De overheid die ten prooi valt aan een cyberaanval. De overheid die ongeziene beperkingen oplegt zonder stevig wetgevend kader. De overheid die manifestanten tegen die beperkingen als in een heuse veldslag uit een Brussels park verdrijft. De overheid die onbezonnen een kapitaal aan belastinggeld doorsluist naar een zogenoemde sociale ondernemer. De overheid die klungelt met de groenestroomcertificaten. De overheid die verdacht gul is voor een bepaalde filmregisseur. Het houdt niet op.
...

De overheid die ten prooi valt aan een cyberaanval. De overheid die ongeziene beperkingen oplegt zonder stevig wetgevend kader. De overheid die manifestanten tegen die beperkingen als in een heuse veldslag uit een Brussels park verdrijft. De overheid die onbezonnen een kapitaal aan belastinggeld doorsluist naar een zogenoemde sociale ondernemer. De overheid die klungelt met de groenestroomcertificaten. De overheid die verdacht gul is voor een bepaalde filmregisseur. Het houdt niet op. De gevolgen zijn ernaar. Amper 18 procent van de bevolking heeft vertrouwen in de politieke partijen. 35 procent vertrouwt de nationale overheid. Over de hele lijn hebben burgers in dit land minder vertrouwen in de politiek dan in andere Noordwest-Europese lidstaten. Het lijkt alsof we aankijken tegen een ongeziene malaise. In de voorbije weken hoorde ik minstens twee prominente politici gewag maken van een revolutionair klimaat. De apocalyptische beelden van de twee in traangas gehulde edities van La Boum lijken dat te illustreren. Ze gingen de wereld rond. Nu is dat beperkte vertrouwen in de politiek zowat de normale toestand in de recente geschiedenis van ons land. Sinds de jaren 1970 schommelt het rond de 50 procent, met dieptepunten eind jaren 1970 en rond het Dutroux-schandaal in de jaren 1990. We zien een gestaag proces waarin politieke blunders schering en inslag zijn - denk aan Den Doofpot, het café in De geruchten van Hugo Claus uit 1996 - en steeds sneller aan het daglicht komen. Vandaag beleven we opnieuw een dieptepunt. Politiek gaat om macht. Zodra die verworven is, groeit de verleiding om ze te misbruiken. Dat is van alle tijden en alle politieke systemen. Macht corrumpeert. Vaak is dat misbruik zo subtiel, indirect en legaal ingedekt dat het ongrijpbaar wordt. De vetpotten van de publieke sector in landen als België doen me soms denken aan de diamantmijnen in Oost-Congo: ze zijn een publiek goed waarvan iedereen zou moeten profiteren, maar uiteindelijk geldt de wet van de sterkste. Van krijgsheren met juristen in plaats van kalasjnikovs. De aantrekkingskracht van de vetpotten is onweerstaanbaar. Hoeveel politieke figuren die ooit opstonden met een agenda van verandering en schone handen hebben zich intussen niet vastgereden in het moeras van aanzien en centen? En als het de politici zelf niet zijn, volstaat het doorgaans om even rond te neuzen in hun omgeving om een aantal gevoelige plekken te ontdekken. De doeltreffendheid van een democratie staat of valt met zelfdiscipline en transparantie. Dat is natuurlijk geen nieuw inzicht, maar de omstandigheden veranderen. De opmars van publiek-private samenwerking, constructies als sale-and-lease-back en lucratieve consultancy scheppen onvermijdelijk een schemerzone waarin de grenzen tussen publieke en private belangen vervagen. Om nog te zwijgen van alle raden, comités en nutsbedrijven met hun bezoldigde mandaten. Hoe meer hefbomen de overheid uit handen geeft, hoe meer moeite ze krijgt om transparant te blijven. Hoe meer externen ze nodig heeft om haar eigen regels te begrijpen, hoe groter het risico op misbruik. Hier en daar wordt over een slanke overheid gesproken. De overheid zelf is misschien wat slanker geworden, maar haar garderobe wordt steeds weelderiger. Volgens de Wereldbank is de onze sinds 1996 alleen maar minder effectief geworden. Ook het politieke landschap versnippert. Mensen laten zich niet langer met een belerend vingertje bejegenen en deinzen er niet voor terug om massaal en openlijk standpunten in te nemen die pakweg twintig jaar geleden ondenkbaar waren. De flanken worden mondiger, het centrum verzwakt. En dat alles speelt zich af in een economie die niet bepaald blaakt van gezondheid. De productiviteit stagneert terwijl onze behoeften rond infrastructuur, zorg, onderwijs en veiligheid groter worden. Hoewel we de komende twee jaar economisch zullen opveren en een behoorlijk egalitaire samenleving hebben, zal het een uitdaging worden om de herverdelingsmechanismen in stand te houden en tezelfdertijd onze concurrentiekracht te vergroten. Corruptie, politieke instabiliteit en wantrouwen zijn van alle tijden, ook al hebben we vaak de indruk dat de onze uitzonderlijk woelig is. Maar in de toekomst zal er wellicht wel minder speelruimte zijn, een kleinere economische buffer en een geringere tolerantie om na elke nieuwe deining de rust te herstellen. Onze democratie zal in een permanent precaire toestand blijven.