Het blijft altijd even spannend als onwerkelijk om post te ontvangen van een lezer. Je weet namelijk nooit welk deel van je boek de lezer zich heeft toegeëigend en op welke manier. Dat is het mooie en vreemde van schrijven: als het boek eenmaal in de winkel ligt, heb je nauwelijks nog invloed op hoe het gelezen wordt. Sommigen gaan zelfs zover te stellen dat een schrijver na publicatie niets meer over zijn boek te zeggen heeft. Onzin. Zo dood is de auteur nu ook weer niet.
...

Het blijft altijd even spannend als onwerkelijk om post te ontvangen van een lezer. Je weet namelijk nooit welk deel van je boek de lezer zich heeft toegeëigend en op welke manier. Dat is het mooie en vreemde van schrijven: als het boek eenmaal in de winkel ligt, heb je nauwelijks nog invloed op hoe het gelezen wordt. Sommigen gaan zelfs zover te stellen dat een schrijver na publicatie niets meer over zijn boek te zeggen heeft. Onzin. Zo dood is de auteur nu ook weer niet. De waarheid is echter dat een boek of een kunstwerk niet gewaardeerd kan worden zonder dat de lezer of kijker het zich in enige mate toe-eigent. Soms levert dat ontroerende correspondenties op. Een paar weken nadat De eeuw van Charlie Chaplin was verschenen, kreeg ik bijvoorbeeld een mail van een elfjarige jongen die zich introduceerde als groot Chaplin-fan én schrijver van toneelstukken en musicals. Vooral dat meervoud intrigeerde me. Hij had mijn boek nog niet helemaal gelezen, schreef hij, maar hij wist al wel zeker dat het een belangrijke inspiratiebron zou worden voor zijn volgende productie: Chaplin, de musical. Of ik die musical samen met hem wilde schrijven? Getroffen door de vraag, maar ook bewust van de consequenties ervan, antwoordde ik dat daar helaas geen tijd voor had, maar dat ik het resultaat wel graag wilde lezen. Een week later kreeg ik weer een mail. In bijlage zat geen musical, maar een gedichtenreeks met een stuk of twintig voor mij zeer herkenbare scènes - op rijm gezet. Weer twee weken later: een toneelstuk. Een jonge lezer zo inspireren dat hij met mijn boek aan de haal gaat, een groter compliment heb ik zelden gekregen. Maar wat nu als de drang om je een boek of een kunstwerk eigen te maken zo groot is dat je het daadwerkelijk voor jezelf wilt hebben? Voor die vraag stonden Jerry en Rita Alder, een wat saaiig, zij het reislustig en kunstminnend echtpaar uit New Mexico. Onlangs bleek dat dit stel zich tijdens hun brave, onopvallende leven één extravagantie heeft gepermitteerd. In november 1985 stapten ze een museum binnen. Rita begon een praatje met de bewaker. Jerry liep recht op Woman-Ochre van Willem de Kooning af en sneed het uit zijn lijst. Sindsdien hing het schilderij in de slaapkamer van de Alders en werd het nog maar door twee paar ogen bewonderd. Ik kan er niets aan doen, maar ook dat verhaal vind ik ontroerend.