Februari 2017

Ik krijg telefoon van Korneel De Clercq van het programma Wonderland op Radio 1. Het Australische orkest Angus Stone, bekend van Angus & Julia Stone, heeft een tweede album gemaakt als Dope Lemon. Daar staat een nummer op dat volledig gebouwd is op Stories (1972) van de Chakachas, een Belgische groep uit lang vervlogen tijden.
...

Ik krijg telefoon van Korneel De Clercq van het programma Wonderland op Radio 1. Het Australische orkest Angus Stone, bekend van Angus & Julia Stone, heeft een tweede album gemaakt als Dope Lemon. Daar staat een nummer op dat volledig gebouwd is op Stories (1972) van de Chakachas, een Belgische groep uit lang vervlogen tijden. 'Denk je dat er nog iemand van die mensen in leven is?' vraagt Korneel. 'Dat zou me verbazen', zeg ik. 'Hun eerste single is al bijna 60 jaar oud. Het moeten flinke tachtigers zijn ondertussen. Ik heb alvast nooit iemand van de groep ontmoet, en ik heb ook nooit over een van hen horen praten.' De Chakachas zijn de Bermudadriehoek van de nationale popgeschiedenis. Er bestaan geen affiches van concerten in de Ancienne Belgique of de Koningin Elisabethzaal. Er zijn geen beelden en al evenmin interviews. Vreemd. De groep heeft nochtans twee evergreens op haar naam. Die - en ook dat is bizar - in alles van elkaar verschillen. Eso es el amor (1958) is een aanstekelijke maar brave chachacha, Jungle Fever (1971) een hitsig funknummer. Een duik in het internet levert een spoor op. In een interview met de krant Le Soir lees ik dat Gaston Bogaerts, de voorman van de Chakachas, in 1966 gestopt is met de groep om te gaan schilderen. Hij woont in La Garde-Freinet, een dorp aan de Côte d'Azur op zo'n 20 kilometer van Saint-Tropez. Maar: hij is geboren in 1921, en het artikel dateert van 2002. Ondertussen is het 2017, dus moet hij 96 jaar zijn. Bingo. Gaston neemt de telefoon op in La Garde-Freinet en blijkt alive and kicking. Hij hoort wel wat slecht, maar volgens zijn echtgenote Heidi doet hij soms alsof. Ze is levendig aanwezig tijdens het radiogesprek. De Middellandse Zeelucht houdt een mens jong, blijkbaar. ' Je dis bonjour à monsieur Stone', zegt Gaston afrondend. ' Ça lui fera peut-être plaisir.' Angus woont in Sydney. De kans is dus klein dat hij op dat moment naar Radio 1 aan het luisteren is. Maar hij heeft later nog wel gebeld met Gaston, en hem gevraagd of ze elkaar konden ontmoeten. Jimmy Dewit, met wie ik al enkele jaren theatershows en televisie maak onder de noemer Belpop Bonanza, wordt gevraagd als eerste ambassadeur van Record Store Day. Dat is de jaarlijkse, wereldwijde feestdag van de platenwinkels, een hoogdag voor melomanen en vinylverzamelaars. Aan de vraag is iets extra's verbonden. Jimmy mag een plaatje uitbrengen op 1000 exemplaren. Het kleinood zal niet in de handel te vinden zijn. Alleen goede klanten van de deelnemende zaken krijgen het cadeau. Het wordt een single met een historische waarde. Er staan namelijk twee gouden premières op één stuk vinyl. Op de A-kant prijkt Kili Watch van The Cousins uit 1960, de eerste gouden rocksingle in ons land. Op de B-kant staat Eso es el amor van de Chakachas uit 1958, de eerste gouden single tout court. Gemaakt door een groep waarvan amper iemand weet dat ze Belgisch is. 'Gaston moet die single hebben', zeg ik. 