Achttien ongezonde levensjaren, dat is wat de gemiddelde Belg voor de boeg heeft. De schuldige? Chronische ziekten. Hoewel deze kost van chronische aandoeningen via doordacht preventiebeleid grotendeels te voorkomen valt, vormt een te eenzijdige visie op behandeling en beheer van deze ziekten een struikelblok. Chronische ziekten weerspiegelen de complexiteit van onze maatschappij maar worden te vaak vanuit één discipline of beleidsdomein benaderd. Er is nood aan een bredere aanpak die inzichten uit verschillende vakgebieden integreert.

Hoewel de Belgische gezondheidsenquête van 2013 een kleine daling toont van het totale aantal chronische aandoeningen sinds 2008, zien we dat bepaalde ziekten juist vaker optreden. Drie chronische ziekten - hart- en vaatziekten, kanker en diabetes - komen meer voor dan voorgaande jaren; een vierde groep, chronische ademhalingsziekten, daalt lichtjes maar veroorzaakt jaarlijks nog steeds meer dan 7000 doden. Samen zijn deze vier aandoeningen in België verantwoordelijk voor twee op drie sterfgevallen.

'Belg heeft gemiddeld 18 ongezonde levensjaren voor de boeg: hoe pakken we dit aan?'

Bovendien krijgen meer en meer Belgen te maken met multimorbiditeit; het hebben van meerdere chronische ziekten. In 1997 had 8,9% van de bevolking twee of meer belangrijke chronische ziekten (hartziekte, chronische longziekte, diabetes, kanker, artritis/artrose of hypertensie), in 2013 was dit al 13,5%. Hoewel de stijging zich voornamelijk bij 65-plussers voordoet (waar het één op drie treft), is deze opwaartse trend ook bij de rest van de bevolking zichtbaar.

Aangezien een patiënt typisch meerdere jaren met een chronische ziekte leeft, bedraagt de rekening van medicatie, behandeling en ziekenhuisverblijf in de Europese Unie tot bijna de helft van het totale gezondheidsbudget. Het chronische karakter leidt tot langdurige arbeidsongeschiktheid of gedaalde productiviteit van de werknemer. Ook mantelzorgers krijgen het moeilijk in combinatie met hun betaalde job, waardoor ze vaak minder lang of niet meer werken. Dit productiviteitsverlies bereikt minstens 1% van het bbp van de EU.

De nood aan een bredere visie wordt in de eerste plaats duidelijk bij de zorg die chronisch zieken krijgen. Het Belgische gezondheidssysteem biedt een kwaliteitsvolle aanpak van acute ziektebeelden dankzij de grote specialisatie, keuzevrijheid en toegankelijkheid. Voor chronisch zieken staan deze voordelen in sterk contrast met een zwakke geïntegreerde zorg. Dit betekent dat zorgverstrekkers uit verschillende disciplines de patiënt niet op voldoende gecoördineerde wijze adviseren. Diabetespatiënten hebben bijvoorbeeld vaak nood aan een diëtist, podoloog en endocrinoloog, maar als deze specialisten zich enkel met hun eigen zorgtaak bezighouden, leidt dit tot zorgversnippering. Het gevolg hiervan is een tegenstrijdige of onvolledige behandeling.

Risicofactoren

Om deze problematiek aan te pakken, opende het UZ Brussel in 2011 de eerste geïntegreerde Belgische diabeteskliniek. Ondanks dergelijke initiatieven, schiet de zorg nog steeds tekort volgens het Federaal Kenniscentrum voor Gezondheidszorg (KCE).

Naast het zorgsysteem, vormt gezondheidsbeleid een tweede illustratie van een te eenzijdige visie. Momenteel schenkt het beleid veel middelen aan zorg en behandeling van chronisch zieken, terwijl preventie slechts 2.1% van het gezondheidsbudget vormt. Bepaalde factoren beïnvloeden het risico op een chronische ziekte in de loop van ons leven.

De risicofactoren van de vier belangrijkste chronische ziekten zijn te scharen onder de noemer 'levensstijl', met ongezonde voeding, onvoldoende lichaamsbeweging en roken op kop. Een Britse studie uit 2015 toont aan dat wie deze drie risicofactoren combineert, zijn leven naar schatting met 23 jaar verkort. Preventief beleid probeert net deze blootstelling te minimaliseren en verdient hier een centrale rol. De Wereldgezondheidsorganisatie schat namelijk dat 40% van alle kankergevallen en 80% van type-2 diabetes en hart- en vaatziekten te voorkomen zijn door het vermijden van deze risicofactoren.

Gezondheidspromotie

Preventiebeleid kost uiteraard ook geld en niet alle preventiemaatregelen zijn even zinvol. Het screenen van alle 20-jarige vrouwen op borstkanker zou bijvoorbeeld meer kosten dan het opbrengt. Campagnes rond gezondheidspromotie kunnen wel kosteneffectief zijn aangezien ze vaak veel mensen bereiken aan een relatief lage kost. De uitdaging hierbij is het realiseren van effectieve gedragsverandering, wat uitermate complex blijft. Inzichten uit beleidsvelden zoals psychologie en gedragseconomie zijn cruciaal om de effectiviteit te verhogen. Gezondheidspromotie blijft volgens het KCE bovendien onderbenut. Dit terwijl er voldoende werk aan de winkel is met drie op vijf Belgen die de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid groenten niet eet en twee op drie die te weinig lichaamsbeweging uitoefent. Gezondheidscampagnes zijn echter geen voldoende maatregel: een breed preventief beleid omvat bijvoorbeeld ook fiscale drijfveren en gezondheidsbeleid in bedrijven.

Veelzijdig probleem

Ten slotte wordt dit preventiebeleid vaak enkel vanuit de gezondheidssector verwacht. Een bredere visie toont echter dat ook andere beleidsdomeinen preventieve gezondheidsbaten kunnen realiseren. Het voorbeeld bij uitstek is de problematiek rond luchtvervuiling, een hardnekkig gezondheidsrisico dat volgens het Europees Milieuagentschap jaarlijks 12 000 doden veroorzaakt in ons land. Wanneer beleid rond energie, klimaat en fiscaliteit de overgang naar hernieuwbare energie en elektrische voertuigen versnelt, daalt de uitstoot van schadelijke stoffen. De gezondheidsimpact van dergelijk beleid wordt te vaak vergeten in kosten-batenanalyses.

Kortom, chronische ziekten vormen een veelzijdig probleem met als vier grootste boosdoeners kanker, hart- en vaatziekten, diabetes en ademhalingsziekten. Een bredere aanpak van deze ziekten vereist integratie tussen zorgdisciplines, investeringen in preventiebeleid en gezondheidsbaten uit meerdere beleidsdomeinen. Actie op deze vlakken is cruciaal in het streven naar minder dan achttien ongezonde levensjaren.

Désirée Vandenberghe behaalde een master in Economische Wetenschappen aan de Universiteit Gent, waarvoor ze een semester in New York studeerde. Sinds 2015 werkt ze als doctoraatsstudent economie aan de Universiteit Gent en volgt ze een postgraduaat in welzijns- en gezondheidsmanagement aan EHSAL Management School. Haar onderzoek binnen gezondheidseconomie richt zich op de uitdagingen van chronische ziekten en de mogelijkheden van preventieve gezondheidszorg in een economische context. Ook het verband tussen milieu, gezondheid en economie vormt een belangrijke focus binnen haar onderzoek.