Begin 2019 ontvingen in totaal 38.179 Vlamingen en leefloon, een lichte stijging in vergelijking met 2018, toen dat nog voor 37.744 Vlamingen het geval was. Bijna 3.300 anderen krijgen een equivalent leefloon: een minimuminkomen voor wie niet in aanmerking komt voor een leefloon maar zich wel in een vergelijkbare noodsituatie bevindt, in de praktijk vooral voor asielzoekers en mensen die niet in het bevolkingsregister zijn ingeschreven. Het aantal mensen met een equivalent leefloon is in vergelijking met vorig jaar min of meer stabiel gebleven. De stijging zit vooral bij de jongeren. Tussen 2006 en 2019 was er een toename van 42 procent bij jongeren onder de 25 jaar. De 25 tot 44-jarigen blijven wel de grootste groep. Ook alleenstaanden hebben nog altijd vaker een leefloon dan wie een gezin heeft of samenwoont, al is het aantal alleenstaanden met een leefloon of equivalent daarvan de afgelopen dertien jaar wel met 10 procent gedaald. Bij gezinnen en samenwonenden ging het aantal leefloners net omhoog, met respectievelijk 35 en 23 procent. Wat geografische spreiding betreft zijn een aantal gemeenten in West-Vlaanderen oververtegenwoordigd, nog voor de meeste centrumsteden. In Mesen en Oostende ligt het aandeel leefloners met iets meer dan 6 procent van de bevolking het hoogst, gevolgd door Poperinge, Ieper, Blankenberge - allemaal in West-Vlaanderen -, en het Oost-Vlaamse Zelzate. Het aandeel van de bevolking met een sociale bijstandsuitkering ligt in Vlaanderen wel een stuk lager dan in de rest van het land: in het Vlaams gewest gaat het om 3 procent van de bevolking, in Wallonië en Brussel om respectievelijk 5 en 7 procent. (Belga)