Het stond in alle gazetten: Fernand Huts heeft een toren gekocht. De Boerentoren. En die gaat hij vol kunst en cultuur proppen. Aan de uiterste linkerzijde wordt moord en brand geschreeuwd over deze hold-up op het publieke karakter van museumcollecties, aan de rechterzijde wordt er gejuicht dat 'hardwerkende Vlamingen' zoals Huts hun schone collectie aan de mensen gaan tonen. Mogelijk denken ze erbij dat daarmee ook wat bespaard kan worden op publieke middelen voor het behoud van ons cultureel patrimonium.

Ik heb zitten tobben over de Huts Tower. Wat er alvast over gezegd kan worden, is dat Antwerpen redelijk laat geconfronteerd wordt met de privatisering van de museumsector. Wereldwijd is het aantal private musea de afgelopen twee decennia geëxplodeerd. In die mate zelfs dat wereldwijd de private museumruimtes de publieke museumruimtes in omvang overtreffen. Het Louis Vuitton museum in Parijs is een gekend voorbeeld. Dat is ook een erg mooi museum. Wellicht is de belangrijkste verklaring daarvoor de groeiende ongelijkheid. Het aantal superrijken is de afgelopen twintig jaar gigantisch gestegen. Die mensen moeten iets doen met hun fortuin. Kunst geeft hen prestige, imago en de uitstraling van een zeker intellectualisme, dat schril afsteekt tegen de brutaliteit van hun dagelijkse werk, dat er, in het geval van Huts bijvoorbeeld, in bestaat om bijvoorbeeld de rechten van havenarbeiders te beknotten en handig de belastingen te omzeilen.

Antwerpen wordt redelijk laat geconfronteerd met de privatisering van de museumsector.

Sommigen onder hen hebben echter wel degelijk een goede smaak en investeren in kunst. Dat is wellicht ook het geval bij Huts en zeker en vast bij zijn echtgenote Karine Van den Heuvel, de drijvende kracht achter de collectie. Ze bouwen indrukwekkende privécollecties uit die ze dikwijls parkeren in stichtingen - ook Huts heeft zo'n stichting - waarvoor allerlei belastingvoordelen kunnen gelden, of die gevestigd zijn in belastingsparadijzen. Het gaat hier niet over witwassen of greenwashing, maar over een culturele wasbeurt van een deel van hun fortuin. Een stuk van de analyse over de boomende privé musea in de hele wereld heeft inderdaad met ongelijkheid te maken. Met macht ook. Cultuur schurkt nauw aan tegen identiteit en met hun fabelachtige privé-collecties vormen de superrijken voor een stuk de culturele identiteit van naties. Ze geven als het ware persoonlijk vorm aan de kunstgeschiedenis van onze tijd en bepalen wat kunst is en wat niet, welke kunstenaars torenhoge prijzen halen en welke in het verdomhoekje terecht komen.

Dat is de negatieve lezing van het verhaal. Die klopt voor een groot deel ook wel. Ik heb me gedwongen om ook een positieve lezing te maken. Sommige steenrijke collectioneurs zijn écht wel begaan met kunst. Neem nu de Ibex collectie. Die werd opgericht door de Duitse aristocraat Albrecht Von Stetten, die zijn fortuin vergaarde in de landbouwsector en in 2013 al zijn bedrijven verkocht. Hij begon kunst te verzamelen en leidt nu de zogenaamde Ibex collectie, die een verzameling van super-realistische hedendaagse kunst opbouwt. Ibex laat super-realisten hun 'meesterwerk' maken. Geld en tijd spelen geen enkele rol. Een aantal hedendaagse topkunstenaars krijgt daardoor de kans om werken te maken, die ze anders nooit hadden kunnen verwezenlijken. In de Europese 'publieke' kunstscène wordt hedendaags realisme immers nog steeds - een geheel ten onrechte- beschouwd als een 'achterlijke kunstvorm'. Enkel een privaat initiatief slaagt er in om het radicaal eigentijds realisme weer op de kaart te zetten. Op die manier wordt in Europa een bijzondere collectie van hedendaags super-realisme opgebouwd, iets wat ondenkbaar zou zijn met publieke middelen.

