Mag ik u even in vertrouwen nemen, beste lezer? Al bijna tien jaar werk ik bij dit prachtige blad, en al die tijd heb ik het angstvallig voor mezelf gehouden. Maar de voorbije weken tors ik mijn geheim met immer toenemende benauwing, en drukt het gewicht ervan me steeds snijdender op de schouders.
...

Mag ik u even in vertrouwen nemen, beste lezer? Al bijna tien jaar werk ik bij dit prachtige blad, en al die tijd heb ik het angstvallig voor mezelf gehouden. Maar de voorbije weken tors ik mijn geheim met immer toenemende benauwing, en drukt het gewicht ervan me steeds snijdender op de schouders. Ook ik was ooit een cantusganger, beste lezer. Ja, ooit tooiden wij ons in kiel en lint. Ja, wij hebben profane gezangen aangeheven, sommige in het Duits. Wij hebben op tafels gestaan, schunnigheden verkocht, keukenlatijn verhaspeld, burgerlijke ongehoorzaamheid getoond, onwelvoeglijke opmerkingen gemaakt die ingaan tegen etiquette en opvoeding. En ja, het is wel eens gebeurd dat we bij het ochtendgloren de durum-met-looksaus van de avond voordien opnieuw mochten begroeten. U zult begrijpen dat ik daar niet mee te koop loop, beste lezer. De weinige keren dat het onder collega's over het nobele instituut van de studentencantus gaat, wordt het aloude gebruik onthaald op misprijzen en meewarigheid. Suggereer ik voorzichtig dat ik als student wel eens meedeed aan dergelijke ongein, dan kijken ze me aan alsof ik net geboerd heb tijdens het Te Deum. Eén man draagt daarvoor de schuld: Erik Van Looy. Die maakte in 1993 Ad fundum, een film over het Leuvense studentenleven waarin studenten onophoudelijk zuipen en onrealistisch goede seks hebben. Zoals Van Looy later vergeetachtige huurmoordenaars en overspelige veertigers uit de vastgoedbusiness een slechte naam zou bezorgen, zo bepaalde Ad fundum hoe een groot deel van Vlaanderen nog altijd naar dat studentenleven kijkt. Het is de voorbije tien jaar niet meegevallen om het potje gedekt te houden. Meermaals sloeg mij de schrik om het hart wanneer een voormalige medecantusser plotseling een collega werd op de redactie. Als voormalig Blandijnbergstudent - op die heuvel ligt de faculteit Letteren en Wijsbegeerte - waren we in zekere zin natuurlijk de lulletjes rozenwater van het Gentse studentenleven. Dat neemt niet weg dat niet alle feiten op het moment van schrijven al verjaard zijn. Steevast heb ik die medestudenten van weleer op hun eerste werkdag apart genomen en hen erop gewezen dat ongegronde verhalen over braspartijen schuren met de familiale inslag van ons beminde bedrijf. ' Als ze het van mij niet moeten weten, moeten ze het van u ook niet weten', parafraseerde ik een oude studentikoze wijsheid, waarop steevast een blik van verstandhouding volgde. Over ons gemeenschappelijke liederlijke leven werd met geen woord gerept. Maar de tijden veranderen, en actuele gebeurtenissen dwingen mij open kaart te spelen. Begin april werd immers aangekondigd dat er een nieuwe studentencodex komt. De oude codex, die de voornaamste liedjesteksten verzamelt, bevat namelijk tal van passages die niet meer van deze tijd zijn. Er is Polly Wolly Doodle, het Amerikaanse lied waarin het woord ' nigger' is opgenomen. Er zijn oude Vlaamse liedjes waarin de pedagogische tik wordt bezongen, de huwelijkse trouw in twijfel wordt getrokken en twijfels worden geplaatst bij het vermogen van vrouwen om autonoom te voorzien in hun eigen levensonderhoud. En dus smeden tal van studentenverenigingen tegenwoordig plannen om passages aan te passen of weg te laten. In Antwerpen wordt bij bepaalde gecontesteerde liederen een begeleidend tekstje opgenomen dat de ontstaansgeschiedenis kadert. Meer nog, bepaalde kringen hebben al vergevorderde plannen om ook de 'vrije versies' die studenten ter plaatse improviseren te reguleren, zodat er zeker geen ongepaste opmerkingen worden overgebracht. Op dit moment behoor ik als blanke, hoogopgeleide, cisgender man met koophuis en bedrijfswagen te schreeuwen dat de politieke correctheid om zich heen grijpt. Dat de woke generatie met toortsen en rieken voor de poort staat om de Vlaamse student zijn cantusplezier af te nemen. Dat doorgeslagen politieke correctheid die schone traditie wil affakkelen! Mogen we dan werkelijk niets meer? Ik vrees dat ik u ook hier zal moeten teleurstellen. De voornaamste reden daarvoor is dat de cancel culture in Vlaanderen eigenlijk niet bestaat. Ja, er verschijnt wel eens een column waarin met Amerikaanse termen wordt gegoocheld, er wordt wel eens nagedacht over de vraag of Pippi Langkous geen stickertje behoeft, en er is wel eens een standbeeld van Leopold II dat een likje rode verf vangt, maar het is niet zo dat het maatschappelijke debat over kolonialisering en discriminatie hier met rasse schreden vooruitgaat. Integendeel: Jean-Marie Dedecker heeft nog altijd een column op Knack.be, we veinzen nog altijd interesse wanneer Michel Houellebecq een boek schrijft, en Vlamingen van Afrikaanse origine moeten nog altijd uitleggen waarom ze het n-woord liever niet horen. Politieke correctheid is als ritsen op de autosnelweg, lunchen na 13 uur en ruimtelijke ordening: concepten die in menig land gemeengoed zijn maar in Vlaanderen stoten op rotsige bodem. 