'We gaan naar La Garde-Freinet.' We zijn welkom, zo blijkt. Bij De Slegte in Leuven vind ik een boek uit 2002 van de hand van Gaston. Het heet Dance band. Quand Bruxelles jazzait en is het verhaal van zijn wedervaren als jazzdrummer in de hoofdstad tussen 1937 en 1957. Zijn oom is mijndirecteur in Belgisch-Congo en brengt van daar instrumenten mee. Gaston begint op die tamtams te trommelen en vindt zijn roeping. De jazz geeft hem een richting. Vanaf 1938 leeft hij van de muziek. De oorlog zet er een tijdlang een domper op, maar daarna gaat het hard. Tijdens de jaren vijftig reist Gaston de halve wereld rond. Eerst in dienst, vanaf 1953 met zijn eigen band. Het vervolg van het verhaal blijkt hij neergeschreven te hebben in een tweede boek, Le carnet de route des Chakachas (2011). Het werd nooit vertaald in het Nederlands, en bleef in het noorden van het land onder de radar. De komst van de Cubaanse danseres en zangeres Kary Kento betekent een grote ommekeer. De jazzband van Gaston wordt in 1958 een hoogwaardig amusementsorkest, de Chakachas. De hit Eso es el amor is de start van acht gouden jaren waarin het septet een vaste gast is in mondaine plekken als Monte Carlo, Gstaad en Beiroet. In 1966 stapt Gaston op. De groep gaat nog een paar jaar door met Roger Clerckx als vervanger. Begin 1970 stelt de Belgische producer Roland Kluger aan Gaston voor om nieuwe opnames te maken. De gereanimeerde Chakachas zijn een studioproject dat muzikaal getrokken wordt door Billy Ador en Nico Gomez. De eerste is Willy Albimoor, een West-Vlaamse pianist en arrangeur. Nico Gomez is een van de vele alter ego's van Joseph van het Groenewoud, vader van Raymond. Opnieuw is er een grote hit voor de Chakachas. Jungle Fever haalt de top 10 van de Amerikaanse hitlijsten. Er volgen nog twee albums, maar dan is het definitief voorbij. Vanaf het eind van de jaren tachtig begint Gaston Bogaerts een derde leven als inspiratiebron voor anderen. Angus Stone staat in een lange rij met andere sampleaars als Fatboy Slim, New Kids on the Block en Public Enemy. Een paar jaar geleden schoof ook hiphopkoning Kendrick Lamar aan. Op de single Backseat Freestyle (2012) staat een zeer herkenbaar stukje uit Yo soy Cubano, een compositie van Nico Gomez. Het nummer krijgt in 2018 een Amerikaanse platinum award voor de verkoop van 1 miljoen stuks. Op de warmste dag van het jaar rijden Jimmy, fotograaf Guy Kokken en ik naar de Middellandse Zee, zoals we dat een halve eeuw geleden omstreeks dezelfde tijd met onze ouders deden. De opwinding in de auto heeft iets van de Grote Reizen van toen. Hoe zou onze held Gaston eruitzien? Hoe groot is zijn villa? Heeft hij zijn gouden platen nog? Krijgt hij kerstkaarten van Kendrick Lamar? De ontvangst is impeccable, na een halfuur lijkt het alsof we op bezoek zijn bij onze grootouders aan de Côte d'Azur. We zijn toch regelmatig gestopt onderweg? We blijven toch eten? Gaan we mee kijken in de tuin? 'Zeg maar Bobo', zegt Gaston. 'Hier in Frankrijk krijgen ze Bogaerts niet uit hun mond, dus noemt iedereen mij Bobo.' Zijn echtgenote, Heidi, is 25 jaar jonger. Een prille zeventiger en een wervelwind. Haar tongval verraadt een Duitse afkomst: ze is geboren en opgegroeid in München. 