Er was eens, nog niet zo heel lang geleden, toen de WTC-torens nog maar een drietal jaren waren neergehaald, een tijd dat ik op het kabinet werkte van een viceminister-president van de Vlaamse Regering en dat ik elke ochtend iets voor zeven uur het Martelarenplein overstak en via de zijingang van het gebouw mijn bureau betrad. Het was nog stil op straat. Het was rustig in de media. Er waren nog geen sociale media. Er waren alleen gedrukte kranten waarvan de hoofdartikels vervolgens weerklonken in de ochtendjournaals. Kranten hadden wel al een digitaal venster, maar het was een wonder als daar meer dan twee nieuwe artikels per dag verschenen.

Beste politici, willen jullie aub jullie smartphone afgeven als jullie het parlement betreden?

Zoals gezegd, het was rustig op straat, in de media en met als gevolg ook in de politiek: je kon uren, dagen aan politiek doen, zoeken naar compromissen, zonder steeds angstig iedere minuut om je schouder te kijken of je achterban niet was ontploft op Twitter en andere sociale media. En toen het compromis was gevonden, maakte je het bekend en ging je verder. Het beleid voerde vervolgens uit wat er politiek beslist werd en daarmee was de kous af. Er waren vervolgens geen virtuele lynchpartijen, bendes die elkaar op Twitter uitmoordden, doodsbedreigingen via Facebook, kogels in brievenbussen, witte poeders in enveloppes.

Paradijs

Voor mensen die alleen de huidige (sociale) mediacultuur hebben meegemaakt (sommigen noemen dit 'een debatcultuur', maar geloof me, dat is het niet, jammer dat de oude Grieken en Romeinen zijn uitgestorven, anders hadden ze kunnen uitleggen wat een echt debatcultuur is) lijkt het misschien alsof ik het paradijs beschrijf. En dat was het ook. En net zoals Adam en Eva hebben we er onszelf uit verdreven.

Maar even terug naar mijn ochtendtaak in het begin van dit millennium. Om zeven uur screende ik de media op zoek naar berichtgeving over de bevoegdheden van mijn minister. Was die negatief (onverwacht slechte cijfers, een belangenorganisatie die van leer trok tegen het beleid, ...) dan greep ik de telefoon en bracht de minister op de hoogte. De reactie was toen standaard: "Zorg eerst dat we de juister cijfers hebben. Om tien uur zit iedereen die op het kabinet op de hoogte is van het dossier samen en bekijken we het. Deze namiddag kunnen we dan een persbericht uitsturen met een reactie."

En dat was het! Achter de schermen werden de gegevens verzameld, vergeleken en op basis daarvan een dossier en persbericht opgemaakt. En als er een journalist belde voor een reactie, zei je "Die bezorgen we deze middag," en jawel, dat werd beleefd aanvaard. Een paar uur wachten in het paradijs, daar had niemand toen problemen mee.

Cafépraat

Vandaag de dag hebben de politici niet langer deze luxe. Het eerste nieuws wordt om zes uur gebroken en dan moeten ze voor de rest van de dag springen van tweet naar tweet, naar Facebook, naar Instagram, zo communicerend de dag door. Op het einde van de dag, de week, de maand, het politieke jaar sta je als politicus nergens. Doe je dit niet, dan zegt men: "Deze politicus was niet aanwezig in het debat. Het zal hem niet interesseren." Daar ben je als politicus dus ook niks mee.

Iedereen die vroeger cafépraat verkondigde aan de toog is in deze sociale mediatijden verworden tot de-stem-van-ik-weet-niet-welke-achterban. Toogpraat bestaat al eeuwen - en dat is maar goed ook, je moet je gezin niet met alles vervelen - maar het is nu de eerste keer dat de politici ernaar luisteren en er zelfs naar handelen, of beter: vervolgens niet durven handelen.

Wie alleen nog maar de tijd heeft om te tweeten of om commentaren op Facebook te zetten, zijn niet de paar miljoen arbeiders die net voldoende tijd krijgen om te gaan plassen en de inhoud van hun boterhamdoos te verwerken. Het zijn niet de kinderen die overdag op de schoolbanken zitten. En het zijn niet die paar miljoen andere Belgen en Vlamingen die zelfs nog nooit gehoord hebben van Twitter - sommigen nog zonder smartphone, anderen nog steeds zonder internet. Het zijn al deze die op dit ogenblik in elk 'debat' vergeten en niet gehoord worden.

