De baby-en peuteropvang in Vlaanderen en Brussel heeft een belangrijke stap vooruit gezet. Voor het eerst werd de pedagogische kwaliteit van de opvang op een uniforme wijze gemeten. De erkenning van de pedagogische functie van de kinderopvang is hiermee een feit. Dat is positief. Kinderopvang is meer dan oppassen op kinderen wanneer mama en papa aan het werk zijn. Voor de Gezinsbond tonen de resultaten aan dat de Vlaamse overheid moet investeren in kleinere leefgroepen en minder kinderen per begeleider.

Er is voldoende bewijs voor het belang van goede kwaliteit voor de ontwikkeling van kinderen op lange termijn. Ook omgekeerd is er helaas een verband: slechte kinderopvang schaadt. Niet verwonderlijk, want kinderen maken in hun eerste levensjaren een enorme evolutie in hun ontwikkeling door. Wetenschappelijk onderzoek toont ook het belang van de eerste levensjaren aan. En net in deze periode gaat één op de twee van onze kinderen naar de opvang. Goede pedagogische kwaliteit is dus geen luxe, maar een noodzaak.

Meer ondersteuning en een duidelijk kader

De meting naar de pedagogische kwaliteit komt niet uit de lucht gevallen. In 2014 was het nieuwe decreet 'opvang van baby's en peuters' al heel expliciet over de pedagogische functie van de kinderopvang. Iedere opvang kreeg de opdracht om die kwaliteit ook echt te waarborgen. De inspectie controleerde hen daar ook op en opvangvoorzieningen kregen extra middelen. De bedoeling was vooral dat geen enkele opvang nog geïsoleerd zou werken, zonder ondersteuning op pedagogisch vlak.

Maar een eenvormig kader ontbrak. In 2015 kwam de volgde stap: op initiatief van Kind en Gezin ontwikkelden de Universiteit Gent en de KU Leuven samen met de kinderopvangsector, het onderwijs, experten en vertegenwoordigers van de ouders (dus ook de Gezinsbond) een pedagogisch raamwerk. Dat raamwerk omschrijft de pedagogische kwaliteit tot in detail. Het is de basis van het instrument dat de metingen naar de pedagogische kwaliteit in de Vlaamse kinderopvang doet. Tegelijkertijd kwamen er een instrument voor inspectie en een instrument voor zelfevaluatie van de opvang, opnieuw volgens dezelfde principes.

Positieve sfeer, maar verveling loert om de hoek

De meeste baby's en peuters voelen zich goed in de opvang. Er heerst een positieve sfeer, baby's en peuters krijgen hun portie liefde en aandacht. De opvang kent over het algemeen een goed organisatie en heeft structuur. Er is geen verschil in de kwaliteit tussen onthaalouders en kinderdagverblijven. Over het algemeen zijn ouders heel tevreden, zeker als ze uit meer dan één opvang hebben kunnen kiezen. Alle types gezinnen vinden pedagogische kwaliteit belangrijk vinden én in dezelfde mate, ongeacht hun gezinssamenstelling, etnische afkomst of inkomen.

De meting geeft ook minder goed nieuws. Baby's en peuters leren over het algemeen te weinig in de opvang. Activiteiten zijn niet gevarieerd genoeg en dagen de kinderen niet genoeg uit. De begeleiders babbelen niet genoeg met de kinderen, vooral een probleem voor de anderstalige kindjes of kindjes die niet zo taalvaardig zijn. Sommige kinderen vervelen zich in de opvang. Uitstapjes en buitenspel komen te weinig voor. Diversiteit krijgt te weinig aandacht in de werking. Ook wordt opnieuw bevestigd: hoe groter de groepsgrootte en hoe meer kinderen per begeleider, hoe slechter de pedagogische kwaliteit in de opvang. Logisch ook, wie kan er nu voldoende aandacht en leerkansen geven aan veel kinderen tegelijk in een drukke en stresserende omgeving?

Ouders krijgen voldoende info over hun kindje en zijn ontwikkeling. Maar de informatie en betrokkenheid bij de werking van de opvang als geheel kunnen nog beter. Hoe meer de opvang ouders betrekt, hoe beter de ouders én dus ook hun kinderen zich voelen. Ouders krijgen zelden informatie over de buurt en andere activiteiten voor jonge kinderen. Nochtans is dat een geknipte rol voor de opvang. Tot slot opnieuw de vaststelling dat ouders met een lager inkomen en ouders met een migratieafkomst het zoekproces naar opvang veel stresserender ervoeren. Ze hadden uiteindelijk minder keuzemogelijkheden wat hun tevredenheid negatief beïnvloedt.

Aantal kinderen per begeleider moet naar beneden

Die meting die nu is afgenomen, wordt her en der een nulmeting genoemd. Met andere woorden: ze moet binnen paar jaar herhaald worden. Dan wordt ook duidelijk welke invloed de inspanningendie de Vlaamse kinderopvang nu doet, zal hebben op de kwaliteit. De Gezinsbond trekt alvast een belangrijke conclusie uit de resultaten: het aantal kinderen per begeleider moet naar beneden én de groepsgroottes mogen zeker niet stijgen. Op korte termijn moeten we gaan naar maximaal zes kinderen per begeleider, en op lange termijn naar vier en zelfs naar minder als er ook baby's bij zijn. Dat is wat wij ook al jaren vragen. Het is ook geen overdreven regeldrift om te eisen dat leefgroepen ook in aparte ruimtes worden opgevangen. De meting toont aan dat zulke zaken er wél toe doen.

Lutgard Vrints is sociologe en werkt op de studiedienst van de Gezinsbond.