'Maar ze verbetert me in het Frans.' Het domein in La Garde-Freinet is een paradijselijke plek. Gaston kocht het heuvelachtige terrein van twee hectare in 1962 toen hij met de Chakachas enkele weken optrad in het casino van Monte Carlo. Het was destijds een ondoordringbaar maquis waartussen een vervallen huisje stond. Het werd helemaal heropgebouwd en uitgebreid met twee ateliers. Ook Heidi heeft een artistieke inborst. Het leven in het Massif des Maures is aangenaam. Saint-Tropez ligt ver genoeg weg en er wonen heel wat interessante mensen tussen de krekels en de kurkeiken. Pierre Cardin en Jeanne Moreau hebben er lang geresideerd. De kinderen van regisseur Tony Richardson en actrice Vanessa Redgrave gingen samen met de huidige slager naar school. En Gaston en Heidi zijn goed bevriend met de Belgische moeder van superster-dj David Guetta: Monique is filosofe en schrijfster. 's Middags vouwt Bogaerts zijn boek Dance band. Quand Bruxelles jazzait open op het namenregister. 'In deze lijst staan 700 namen. Daarvan zijn er vandaag nog drie in leven: gitarist Jean Berry, bassist Paul Dubois en saxofonist Alex Scorier.' Zijn stem klinkt veeleer weemoedig dan triest. 'Ik leef in mijn herinneringen': hij zal het vaak herhalen die dag. Ze zijn nog altijd scherp, net als zijn humor en zijn outfit. Met dank aan Heidi, die hem ook overal mee naartoe troont. 'Grote reizen zitten er niet meer in. Maar we hebben ondertussen zowat alle steden in het zuiden van Frankrijk bezocht.' Avontuur is het parfum van zijn leven, muziek de levensader. 'Dankzij de muziek heb ik de oorlog overleefd. Het was een harde tijd, maar ik heb altijd kunnen spelen. Dansen was verboten door de Duitse bezetter. Joodse muziek en Negermusik ook. Daar pasten we een mouw aan door de titels van de nummers te veranderen. In the Mood werd bijvoorbeeld Kartoffelsalat.' Gaston beschouwt zichzelf pas echt als een drummer wanneer hij in 1946 een eerste cimbaal kan kopen van een Amerikaanse drummer die - echt waar -Christopher Columbus heet. 'Ik spiegelde mij aan de flamboyante stijl van Gene Krupa (drummer van Benny Goodman, nvdr). Ik had een goed tempo, net als hij, en ik had ook zijn fysiek.' De Brusselse orkestleider Roger Rose krijgt een contractvoorstel uit Avignon, maar zijn vaste muzikanten zien de trip niet zitten. Hij spreekt Bogaerts aan, die wat vrienden bij elkaar trommelt. Een van de tijdelijke leden van het Quintette Roger Rose is 'Nicolas Ooms', een Nederlander die in Brussel is komen wonen. Het is de schuilnaam waaronder Joseph van het Groenewoud onderduikt om niet naar Indonesië te worden gestuurd met het Nederlandse leger. De reizen met Roger Rose gaan almaar verder. Het orkest speelt drie jaar lang van Casablanca tot Praag en alles daartussen. De hoogste tijd om onder eigen vlag te varen, denkt Gaston. In 1953 neemt hij zijn eerste plaatjes op als Gaston Bogart & His Continentals voor Ronnex Records in Antwerpen. Het label maakt furore door Amerikaanse rockplaatjes uit te brengen in Europa. Bill Haley en Little Richard zijn het eerst in België te horen. De single Hey! Mister Jack (1953) van Gaston Bogart klinkt trouwens behoorlijk prerock. In de aanloop naar de Wereldtentoonstelling van 1958 wordt hij aangesproken door Franz Jacob en Patrick Voskertchian, de nachtburgemeesters van Brussel. 'Ze wilden een nieuwe zaak openen en zochten een orkest voor de duur van de Expo.' De mannen van Gaston spelen enkele nummers. 'Er zat een liedje tussen dat ik had opgepikt in een club in Antwerpen. Een soort van chachacha met een tekst die heel makkelijk te onthouden was. Ik keek naar mijn pianist en zei: "Dat moeten we kopiëren."' Het nummer heet Eso es el amor en wordt de specialiteit van Les Enfants Terribles, de nieuwe hotspot van de hoofdstad. Op een avond brengt bongospeler Vinagre een Cubaanse vriendin mee naar de club: Kary Kento, een imposante verschijning die ook blijkt te kunnen zingen. 