Dat blijkt vrijdag uit een rapport van Statistiek Vlaanderen over leefvormen.

Het aandeel gehuwden daalde tussen 1990 en 2020 van 2 op de 3 volwassenen naar 1 op de 2 volwassenen. In 1990 woonde 4 procent van de partners nog ongehuwd samen, in 2020 is dat gestegen naar 24 procent. Vooral bij dertigers en veertigers trad een verschuiving van gehuwd samenwonen en ouderschap naar ongehuwd samenwonen en ouderschap op. Bij dertigers bijvoorbeeld steeg het percentage dat ongehuwd samenwoonde met een partner van 4 naar 30 procent. Het percentage dat ongehuwd samenwoonde met partner én kind(eren) nam op die leeftijd toe van 2 procent naar 21 procent.

Samen of alleen

Het percentage dat samenwoonde met een partner daalde doorheen de tijd tot op de leeftijd van 70 jaar voor mannen en tot op de leeftijd van 60 jaar voor vrouwen. Deze daling was het sterkst tussen 1990 en 2010. Vanaf 70-jarige leeftijd tekende zich een stijging af. In 1990 woonde bijvoorbeeld 26 procent van de tachtigers samen met een partner, in 2020 was dat 46 procent.

Het verlaten van het ouderlijke huis werd de voorbije 30 jaar uitgesteld. Het percentage dat als twintiger bij de ouder(s) woont nam toe van 50 procent in 1990 tot 57 procent in 2020. Vooral tussen 1990 en 2000 nam het percentage toe dat als twintiger bij de ouders woonde. Vanaf leeftijd 30 zijn de verschillen doorheen de tijd zeer gering.

De evolutie van het percentage alleenstaande ouders varieert naargelang de leeftijd. Er was bij vrouwelijke veertigers en vijftigers een toename van 6 naar 12 procent alleenstaande moeders.

Dat blijkt vrijdag uit een rapport van Statistiek Vlaanderen over leefvormen. Het aandeel gehuwden daalde tussen 1990 en 2020 van 2 op de 3 volwassenen naar 1 op de 2 volwassenen. In 1990 woonde 4 procent van de partners nog ongehuwd samen, in 2020 is dat gestegen naar 24 procent. Vooral bij dertigers en veertigers trad een verschuiving van gehuwd samenwonen en ouderschap naar ongehuwd samenwonen en ouderschap op. Bij dertigers bijvoorbeeld steeg het percentage dat ongehuwd samenwoonde met een partner van 4 naar 30 procent. Het percentage dat ongehuwd samenwoonde met partner én kind(eren) nam op die leeftijd toe van 2 procent naar 21 procent. Het percentage dat samenwoonde met een partner daalde doorheen de tijd tot op de leeftijd van 70 jaar voor mannen en tot op de leeftijd van 60 jaar voor vrouwen. Deze daling was het sterkst tussen 1990 en 2010. Vanaf 70-jarige leeftijd tekende zich een stijging af. In 1990 woonde bijvoorbeeld 26 procent van de tachtigers samen met een partner, in 2020 was dat 46 procent. Het verlaten van het ouderlijke huis werd de voorbije 30 jaar uitgesteld. Het percentage dat als twintiger bij de ouder(s) woont nam toe van 50 procent in 1990 tot 57 procent in 2020. Vooral tussen 1990 en 2000 nam het percentage toe dat als twintiger bij de ouders woonde. Vanaf leeftijd 30 zijn de verschillen doorheen de tijd zeer gering.De evolutie van het percentage alleenstaande ouders varieert naargelang de leeftijd. Er was bij vrouwelijke veertigers en vijftigers een toename van 6 naar 12 procent alleenstaande moeders.