In het boek van Littell getuigt de voormalige SS-officier Max Aue over zijn leven en daden. Waren uw Joodse roots een reden om deze regieopdracht te geven?
...

In het boek van Littell getuigt de voormalige SS-officier Max Aue over zijn leven en daden. Waren uw Joodse roots een reden om deze regieopdracht te geven? Aviel Cahn: Niet zozeer. Ik wilde vooral nog eens met Calixto Bieito samenwerken. In 2011 voerde hij bij Opera Vlaanderen Kurt Weills Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny op, in 2014 regisseerde hij Lady Macbeth uit het district Mtsensk van Dmitri Sjostakovitsj en in 2015 creëerde hij met Tannhäuser bij ons zijn eerste Wagnerproductie. Ik wilde nog een wereldcreatie met hem maken. We dachten aan een operaversie van Quentin Tarantino's western The Hateful Eight. Maar Tarantino stond op de rem. We kregen de opvoeringsrechten niet. Toen stelde ik Littells roman voor. Toneelhuis heeft het werk in 2016 geënsceneerd, dus u wist dat Littell openstond voor zulke vragen. Cahn: Toch was het geen sinecure om de rechten te krijgen. Hij vreesde voor een platonische opera en stelde daarom strenge eisen. In het decor mogen er bijvoorbeeld geen swastika's of verwijzingen naar nazi-uniformen voorkomen. Hij wil terecht vermijden dat het een geschiedenisles over het naziregime wordt. Bieito kiest daarom voor een erg 'fysieke' regie in een vrij sober decor. Al zweeft er wel een piano door de lucht. Het boek telt 978 pagina's. Hoe destilleerde librettist Händl Klaus daar een tekst uit? Cahn: Max Aue vertelt zijn verhaal. Klaus focust daarbij op de grote momenten. Precies om te voorkomen dat het verhaal louter een historische uiteenzetting wordt. Dit stuk is een wake-upcall. De opgang van het populisme en het nationalisme vertoont parallellen met wat in het begin van de twintigste eeuw is gebeurd. Daar moeten we alert voor zijn. Opera is daarbij een uitstekend hulpmiddel. Het dwingt je dankzij de muziek tot reflectie en introspectie. In het boek spreekt een moordenaar met een geweten. Dat vertaalde componist Hèctor Parra naar een afwisseling van dramatische passages waarin hij het volledige orkest inzet en meer atmosferische muziek. Er zijn ook verwijzingen naar het werk van Bach, uiteraard. Littell vernoemde elk hoofdstuk naar een deel van een partita van Bach: Toccata is de naam van het eerste hoofdstuk, Gigue de naam van het laatste hoofdstuk. Dat hoofdstuk eindigt zo: 'Ineens voelde ik de volle last van het verleden, van de pijn die hoort bij het leven en bij de onontkoombare herinnering.' Verlaat het publiek met dat gevoel de zaal? Cahn: Ik hoop het niet. Ik wil dat het publiek voelt dat dit opnieuw kan gebeuren. Na Antwerpen en Gent speelt de opera in Madrid en daarna op dé perfecte plek voor dit verhaal: Nürnberg. In Genève, waar ik vanaf juli Le Grand Théâtre zal leiden, komt de productie niet. Zwitserland speelde tijdens de Tweede Wereldoorlog een andere rol dan België en het publiek is er nog niet klaar voor zulke eigenzinnige creaties. Het publiek in Vlaanderen is daar wel klaar voor, ja. Daar heb ik de afgelopen tien jaar aan gewerkt. (lacht)