'Een week later hebben we met haar Eso es el amor opgenomen. In de lege hal van het Egmontpaleis in Brussel met mobiel materiaal van een Nederlander.' De platenfirma wil een groepsnaam die bij het nummer past. Bogaerts stelt Chakachas voor. Het is een klanknabootsing van de guiro, een slagwerkinstrument met een raspend geluid. Gaston verandert zijn naam in Tito Madinez. 'Madinez is de naam van mijn Spaans-Franse grootmoeder, die met een Duitser was getrouwd. Tito zorgt voor extra exotiek.' Eso es el amor slaat aan. Het krijgt in 1959 het allereerste Belgische goud voor de verkoop van 100.000 exemplaren. Bogaerts: 'Veel stelde dat niet voor, hoor. Dat was een receptie met de mensen van de platenfirma en Franz Jacob en Patrick Voskertchian. En toen kregen we een gouden plaat.' Voor de hoes wordt een foto van zwarte dansers gebruikt. 'Dat zorgde voor verwarring. Behalve de vaste klanten van Les Enfants Terribles wist niemand hoe de Chakachas eruitzagen. Ik herinner mij dat er op een avond een groep toeristen op bezoek was. Ze vroegen aan Patrick wanneer de Chakachas eindelijk zouden beginnen. Iedereen verwachtte een Cubaans orkest.' Vaak hebben ze Eso es el amor daarna niet meer gespeeld. 'Het is niet echt een interessant nummer, ik vond het een nullité. Maar het heeft wel onze naam en ons fortuin gemaakt.' De Belgische Cubanen worden gevraagd als huisorkest van Les Isles Bleues, een prestigieuze club op de Champs-élysées in Parijs. Het wordt de start van een wilde rit van acht jaar, met alle nevenverschijnselen die de sixties zo golden maakten. Bogaerts: 'Wij waren een amusementsorkest. Wij speelden in nachtclubs voor mensen die dansten. Het was een circuit met lange residenties van enkele weken op de chicste plaatsen. Alle dure Zwitserse skistations, de mondaine casino's van de Côte d'Azur, vier maanden in Israël... Wij hebben nooit in concertzalen of voor een zittend publiek gestaan. Dus geen Olympia in Parijs of Koninklijk Circus in Brussel.' Platen opnemen gebeurt alleen op de luttele momenten dat ze in België met vakantie zijn. Producer Ivon De Bie, met wie ze Eso es el amor hadden gemaakt, weet hen telkens te overtuigen. De Chakachas zouden meer dan 150 nummers op band zetten. Het zijn de enige momenten waarop ze repeteren. De groep valt dus buiten de reguliere structuur van de populaire muziek, met haar hitparades, tournees en televisieshows. Er bestaat alleen een opname van een optreden uit 1960 voor de Italiaanse RAI. Tot onze verbazing heeft Gaston Bogaerts zelfs nog nooit een interview gegeven. De groep wordt een rondreizende familie met Gaston als (crisis)manager. Hij doet iets wat niet gangbaar is, ook vandaag niet: hij verdeelt de auteursrechten van de nummers gelijkmatig onder de leden. 'Dat was ongezien. Maar het is achteraf bekeken wel het cement geweest dat het orkest zo lang heeft samengehouden.' Het tempo ligt hoog. De Chakachas spelen vijf à zes uur per avond zonder te stoppen. 'De Italianen hadden dat ritme gelanceerd. Intensif heette het. Elke dag brachten we nieuwe nummers aan, alle rages werden opgepikt. De conga, de twist, de bamba, de pachanga: we hebben ze allemaal gehad. Verder speelden we de successen van The Beatles, The Rolling Stones, The Beach Boys...' Op oudejaarsavond 1965 spelen de zeven op het bal van het Rode Kruis in de Gulden Vliesgalerij in Brussel. Bogaerts heeft een belangrijke mededeling. 'Ik stop. Ik ga schilderen.' Dat deed hij al voor hij musiceerde, en dankzij de inkomsten van de muziek kan het voortaan voltijds. 