Er heeft trouwens altijd wel een verband bestaan tussen kunstproductie en rijkdom. Veel van de werken die in publieke musea hangen, behoorden ooit tot de verzamelingen van rijke lieden. Dergelijke verzamelingen hebben nooit de ambitie gehad om een soort objectief historisch overzicht van het kunstpatrimonium te bieden, maar zijn vaak eigenzinnige verzamelingen die de persoonlijke voorkeur van de collectioneur weerspiegelen. Ook dat maakt deel uit van de kunstgeschiedenis. Rijke verzamelaars gaan ooit dood en ze maken zich wel degelijk zorgen om hun collectie. Die bepaalt immers hun imago en hun identiteit of zelfs de herinnering die ze willen nalaten.

Wie zal zich binnen pakweg vijftig jaar nog havenbaas Huts herinneren? Geen kip uiteraard. Maar kunstmaecenas Huts en zijn Antwerps museum in de Boerentoren maken véél meer kans om in de herinnering gebrand te worden. Erfgenamen van eigentijdse verzamelaars kunnen geen belangstelling hebben voor kunst en dan gaat het levenswerk van hun voorouders verloren en raakt het verspreid via veilingen. Om die reden schenken verzamelaars soms hun collectie aan publieke musea, al dan niet met voorwaarden die meestal financieel in hun voordeel zijn. Het blijven lepe sloebers natuurlijk. Een eigen privé-museum kan eveneens hun collectie veilig stellen. Ze behouden dan de controle én ze zijn vaak in staat - precies omdat ze steenrijk zijn - om betere museale en conserveringscondities te garanderen dan publieke musea.

De privé-musea dagen de publieke musea ook uit. Precies omdat ze geld hebben en imago-opbouw een belangrijke doelstelling is, kunnen en willen ze investeren in een innovatieve aanpak die ook voor publieke musea inspirerend kan werken. Niet alles aan die privé-musea is per definitie negatief, al blijft de vaststelling dat ze allemaal het gevolg zijn van ongelijkheid. De boom van privé-musea zou niet mogelijk zijn geweest, als er niet een kleine club van steenrijken zou bestaan.

Wat de Boerentoren en de kunstcollectie die er in gehuisvest zal worden betreft, is het voorlopig uiteraard koffiedik kijken. We weten het gewoon niet. Wordt het een ordinaire verkoop of verhuur van peperdure luxe appartementen en sjieke winkels, met hier en daar wat kunst en cultuur als opsmuk, of heeft Huts echt ambitie om iets groots te verwezenlijken? Ik heb er geen idee van. Wat ik wel weet is dat hij met zijn fikken van de dokwerkers moet blijven.