'Politieke correctheid' is in Vlaanderen een kreet van gesjeesde columnisten en ex-rectoren die het recht opeisen om niet tegengesproken te worden. In een land waar de kerstspecial van F.C. De Kampioenen 2,3 miljoen kijkers lokt, heeft de cancelcultuur geen kans. Die wijzigingen waarover onze Vlaamse studenten zich buigen, leiden natuurlijk wel tot een andere prangende vraag: wat deed jij daar, Jeroen Zuallaert? Heb jij tijdens al die cantussen deelgenomen aan dergelijke baldadigheden? Hield jij de hand op het hart terwijl de Vlaamse Leeuw weerklonk? Heb ook jij medestudentes beschuldigd van lichtekooierij? Heb jij Duitse liederen meegebruld die ook door SS'ers werden aangeheven? Weten je ouders daarvan? Vertel jij dat later aan jouw bloedjes van kinderen? Om mezelf de moeite te besparen, zou ik hier kort op kunnen antwoorden (ja, nee, ja, ja, ja, hou het alstublieft stil). Maar tegelijk voel ik me geroepen om enkele misverstanden uit de wereld te helpen. Vooreerst wil ik tegenspreken dat cantussen draaien om maximale alcoholopname. De geoefende cantusser mikt op het dronkemansomslagpunt: het niveau van drankinname waarbij je voldoende geïntoxiceerd bent om je te vergewissen van je kennelijke toestand, maar nuchter genoeg om toch een minimale coördinatie van lijf en ledematen te behouden. Het dronkemansomslagpunt is de toestand waarbij welopgevoede jongens hun uiterste best doen om de slapende huisgenoten niet wakker te maken, en in die oprechte inspanning per ongeluk de vier fietsen in het gangpad omverduwen. Het is de gesteldheid waarin je feilloos de openingszin van de eeuw bedenkt voor het meisje op wie je al even een oogje hebt, waarna je vijf minuten ver in het gesprek vaststelt dat je haar naam bent vergeten. Het dronkemansomslagpunt is een volmaakt authentieke spaghetti carbonara koken, en dan een mes gebruiken bij het eten. Ten tweede is het een volslagen misverstand dat bij cantussen kadaverdiscipline heerst. Integendeel: op een goed geleide cantus wordt het gezag van de leidinggevenden voortdurend op slinkse wijze in twijfel getrokken. Zoals de goede herder dient een senior streng maar rechtvaardig op te treden. Wie liefheeft, spaart immers de roede niet. Maar op een cantus geldt ook dat wie enkel de roede hanteert, slechts dronken anarchie creëert. Mag het verbazen dat zo veel Vlaamse politici en ondernemers een kloek cantusverleden hebben? Bart De Wever, Theo Francken, Bart Somers, Hendrik Bogaert, Marc Coucke, Ignace Crombé: allen hanteerden ze ooit pot en hamer. Waar leer je meer over hoe macht werkt dan op een drinkgelag vol haantjesgedrag, welsprekendheid en profileringsdrang?Een cantus leert dat macht geen formeel gegeven is, en dat sommige drinkebroers gelijker zijn dan anderen. Zelfs in gammele zaaltjes waarin luid brullende studenten tot in hun nek in de drank hangen, kan een preses moeilijk ingaan tegen de vox populi. De cantuszaal is een plek waar vrijbuiters die het volk op handen krijgen de verhoudingen kunnen omdraaien en de officiële machthebbers in hun blootje zetten. Achteraf gezien is het leiden van een cantus een prima voorbereiding op het tijdperk waarin iedereen een Twitteraccount kan aanmaken en iets onsamenhangends kan schreeuwen. Een cantus is als een liberaal partijcongres: soms juichen je medestanders je zegedronken toe, en soms sta je slechts in lompen gehuld in het middelpunt van de spot. Ten derde is het ondenkbaar dat een cantus kan functioneren zonder een gedegen portie vetzakkerij in de betekenis van Het Peulengaleis: schunnige opmerkingen over lichaamsvormen, geslachtsorganen en relationele omgangsvormen. In mijn cantusverleden heb ik veel gezien, beste lezer. Ik heb commilitones gezien die op water (!) cantusten. Ik heb cantussen gezien waarbij de regels voor toiletbezoek met de voeten werden getreden. Er zijn cantussen geweest die in een grote, virologisch onverantwoorde groepsknuffel zijn geëindigd en cantussen waarbij een ongepaste vrije versie een einde maakte aan jarenlange