Amerikaanse gangsta rappers, narcocultura uit Mexico en drill videos uit Londen. Op het middenniveau zie ik een peasant cultuur die vijandig staat tegen centraal gezag, een traditie van smokkel en wetsonderduiking, een 'wij tegen de rest' mentaliteit. Ik zie hier overeenkomsten tussen Brabanders, Riffijnen en Sinaloezen. Op nationaal niveau spreek ik over de Marokkaanse schaamtecultuur, de hchouma, in feite een variant op het Britse keeping up appearances.

Ik kan nog lang doorgaan. De bewering dat 'yogasnuiver' een politieke term zou zijn, is belachelijk. Ja, ik onderscheid meer gebruikers dan yogasnuivers en junkies, om precies te zijn identificeer ik (p. 126-133) negen soorten gebruik waarbij ik de categorie functionele/professionele gebruikers uitsplits in Antwerpse advocaten, West-Afrikaanse kindsoldaten en Mexicaanse huurmoordenaars. Decorte tracht me af te schilderen als een sycofant van het establishment, een oppervlakkig onderzoeker die complexiteit negeert. Wie mijn studie leest, voelt de nuance en ziet een schat aan etnografische, historische, culturele en politieke details. Ik heb bewust gekozen voor veel couleur locale en een vlotte schrijfstijl, zodat mijn studie ook voor niet-ingewijden toegankelijk is. En dat kan van de meeste criminologische studies niet gezegd worden.

Prof. Dr. Tom Decorte, Hoogleraar criminologie aan de Gentse Universiteit, klom tot driemaal toe in de pen en vond bij Knack, De Standaard en Humo een podium om mijn boek Drugs. Antwerpen in de greep van de Nederlandse syndicaten te bekritiseren. Elk van zijn kritiekpunten is onterecht. Ik hou het kort. Allereerst begrijpt Decorte de vraagstelling van mijn onderzoek niet. Toch is deze duidelijk omschreven in de inleiding (p. 14): De ontstaansgeschiedenis van de Antwerpse drugswereld, de modus operandi, de motivaties van de actoren en ondermijnende effecten van de drugshandel. Ik heb de effectiviteit van het drugsbeleid níet onderzocht, gewoon omdat dat niet de onderzoeksvraag was. Legalisering viel ook buiten mijn onderzoek. Wel heb ik dit kort aangestipt (p. 247): Experimenten met staatswiet dienen bestudeerd worden, legalisering van marihuana in de VS veroorzaakte een explosie van crystal meth in Mexico. Volgens Decorte beweer ik dat 'dealers allemaal patsers willen zijn'. Ik beschrijf echter wel 22 mogelijke motivaties (p. 73-84) die op het sociale, culture, praktische, psychologische, hedonistische, groepsdynamische domein liggen. De 'patsfactor' is er één van. Sociaal-economische uitsluiting is een co-factor, maar is niet de alles bepalende determinerende factor. Voor deze positie bestaat een brede gedragen academisch consensus. Ik verwijs op p. 70 naar relevante auteurs. Prof. Decorte zegt dat ik nauwelijks wetenschappelijke bronnen gebruik. Natuurlijk is mijn rapport gebaseerd op wetenschappelijke publicaties, 40 procent, voor wie er de literatuurlijst op natelt. De rest is wat wetenschappers zo badinerend gray literature noemen: onderzoeksjournalistiek, dagbladartikels, reportages, documentaires en literaire fictie. Tom Decorte had graag dat mijn boek aan een peer-review was onderworpen. Ik heb het door enkele criminologen laten lezen. Ook politiemedewerkers, criminelen en gebruikers hebben kritiek mogen leveren. Decorte zat echter niet in de groep die ik relevant achtte voor een peer-review. Ik ben geen leunstoelcriminoloog, maar cultureel antropoloog. Ik deed veldwerk en interviewde meer dan 150 respondenten (hulpverleners, magistraten, ordediensten, onderzoekers, ondernemers, buurtbewoners). Centraal in mijn onderzoek zijn getuigenissen en diepte-interviews die ik met 25 drugsdealers en evenveel consumenten voerde. Ook 30 jaar oorlogsfotografie (in elk conflict zit wel een drugs angle), een verblijf van vijf maanden in een kolonie van aan crack verslaafde ondergrondse daklozen in New York, tien jaar intensief fotograferen en promotieonderzoek in de Mexicaanse drugsoorlog, zijn in mijn studie verwerkt. Ik stel dat sommige etnische groepen zijn oververtegenwoordigd in bepaalde drugssectoren. Dat is geen etnische profilering, maar misdaadgroepen geloven nu eenmaal niet in diversiteit. Dat veel Mexicanen in de crystal meth zitten, komt omdat Mexico een productieland is. Marokko is 's werelds grootste hasj- leverancier, daarom zijn er relatief veel Marokkanen in de business. Overigens maakt Tom Decorte er geen punt van als ik mijn tribe, de Brabanders, met de synthetische drugsindustrie associeer. De professor vindt het problematisch dat ik pleit voor een kordaat migratiebeleid omdat illegale migranten potentiële rekruten zijn voor de ondergrondse drugsindustrie. Ik citeer echter op p. 253 uit een rapport van Decorte himself, uit 2013, waarin hij stelt dat ruim dertig procent, 'misschien wel meer' van de in Antwerpen gearresteerde straatdealers geen geldige verblijfspapieren heeft. Volgens Decorte druk ik een generaliserende culturele stempel op etnische groepen. Als cultureel antropoloog let ik natuurlijk op culture factoren. Ik maak echter een onderscheid tussen microcultuur, cultuur op het middenniveau en een nationale macrocultuur. Ik vergelijk de subcultuur van de Mocro-maffia, met Noord-Amerikaanse gangsta rappers, narcocultura uit Mexico en drill videos uit Londen. Op het middenniveau zie ik een peasant cultuur die vijandig staat tegen centraal gezag, een traditie van smokkel en wetsonderduiking, een 'wij tegen de rest' mentaliteit. Ik zie hier overeenkomsten tussen Brabanders, Riffijnen en Sinaloezen. Op nationaal niveau spreek ik over de Marokkaanse schaamtecultuur, de hchouma, in feite een variant op het Britse keeping up appearances. Ik kan nog lang doorgaan. De bewering dat 'yogasnuiver' een politieke term zou zijn, is belachelijk. Ja, ik onderscheid meer gebruikers dan yogasnuivers en junkies, om precies te zijn identificeer ik (p. 126-133) negen soorten gebruik waarbij ik de categorie functionele/professionele gebruikers uitsplits in Antwerpse advocaten, West-Afrikaanse kindsoldaten en Mexicaanse huurmoordenaars. Decorte tracht me af te schilderen als een sycofant van het establishment, een oppervlakkig onderzoeker die complexiteit negeert. Wie mijn studie leest, voelt de nuance en ziet een schat aan etnografische, historische, culturele en politieke details. Ik heb bewust gekozen voor veel couleur locale en een vlotte schrijfstijl, zodat mijn studie ook voor niet-ingewijden toegankelijk is. En dat kan van de meeste criminologische studies niet gezegd worden.