Je loopt over straat en een dwaas slingert je een belediging naar het hoofd. Wat doe je? Je kunt iets terugroepen. Of gesticuleren. Of de schouders ophalen en doorlopen. Wat je niet meer hoeft te doen, is duelleren. Ooit was dat anders. Schopenhauer beschrijft de middeleeuwse, ridderlijke erecode in zijn heerlijke boekje De kunst om zich aanzien te verschaffen. Die erecode vereist dat je elke belediging vergeldt. Want je eer hangt niet af van je karakter of je verdienste. Wel van wat anderen over jou beweren. Zelfs al vertellen ze onzin. In die tijd telden vuisten meer dan hersenen, noteert Schopenhauer. Een conflict escaleert dan ook snel: op een klap volgt een stokslag, daarop een zweepslag en spoedig moet je de ander neersabelen of neerschieten.
...

Je loopt over straat en een dwaas slingert je een belediging naar het hoofd. Wat doe je? Je kunt iets terugroepen. Of gesticuleren. Of de schouders ophalen en doorlopen. Wat je niet meer hoeft te doen, is duelleren. Ooit was dat anders. Schopenhauer beschrijft de middeleeuwse, ridderlijke erecode in zijn heerlijke boekje De kunst om zich aanzien te verschaffen. Die erecode vereist dat je elke belediging vergeldt. Want je eer hangt niet af van je karakter of je verdienste. Wel van wat anderen over jou beweren. Zelfs al vertellen ze onzin. In die tijd telden vuisten meer dan hersenen, noteert Schopenhauer. Een conflict escaleert dan ook snel: op een klap volgt een stokslag, daarop een zweepslag en spoedig moet je de ander neersabelen of neerschieten. Gelukkig is dat voorbij. Je aanzien hangt niet af van je gewelddadige reactie op een belediging, dus ook niet van hoeveel vrees je inboezemt. Nee, je verdient een goede reputatie als je te vertrouwen valt. Zodra je betrapt wordt op leugens of kwaadsprekerij, beschadig je je eigen reputatie. Als iemand jou beschuldigt, moet die persoon zijn beweringen kunnen staven. Feiten spelen een doorslaggevende rol. Want je kunt een klacht indienen voor laster en eerroof. Tegelijkertijd kun je je meningen, ideeën en kritieken veel vrijer delen dan vroeger. Persoonlijke beledigingen kunnen juridisch worden vervolgd. De wetgever beschermt je tegen willekeurige of op roddels gebaseerde beschuldigingen die tegen jou persoonlijk zijn gericht. Daarnaast zijn er bepalingen tegen seksisme en discriminatie. De antiseksismewet maakt uitspraken strafbaar als ze minachtend en vernederend zijn, en ze iemand reduceren tot zijn of haar geslacht. Bijvoorbeeld wanneer je een vrouw uitmaakt voor 'slet'. De antidiscriminatiewetgeving maakt uitlatingen strafbaar als ze met kwaadwillige intenties aansporen tot discriminerend of haatdragend gedrag. Ook die uitlatingen moeten persoonlijk zijn. Algemene uitspraken over vrouwen, bijvoorbeeld, zijn niet strafbaar. Die regeling probeert een evenwicht te bewaren tussen persoonlijke bescherming en meningsvrijheid voor iedereen. Recent is er een andere evolutie: onder beledigingen zouden ook ongewenste meningen vallen, en die zouden moeten worden bestraft of verboden. Zeg je vrijuit wat je denkt over een geloof of over vrouwen? Dan riskeer je een beschuldiging van discriminatie. Die wending is nefast: ze dreigt de eigenwaarde opnieuw afhankelijk te maken van iemands gratuite uitingen. Moet ik me bijvoorbeeld beledigd voelen als een man vrouwonvriendelijke grapjes maakt, en eisen dat hij wordt vervolgd? Nee, want dan ervaar ik algemene uitlatingen als persoonlijke krenkingen. En lijkt het alsof mijn reputatie afhangt van wat iemand uit domheid, vooroordeel, frustratie of verlangen tot provocatie beweert. Terwijl ik vind dat een willekeurige ander mij juist niet kan bepalen. Indien ik een officiële of juridische genoegdoening eis, overschat ik dus ironisch genoeg zo'n praatjesmaker: hij krijgt onterecht greep op mijn aanzien. Zulke persoonlijke gevoeligheid voor algemene uitspraken heeft ook een keerzijde: stel dat elke mening die voor iemand kwetsend zou kunnen overkomen, strafbaar wordt. Je wordt dan schuldig aan kwetsende of beledigende taal, zodra iemand jouw woorden kwaadaardig interpreteert. Je eigen handeling en intentie tellen niet meer. Je kunt niet meer openhartig spreken. Ik weet het, veel vrijheid is lastig. Maar als ik over straat loop en iemand maakt neerbuigende opmerkingen, dan denk ik aan Socrates. Een gesprekspartner vroeg hem of een lasteraar hem had beledigd. Socrates antwoordde rustig: 'Nee, want wat die man zegt, slaat niet op mij.' Zo is het: een gratuite belediging bezoedelt wie haar uitspreekt, niet wie haar ontvangt.