Poupehan

Als Jean-Luc Dehaene zich in tijden van sociale media zich een weekend in Poupehan zou hebben teruggetrokken, zou hij niet getweet hebben: "Ben dit weekend in Poupehan met de jongens van de vakbond en de Nationale Bank. Vanaf maandag gaat je geld een pak minder waard zijn en we gaan twee indexsprongen overslaan. Retweet als je dit leuk vindt."

Kleine kans dat we dan ooit de Maastricht-norm zouden hebben gehaald en grote kans dat we dan nog steeds geen deel zouden uitmaken van de Europese Unie.

Maar Dehaene had het geluk om nog in het paradijs aan politiek te doen en er dus in grote beslissingen door te duwen. Hij kon onder de radar blijven. En dat is wat onze politici ook moeten doen bij het zoeken naar oplossingen: onder de radar blijven en zich niet laten opjagen door virtuele hordes.

Grote debatten

Neem de grote debatten van nu, gaande van de energie tot de pensioenen. Het is tijd dat we met zijn allen de kamer van stilstand waar we al zo'n twintig jaar in vastzitten verlaten. Speeches die twintig jaar geleden uitgesproken werden door voor- of tegenstanders van welk beleid dan ook, kunnen vandaag perfect opnieuw gebruikt worden. Er is uiteindelijk weinig dat veranderd is.

Voor politici vergt het niet zozeer moed om oplossingen te bedenken, wel om af en toe zichzelf even op mute te zetten. Betreed daarom de politieke arena, zet die smartphone af, pak samen de samenleving op, kom naar elkaar toe want anders raak je niet samen door de deur, en draag ons burgers de kamers uit waar we al twintig jaar in stil staan. De 3,7 miljoen Vlamingen die een voltijdse job hebben en geen tijd voor Twitter zullen je dankbaar zijn.

Joeri Casteleyn is pers- en communicatieadviseur. Hij werkte al voor verschillende politici.