vriendschappelijke relaties. Ik heb disgenoten gezien die de cantuszaal gebruikten als een soortement datingbureau. Maar nooit of te nimmer heb ik een geslaagde cantus gezien waar géén vetzakkerij aan te pas kwam. Laat het n-woord dus achterwege, beste studenten, maar spaar de vetzakkerij. Wat is het leven in een samenleving anders dan voortdurend spelen met registers? Vetzakkerij is een stijlfiguur tegen hypocrisie, een maatschappelijk bindmiddel om onwelvoeglijkheden te benoemen. Zoals bepaalde middeleeuwse religieuze teksten de doodzonden van dit ondermaanse tot in de meest perverse details beschreven om hun publiek zéker op het rechte pad te houden, zo dienen schunnige opmerkingen net om ons van dergelijk gedrag te weerhouden. Is een cantus per slot van rekening niet ook een safe space? Is een cantus in zekere zin geen plek waar de brave burgers van morgen onder het mom van dronkenschap hun verbale wellusten kunnen botvieren? Waar ze de illusie kunnen koesteren dat iemand naar hen luistert wanneer ze 'het eens goed zeggen'? Voor menige pantoffelheld in de dop is dat de ideale voorbereiding op huwelijk en gezinsleven. Als je één ding leert op een cantus, is het wel dat het soms geen kwaad kan om gewoon eens je bek te houden. Als heraut van het vrije woord ben ik natuurlijk voor elke denkbare vorm van ruchtbaarheid, glasnost en transparantie. Er kunnen niet genoeg taboes doorbroken worden, en er is nog nooit een prangend maatschappelijk probleem opgelost door het dood te zwijgen. Dat neemt niet weg dat het soms, heel soms, wel eens helpt om je bek te houden. Wanneer je vrouw tijdens de bevalling haar twaalfde uur arbeid ingaat, is het géén moment om over de nieuwe rechtsback van Anderlecht te beginnen. Wanneer je schoonvader een glorificatie van de christendemocratie aanheft, is het niet het moment om het over de laatste verkiezingsuitslag te hebben. Wanneer een Vlaming met buitenlandse roots vertelt over discriminatie, is het niet het moment om te vertellen over een zwarte vriend die het prima stelt in zijn dorpse verkaveling. Laten we tot slot ook niet vergeten dat cantussen wel degelijk een vorm van immaterieel erfgoed zijn. Toen mijn grootvader zaliger er indertijd lucht van kreeg dat zijn kleinzoon wel eens van cantus ging, riep hij me gedecideerd bij zich. Mijn grootvader, een toegewijde, diepgelovige katholiek, die zijn kleinkinderen te allen tijde ijver, ambitie en ernst in studie en professie voorhield, spiedde even in het rond om zich ervan te vergewissen dat niemand ons gesprek kon volgen, en begon spontaan te vertellen over hoe hij als senior zijn Aarschotse medestudenten tot dronkenschap had geïnspireerd. De vaste formuleringen, de spreuken, de bestraffingen en de niet-deliberatieve structuur van het hele gebeuren bleken sinds de jaren vijftig nagenoeg intact. Hoewel ik mijn grootvader nooit op vetzakkerij heb betrapt, twijfel ik er niet aan dat ook hij die stijlfiguur bijwijlen heeft bedreven. Overigens was mijn grootvader wel zo slim om nooit in detail te treden over wat hij allemaal had uitgevoerd. Vermoedelijk was de verjaringstermijn ook op gevorderde leeftijd nog niet helemaal verstreken. Nee, wij schamen ons nergens voor, beste lezer. In ons diepste binnenste zijn we nog altijd kroegtijgers in vol paarseizoen, belust op leute en lach. Nog altijd gebruiken wij onironisch woorden als 'gerstenat'. Nog altijd zijn wij immer bereid om het spreekwoordelijke zwijn door de bieten te jagen. Maar tegelijk zijn we ondertussen natuurlijk een dagje ouder, moeten er nog mails beantwoord worden, hypotheken afgelost en moestuinen omgespit, en is het morgen weer vroeg dag. Er komt een leeftijd - en die is tot mijn spijt niet eens zó vergevorderd - waarop een weekendje Center Parcs óók gezellig kan zijn. En dus voldoen wij aan onze burgerplicht, sorteren wij ons afval, overwegen we een abonnement bij de dichtstbijzijnde padelclub en zwijgen wij ons cantusverleden dood. Laat niemand u ooit wijsmaken dat cantussen en tooghangen de hoekstenen zijn van het studentenleven. Het allermooiste aan het studentenleven is niet het onbetamelijke feesten na al dan niet verrichte intellectuele arbeid. Het zijn niet de wisselende amoureuze contacten, toogwijsheden of de studentikoze kwajongensstreken die je het meest zult koesteren. Het mooiste aan het studentenleven is de vergetelheid: het besef dat zodra het voorbij is niemand nog weet hoeveel pinten je kon drinken, hoe hoog je kon plassen, welke Duitse liedjes je zong of waar dat verkeersbord op zolder vandaan komt. En dat je er zelf niet meer aan herinnerd wilt worden.