Een paar jaar geleden stootte ik in een boekhandel aan de Gumpendorfer Straße in Wenen op twee postkaarten. Op de ene stond een affiche van Expo 58, op de andere een heliluchthaven. Op de achterkant las ik: 'Brussel, Groendreef'. En - een beetje geruststellend: 'PLAIZIER'.
...

Een paar jaar geleden stootte ik in een boekhandel aan de Gumpendorfer Straße in Wenen op twee postkaarten. Op de ene stond een affiche van Expo 58, op de andere een heliluchthaven. Op de achterkant las ik: 'Brussel, Groendreef'. En - een beetje geruststellend: 'PLAIZIER'. Het is een familiebedrijfje uit Brussel: al sinds 1977 geven Wijnand en Mieke Plaizier prentkaarten uit, samen met hun dochter Klaartje. Ze hebben van Plaizier een huis van vertrouwen gemaakt. 'Ik zit zonder mooie kaarten', schreef Johan Anthierens ooit, 'wegens afgesneden van mijn foerier Plaizier. Het zal een mooie dag zijn als ik daar weer over de drempel ga.' De Plaiziers hebben maar aan één ding een hekel: aan toeristenbeelden. Ze zoeken naar andere foto's, bij verzamelaars en op rommelmarkten. Later maken ze er kaarten van, die ze de wereld insturen. Ook die prentkaart van de heliluchthaven heb ik van Wenen terug naar Brussel gezonden, met het vliegtuig. Wijnand moet lachen om de ironie. 'Vandaag zou het volstrekt ondenkbaar zijn', zegt hij, 'maar in de jaren vijftig kon je in het centrum van Brussel de helikopter nemen naar Parijs, Keulen of Amsterdam. In 1958 kwam er een nieuwe bestemming bij: de Expo. Sabena huurde twee Russische Vertol 44-helikopters. Die brachten mensen tegen 163 kilometer per uur van het centrum naar de Heizel.' Wijnand herinnert het zich nog vaag. 'Ik was acht in 1958. Mijn vader had toen een cartografisch persbedrijf: als er ergens een ramp gebeurd was, maakten wij een landkaart en stuurden die door naar de kranten. Ook op de Expo waren we actief. In opdracht voor de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal (EGKS) maakte mijn vader een folder waarin stond hoeveel kool en staal elke lidstaat produceerde. Hij stuurde ons naar de Expo om af en toe folders weg te halen, zodat hij er nog meer kon drukken. (lacht)' Later werd Wijnand de chef van de drukkerij van het persagentschap van zijn vader. 'Toen zijn we andere dingen gaan drukken: op een dag hebben we eens een kaart gemaakt over een strandcabine.' De jaren erna zouden er nog duizenden volgen. 'We beslissen altijd in consensus of we een prentkaart gaan uitgeven. Als een van ons drieën niet akkoord gaat, doen we het niet.' Niet zelden staat hun stad op de prentkaarten. 'Brussel is een plaizier': het werd hun leuze. Ook over de Expo hebben ze een hele collectie, vaak jeugdherinneringen van Wijnand. 'Ik herinner me nog het standbeeld van Lenin in het Russische paviljoen. Of het Afrikaanse paviljoen, waar mensen bananen naar smeten. Dat was puur racisme.' 'Deze kaart is ook intrigerend: het paviljoen van IBM, waar de eerste elektrische tikmachines stonden. Vandaag staat het op de Boomsesteenweg. Net tegenover de Carré, waarvan de gevel ook een overblijfsel is van de Expo.' Veel beelden heeft hij toevallig gevonden. 'In de buurt van Tilburg woont Peter Wever, die alles verzamelt over het Nederlandse paviljoen: daar ga ik weleens langs. Die hoes van Benny Goodman heb ik gekregen van muzikant Jan De Smet. En die foto van Dolf Kruger ontdekte ik toevallig in het Nederlands Fotomuseum. Een man alleen voor een onafgewerkt Atomium: het lijkt wel alsof hij het alleen aan het bouwen is. Dankzij onze kaarten is het intussen een iconisch beeld geworden.' Die cartoon van Folon stond in een boekje dat ik van mijn vader kreeg. Ooit heb ik eens onderzocht of het mogelijk was om die ballonnen in het echt te maken, maar helaas. Dan had ik nu wellicht op de Balearen kunnen rentenieren. (lacht)' Jaren geleden vroegen ze aan Wijnand of hij geen zin had om de shop van het Atomium uit te baten. De Plaiziers wilden wel, maar hadden geen tijd. 'We leveren daar wel kaarten. Ik kom er dus nog altijd vaak: elke dag stoppen daar talloze toeristenbussen. Dat gebouw blijft mensen fascineren. Veel jongeren nemen er een selfie met de bollen, maar het verleden interesseert hen minder: sommigen weten zelfs niet dat het een overblijfsel is van de Expo.' En toch maakt de Expo nog altijd nieuwe fans. Op een zomerdag in 2013 liep Wijnand voorbij zijn winkel in de Spoormakersstraat in Brussel. 'Het was tien over zes 's avonds. Mieke had net de winkel gesloten. Voor de etalage stonden vier mannen. Ze bleven maar duwen aan de deur. "It's closed", zei ik. De mannen reageerden ontgoocheld. Ik was in een goede bui en deed de deur weer open. Ze keken rond en ik hoorde een van hen mompelen: "This is a fantastic shop." Hij kocht onze winkel zowat leeg: een boek over auto's van Ever Meulen, onder meer, maar ook gigantisch veel prentkaarten. Ook over de Expo. Een rekening van 1000 euro. "Kun je dat naar mijn hotel brengen?" vroeg hij. Toen pas herkende ik hem: Neil Young.' Wijnand moest hem zelfs niet vragen om te poseren, dat wilde hij zelf doen. Later die avond bracht hij de boeken en postkaarten naar hotel Amigo, terwijl The Loner in Vorst Nationaal Everybody Knows This Is Nowhere zong. Hun winkel hebben de Plaiziers intussen verkocht, maar ze blijven wel vlijtig postkaarten maken. Behalve van dat ene beeld dat niemand hen nog afpakt: die altijd norse Young, die lacht op hun expo.