'Bovendien waren heel wat nachtclubs ondertussen discotheken geworden. Livemuziek raakte uit de mode. Het vele rondreizen had ook ons privéleven aangetast. Ik voelde mij als een kruisvaarder die na jarenlang vechten weer naar huis wilde.' In 1966 speelt de groep een laatste residentie in het Bayerischer Hof in München. Gaston ontmoet ' une jeune et belle Munichoise'. Heidi is 20, hij 45. Lichte consternatie in 1970: de Chakachas zijn onverwacht terug. Het is een project van Roland Kluger, een freelance-producer die op dat moment voor de platenfirma Polydor werkt. Hij heeft al hits gescoord met André Brasseur en Jimmy Frey. Later begint hij een eigen platenfirma, RKM, en volgen successen met Two Man Sound, Plastic Bertrand en Telex. Kluger heeft twee ervaren rotten - Bill Ador (Willy Albimoor) en Nico Gomez (Joseph van het Groenewoud) - aan boord voor de creatieve invulling. Gaston speelt gewoon mee, en is verder een soort toeschouwer van zijn eigen groep. Aan het einde van de opnames is er een nummer te kort om een plaat te vullen. Albimoor stelt voor om een latin-variant te maken van Je t'aime... moi non plus, de schandaalhit van Serge Gainsbourg en Jane Birkin uit 1969. Met Kary Kento als tweede stem. Bogaerts: 'Ik stelde Jungle Fever voor als titel en legde aan Kary uit wat er van haar werd verwacht. Ze hijgde zich als een volleerde stoeipoes door het nummer.' Jungle Fever haalt de top 10 van de Amerikaanse hitparade en verkoopt volgens Gaston twee miljoen stuks. Een tweede gouden plaat is zijn deel. Jaren later zou cineast Spike Lee er de titel van zijn debuutfilm van maken. Toch is Bogaerts niet echt tevreden over de nieuwe Chakachas. 'Het is allemaal ontegensprekelijk goed gemaakt, maar het waren de "echte" Chakachas niet meer. De ziel zat er niet in.' De voormalige leden van de groep hebben ondertussen elders onderdak gevonden, onder meer bij het toenmalige BRT Jazzorkest. Alleen Kary Kento vindt haar draai niet in Europa. In 1975 besluit ze terug te keren naar Havana. Met de auteursrechten van de Chakachas is het daar aangenaam leven. Jarenlang hoort Bogaerts niets van haar. Caridad Hernandez y Penalver - haar echte naam - lijkt spoorloos. Gaston kijkt naar elk televisieprogramma over Cuba in de hoop een glimp van haar op te vangen. Tot twee keer toe vliegt hij naar het eiland, en gaat hij met een foto in de hand naar haar op zoek. Het levert niets op. Is ze naar Florida gevlucht? Of vermorzeld door het systeem van Fidel Castro? De verschijning van het boek Dance band in 2002 brengt soelaas. Bogaerts wordt uitgenodigd voor een lang interview op de RTBF. De echtgenote van een medewerker blijkt een choreografe in Havana te kennen die haar over Caridad heeft verteld. Na 27 jaar hangen Gaston en Kary met elkaar aan de lijn. 'Ik had de fout gemaakt om haar te zoeken onder muzikanten, maar ginds was ze een danseres.' Hij ondersteunt haar financieel, en er wordt een derde reis naar Cuba gepland. Helaas: Kary Kento overlijdt voor het zover is. We hadden de naam Gaston Bogaerts bij het binnenrijden van La Garde-Freinet al op een informatiebord zien staan. Van 28 juni tot 11 juli 2019 loopt in La Chapelle Saint-Jean een 'Rétrospective Gardoise' met tekeningen en schilderijen van drie kunstenaars uit de eigen gemeente. Paul Preire, Lennart Nystrom (de Zweed die het Ikealogo heeft ontworpen) en Gaston. Zijn abstracte, geometrische werken zijn speels en kleurrijk. Ze zitten bij de collecties van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel en het Gentse SMAK. Zowat overal in Europa heeft hij geëxposeerd. '186 tentoonstellingen in totaal. Maar ik ben geen schilder qui casse la baraque.' Het is geen verbittering, hooguit lichte spijt dat hij te laat is begonnen. 