Het stond in alle gazetten: Fernand Huts heeft een toren gekocht. De Boerentoren. En die gaat hij vol kunst en cultuur proppen. Aan de uiterste linkerzijde wordt moord en brand geschreeuwd over deze hold-up op het publieke karakter van museumcollecties, aan de rechterzijde wordt er gejuicht dat 'hardwerkende Vlamingen' zoals Huts hun schone collectie aan de mensen gaan tonen. Mogelijk denken ze erbij dat daarmee ook wat bespaard kan worden op publieke middelen voor het behoud van ons cultureel patrimonium. Ik heb zitten tobben over de Huts Tower. Wat er alvast over gezegd kan worden, is dat Antwerpen redelijk laat geconfronteerd wordt met de privatisering van de museumsector. Wereldwijd is het aantal private musea de afgelopen twee decennia geëxplodeerd. In die mate zelfs dat wereldwijd de private museumruimtes de publieke museumruimtes in omvang overtreffen. Het Louis Vuitton museum in Parijs is een gekend voorbeeld. Dat is ook een erg mooi museum. Wellicht is de belangrijkste verklaring daarvoor de groeiende ongelijkheid. Het aantal superrijken is de afgelopen twintig jaar gigantisch gestegen. Die mensen moeten iets doen met hun fortuin. Kunst geeft hen prestige, imago en de uitstraling van een zeker intellectualisme, dat schril afsteekt tegen de brutaliteit van hun dagelijkse werk, dat er, in het geval van Huts bijvoorbeeld, in bestaat om bijvoorbeeld de rechten van havenarbeiders te beknotten en handig de belastingen te omzeilen.Sommigen onder hen hebben echter wel degelijk een goede smaak en investeren in kunst. Dat is wellicht ook het geval bij Huts en zeker en vast bij zijn echtgenote Karine Van den Heuvel, de drijvende kracht achter de collectie. Ze bouwen indrukwekkende privécollecties uit die ze dikwijls parkeren in stichtingen - ook Huts heeft zo'n stichting - waarvoor allerlei belastingvoordelen kunnen gelden, of die gevestigd zijn in belastingsparadijzen. Het gaat hier niet over witwassen of greenwashing, maar over een culturele wasbeurt van een deel van hun fortuin. Een stuk van de analyse over de boomende privé musea in de hele wereld heeft inderdaad met ongelijkheid te maken. Met macht ook. Cultuur schurkt nauw aan tegen identiteit en met hun fabelachtige privé-collecties vormen de superrijken voor een stuk de culturele identiteit van naties. Ze geven als het ware persoonlijk vorm aan de kunstgeschiedenis van onze tijd en bepalen wat kunst is en wat niet, welke kunstenaars torenhoge prijzen halen en welke in het verdomhoekje terecht komen.Dat is de negatieve lezing van het verhaal. Die klopt voor een groot deel ook wel. Ik heb me gedwongen om ook een positieve lezing te maken. Sommige steenrijke collectioneurs zijn écht wel begaan met kunst. Neem nu de Ibex collectie. Die werd opgericht door de Duitse aristocraat Albrecht Von Stetten, die zijn fortuin vergaarde in de landbouwsector en in 2013 al zijn bedrijven verkocht. Hij begon kunst te verzamelen en leidt nu de zogenaamde Ibex collectie, die een verzameling van super-realistische hedendaagse kunst opbouwt. Ibex laat super-realisten hun 'meesterwerk' maken. Geld en tijd spelen geen enkele rol. Een aantal hedendaagse topkunstenaars krijgt daardoor de kans om werken te maken, die ze anders nooit hadden kunnen verwezenlijken. In de Europese 'publieke' kunstscène wordt hedendaags realisme immers nog steeds - een geheel ten onrechte- beschouwd als een 'achterlijke kunstvorm'. Enkel een privaat initiatief slaagt er in om het radicaal eigentijds realisme weer op de kaart te zetten. Op die manier wordt in Europa een bijzondere collectie van hedendaags super-realisme opgebouwd, iets wat ondenkbaar zou zijn met publieke middelen. Er heeft trouwens altijd wel een verband bestaan tussen kunstproductie en rijkdom. Veel van de werken die in publieke musea hangen, behoorden ooit tot de verzamelingen van rijke lieden. Dergelijke verzamelingen hebben nooit de ambitie gehad om een soort objectief historisch overzicht van het kunstpatrimonium te bieden, maar zijn vaak eigenzinnige verzamelingen die de persoonlijke voorkeur van de collectioneur weerspiegelen. Ook dat maakt deel uit van de kunstgeschiedenis. Rijke verzamelaars gaan ooit dood en ze maken zich wel degelijk zorgen om hun collectie. Die bepaalt immers hun imago en hun identiteit of zelfs de herinnering die ze willen nalaten. Wie zal zich binnen pakweg vijftig jaar nog havenbaas Huts herinneren? Geen kip uiteraard. Maar kunstmaecenas Huts en zijn Antwerps museum in de Boerentoren maken véél meer kans om in de herinnering gebrand te worden. Erfgenamen van eigentijdse verzamelaars kunnen geen belangstelling hebben voor kunst en dan gaat het levenswerk van hun voorouders verloren en raakt het verspreid via veilingen. Om die reden schenken verzamelaars soms hun collectie aan publieke musea, al dan niet met voorwaarden die meestal financieel in hun voordeel zijn. Het blijven lepe sloebers natuurlijk. Een eigen privé-museum kan eveneens hun collectie veilig stellen. Ze behouden dan de controle én ze zijn vaak in staat - precies omdat ze steenrijk zijn - om betere museale en conserveringscondities te garanderen dan publieke musea. De privé-musea dagen de publieke musea ook uit. Precies omdat ze geld hebben en imago-opbouw een belangrijke doelstelling is, kunnen en willen ze investeren in een innovatieve aanpak die ook voor publieke musea inspirerend kan werken. Niet alles aan die privé-musea is per definitie negatief, al blijft de vaststelling dat ze allemaal het gevolg zijn van ongelijkheid. De boom van privé-musea zou niet mogelijk zijn geweest, als er niet een kleine club van steenrijken zou bestaan.Wat de Boerentoren en de kunstcollectie die er in gehuisvest zal worden betreft, is het voorlopig uiteraard koffiedik kijken. We weten het gewoon niet. Wordt het een ordinaire verkoop of verhuur van peperdure luxe appartementen en sjieke winkels, met hier en daar wat kunst en cultuur als opsmuk, of heeft Huts echt ambitie om iets groots te verwezenlijken? Ik heb er geen idee van. Wat ik wel weet is dat hij met zijn fikken van de dokwerkers moet blijven.