Er was eens, nog niet zo heel lang geleden, toen de WTC-torens nog maar een drietal jaren waren neergehaald, een tijd dat ik op het kabinet werkte van een viceminister-president van de Vlaamse Regering en dat ik elke ochtend iets voor zeven uur het Martelarenplein overstak en via de zijingang van het gebouw mijn bureau betrad. Het was nog stil op straat. Het was rustig in de media. Er waren nog geen sociale media. Er waren alleen gedrukte kranten waarvan de hoofdartikels vervolgens weerklonken in de ochtendjournaals. Kranten hadden wel al een digitaal venster, maar het was een wonder als daar meer dan twee nieuwe artikels per dag verschenen. Zoals gezegd, het was rustig op straat, in de media en met als gevolg ook in de politiek: je kon uren, dagen aan politiek doen, zoeken naar compromissen, zonder steeds angstig iedere minuut om je schouder te kijken of je achterban niet was ontploft op Twitter en andere sociale media. En toen het compromis was gevonden, maakte je het bekend en ging je verder. Het beleid voerde vervolgens uit wat er politiek beslist werd en daarmee was de kous af. Er waren vervolgens geen virtuele lynchpartijen, bendes die elkaar op Twitter uitmoordden, doodsbedreigingen via Facebook, kogels in brievenbussen, witte poeders in enveloppes. ParadijsVoor mensen die alleen de huidige (sociale) mediacultuur hebben meegemaakt (sommigen noemen dit 'een debatcultuur', maar geloof me, dat is het niet, jammer dat de oude Grieken en Romeinen zijn uitgestorven, anders hadden ze kunnen uitleggen wat een echt debatcultuur is) lijkt het misschien alsof ik het paradijs beschrijf. En dat was het ook. En net zoals Adam en Eva hebben we er onszelf uit verdreven. Maar even terug naar mijn ochtendtaak in het begin van dit millennium. Om zeven uur screende ik de media op zoek naar berichtgeving over de bevoegdheden van mijn minister. Was die negatief (onverwacht slechte cijfers, een belangenorganisatie die van leer trok tegen het beleid, ...) dan greep ik de telefoon en bracht de minister op de hoogte. De reactie was toen standaard: "Zorg eerst dat we de juister cijfers hebben. Om tien uur zit iedereen die op het kabinet op de hoogte is van het dossier samen en bekijken we het. Deze namiddag kunnen we dan een persbericht uitsturen met een reactie." En dat was het! Achter de schermen werden de gegevens verzameld, vergeleken en op basis daarvan een dossier en persbericht opgemaakt. En als er een journalist belde voor een reactie, zei je "Die bezorgen we deze middag," en jawel, dat werd beleefd aanvaard. Een paar uur wachten in het paradijs, daar had niemand toen problemen mee. Vandaag de dag hebben de politici niet langer deze luxe. Het eerste nieuws wordt om zes uur gebroken en dan moeten ze voor de rest van de dag springen van tweet naar tweet, naar Facebook, naar Instagram, zo communicerend de dag door. Op het einde van de dag, de week, de maand, het politieke jaar sta je als politicus nergens. Doe je dit niet, dan zegt men: "Deze politicus was niet aanwezig in het debat. Het zal hem niet interesseren." Daar ben je als politicus dus ook niks mee.Iedereen die vroeger cafépraat verkondigde aan de toog is in deze sociale mediatijden verworden tot de-stem-van-ik-weet-niet-welke-achterban. Toogpraat bestaat al eeuwen - en dat is maar goed ook, je moet je gezin niet met alles vervelen - maar het is nu de eerste keer dat de politici ernaar luisteren en er zelfs naar handelen, of beter: vervolgens niet durven handelen.Wie alleen nog maar de tijd heeft om te tweeten of om commentaren op Facebook te zetten, zijn niet de paar miljoen arbeiders die net voldoende tijd krijgen om te gaan plassen en de inhoud van hun boterhamdoos te verwerken. Het zijn niet de kinderen die overdag op de schoolbanken zitten. En het zijn niet die paar miljoen andere Belgen en Vlamingen die zelfs nog nooit gehoord hebben van Twitter - sommigen nog zonder smartphone, anderen nog steeds zonder internet. Het zijn al deze die op dit ogenblik in elk 'debat' vergeten en niet gehoord worden. Als Jean-Luc Dehaene zich in tijden van sociale media zich een weekend in Poupehan zou hebben teruggetrokken, zou hij niet getweet hebben: "Ben dit weekend in Poupehan met de jongens van de vakbond en de Nationale Bank. Vanaf maandag gaat je geld een pak minder waard zijn en we gaan twee indexsprongen overslaan. Retweet als je dit leuk vindt."Kleine kans dat we dan ooit de Maastricht-norm zouden hebben gehaald en grote kans dat we dan nog steeds geen deel zouden uitmaken van de Europese Unie. Maar Dehaene had het geluk om nog in het paradijs aan politiek te doen en er dus in grote beslissingen door te duwen. Hij kon onder de radar blijven. En dat is wat onze politici ook moeten doen bij het zoeken naar oplossingen: onder de radar blijven en zich niet laten opjagen door virtuele hordes.Neem de grote debatten van nu, gaande van de energie tot de pensioenen. Het is tijd dat we met zijn allen de kamer van stilstand waar we al zo'n twintig jaar in vastzitten verlaten. Speeches die twintig jaar geleden uitgesproken werden door voor- of tegenstanders van welk beleid dan ook, kunnen vandaag perfect opnieuw gebruikt worden. Er is uiteindelijk weinig dat veranderd is. Voor politici vergt het niet zozeer moed om oplossingen te bedenken, wel om af en toe zichzelf even op mute te zetten. Betreed daarom de politieke arena, zet die smartphone af, pak samen de samenleving op, kom naar elkaar toe want anders raak je niet samen door de deur, en draag ons burgers de kamers uit waar we al twintig jaar in stil staan. De 3,7 miljoen Vlamingen die een voltijdse job hebben en geen tijd voor Twitter zullen je dankbaar zijn. Joeri Casteleyn is pers- en communicatieadviseur. Hij werkte al voor verschillende politici.