'Je hebt minstens 60 jaar nodig om een naam te worden. En dan nog moet alles goed zitten. Je moet de juiste mensen tegenkomen. Galeries, journalisten en klanten moeten allemaal samenwerken om er een verhaal van te maken. Het is een loterij. Veel schilders met talent zijn nooit ergens geraakt.' Het mag een lichte troost zijn dat hij in het duurste schilderij van een levende kunstenaar woont. De heuvels van La Garde-Freinet hebben model gestaan voor Portret van een kunstenaar (zwembad met twee figuren), een werk van David Hockney. De Brit maakte het in 1971. In die tijd logeerde hij vaak in de villa van Tony Richardson en Vanessa Redgrave. Het doek werd in 2018 geveild voor 79 miljoen euro. Bij het afscheid valt het ons op dat er iets ontbreekt in het huis van Gaston en Heidi: muziek. In het schildersatelier van Gaston liggen een paar platen van de Chakachas, maar meer is er niet. 'Mijn drumstel heb ik aan een neef gegeven. De gouden plaat van Eso es el amor ligt ergens in de bezemkast. Alles heeft een einde. Ik heb nog wat cassettes met oude jazz waar ik graag naar luister, dat is mijn domein. Maar ik zoek niets meer.' Al weet hij wel dat Buscemi een remix heeft gemaakt van Jungle Fever. En dat zijn Belgische galeriehouder Sven Maes ook dj is en als Svenson op Tomorrowland draait. Had Heidi niet verteld dat hij soms doet alsof? Kendrick Lamar kent hij alleen maar van de inningen van zijn auteursrechten. 'Ik krijg nog altijd een mooi pensioen van de auteursvereniging Sabam. Je ontvangt een bedrag dat in verhouding staat tot wat je hebt opgebracht. En wij hebben veel opgebracht met de Chakachas. Al onze titels werkten. Hier in het dorp woont de zoon van Alex North, de Amerikaan die het fameuze Unchained Melody heeft geschreven. Die gast heeft zijn hele leven geen klop hoeven te doen dankzij dat ene liedje van zijn vader.' Een e-mail uit La Garde-Freinet. Bogaerts neemt eind oktober deel aan ART Knokke-Heist, een opengalerieweekend. Ze logeren vijf dagen aan zee. Of we elkaar kunnen zien? Het is een ideale samenloop van omstandigheden. De Canvas-reeks Belpop plant dit najaar twee afleveringen over Belgische wereldhits. Jungle Fever zit er ook tussen. De komst van Gaston naar België is een geschenk. Het interview wordt opgenomen in de prachtige Magrittezaal van het casino van Knokke. Het verleden raast door Gastons hoofd. 'Casinobaas Jacques Nellens was de manager van de Chakachas. Het casino was de enige plek waar we in België speelden. Zeven jaar op rij hebben we hier tijdens de zomer het seizoen gedaan. Voor de rest zaten we altijd in het buitenland. Altijd.' Het afscheid is filmisch. Traag maar zeker schuiven Gaston en Heidi weg over de zeedijk. Arm in arm. Na een kwartier zwaaien ze nog eens in de verte, dan slaan ze rechtsaf, op weg naar hun hotel. Hier past René and Georgette Magritte with their Dog after the War van Paul Simon bij als soundtrack. Het is een lied over een koppel dat na een lange wandeling op hun hotelkamer danst op de doowop van The Penguins en The Moonglows. ' The easy stream of laughter flowing through the air.' Gaston en Heidi lachen ook gemakkelijk. En ze hebben een hond. Schone mensen.