Wat de subjectieve armoede betreft, waren de verschillen tussen mannen en vrouwen en tussen verschillende leeftijden beperkt. Voornamelijk werklozen (37 procent van de bevolking in subjectieve armoede), niet-actieve mensen exclusief gepensioneerden (21 procent), leden van eenoudergezinnen (25 procent), alleenstaanden (20 procent), huurders (27 procent) en ook laaggeschoolden (17 procent) kenden in 2020 een hogere subjectieve armoede in het Vlaamse Gewest.

Ook door vakantiearmoede werden in 2020 voornamelijk werklozen (50 procent van de bevolking in vakantiearmoede), niet-actieve mensen exclusief gepensioneerden (25 procent), leden van eenoudergezinnen (32 procent), alleenstaanden (28 procent), huurders (36 procent) en ook laaggeschoolden (27 procent) getroffen.

De EU-SILC-enquête waarop deze cijfers gebaseerd zijn, werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren, waarschuwt Statistiek Vlaanderen. Toch is het volgens de statistiekdienst duidelijk dat het aandeel van de bevolking in het Vlaamse Gewest in subjectieve armoede de jongste jaren iets lager ligt dan in de periode 2009-2012. Het aandeel van personen met vakantiearmoede ligt in de meest recente jaren dan weer lager dan in de periode 2008-2016.

In 2019 gaf 12 procent van de bevolking in het Vlaamse Gewest aan moeilijk tot zeer moeilijk rond te komen. In het Waalse Gewest was dat toen 26 procent en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest maar liefst 36 procent.

In 2019 lag het aandeel van personen in subjectieve armoede in de 27 lidstaten van de Europese Unie op 19 procent van de bevolking. In Duitsland, Finland, Zweden en Denemarken lag dat aandeel lager dan 10 procent. In Griekenland (71 procent) lag het aandeel het hoogst, gevolgd door Bulgarije (50 procent). In 2019 lag het aandeel personen in vakantiearmoede ongeveer dubbel zo hoog in het Waalse Gewest (33 procent) en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (28 procent) als in het Vlaamse Gewest (15 procent). In de 27 lidstaten van de Europese Unie lag het aandeel van personen in vakantiearmoede op 28 procent van de bevolking. Roemenië, Griekenland en Kroatië waren toen de koplopers.

Inkomen van rijkste Vlamingen ligt nog steeds ruim drie keer hoger dan dat van armsten

In 2019 lag het huishoudinkomen van de twintig procent rijkste inwoners van het Vlaamse Gewest 3,4 keer hoger dan het huishoudinkomen van de twintig procent armste inwoners. Dat meldt Statistiek Vlaanderen dinsdag, op basis van het cijfermateriaal van de enquête van "European Union - Statistics on Income and Living Conditions" (EU-SILC) voor het jaar 2020.

De inkomenskwintielverhouding (S20/S80) is een internationale maat om de inkomensverdeling van een land of een regio in kaart te brengen. Het cijfer werd berekend op basis van de huishoudinkomens in het jaar voorafgaand aan de EU-SILC-enquête. De cijfers van de EU-SILC-enquête van 2020 hebben dus betrekking op de huishoudinkomens van 2019.

Een huishoudinkomen omvat alle inkomsten van de leden van het huishouden uit economische activiteit, uit eigendom en uit sociale zekerheids- en bijstandsuitkeringen. De EU-SILC-enquête waarop de inkomenskwintielverhouding gebaseerd is, werd in 2019 ingrijpend vernieuwd.

Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren, stelt Statistiek Vlaanderen. Toch ziet Statistiek Vlaanderen dat de inkomenskwintielverhouding sinds 2004 min of meer gelijk gebleven is. In 2019 lag de inkomenskwintielverhouding, gebaseerd op de huishoudinkomens van 2018, in het Waalse Gewest (3,6) iets hoger dan in het Vlaamse Gewest (3,3). Het verschil met het Brussels Hoofdstedelijke Gewest (4,7) was groter.

In volledig België lag de inkomenskwintielverhouding toen op 3,6. In Europees perspectief bleef de inkomensongelijkheid in België beperkt. In 2019 lag de inkomenskwintielverhouding in de 27 lidstaten van de Europese Unie gemiddeld op 5,0. België bevond zich samen met Tsjechië, Slovenië, Finland en Nederland in de groep van EU-landen met de laagste inkomenskwintielverhouding. In Bulgarije was de inkomensongelijkheid het hoogst, gevolgd door Roemenië en Litouwen.

Wat de subjectieve armoede betreft, waren de verschillen tussen mannen en vrouwen en tussen verschillende leeftijden beperkt. Voornamelijk werklozen (37 procent van de bevolking in subjectieve armoede), niet-actieve mensen exclusief gepensioneerden (21 procent), leden van eenoudergezinnen (25 procent), alleenstaanden (20 procent), huurders (27 procent) en ook laaggeschoolden (17 procent) kenden in 2020 een hogere subjectieve armoede in het Vlaamse Gewest. Ook door vakantiearmoede werden in 2020 voornamelijk werklozen (50 procent van de bevolking in vakantiearmoede), niet-actieve mensen exclusief gepensioneerden (25 procent), leden van eenoudergezinnen (32 procent), alleenstaanden (28 procent), huurders (36 procent) en ook laaggeschoolden (27 procent) getroffen. De EU-SILC-enquête waarop deze cijfers gebaseerd zijn, werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren, waarschuwt Statistiek Vlaanderen. Toch is het volgens de statistiekdienst duidelijk dat het aandeel van de bevolking in het Vlaamse Gewest in subjectieve armoede de jongste jaren iets lager ligt dan in de periode 2009-2012. Het aandeel van personen met vakantiearmoede ligt in de meest recente jaren dan weer lager dan in de periode 2008-2016. In 2019 gaf 12 procent van de bevolking in het Vlaamse Gewest aan moeilijk tot zeer moeilijk rond te komen. In het Waalse Gewest was dat toen 26 procent en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest maar liefst 36 procent. In 2019 lag het aandeel van personen in subjectieve armoede in de 27 lidstaten van de Europese Unie op 19 procent van de bevolking. In Duitsland, Finland, Zweden en Denemarken lag dat aandeel lager dan 10 procent. In Griekenland (71 procent) lag het aandeel het hoogst, gevolgd door Bulgarije (50 procent). In 2019 lag het aandeel personen in vakantiearmoede ongeveer dubbel zo hoog in het Waalse Gewest (33 procent) en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (28 procent) als in het Vlaamse Gewest (15 procent). In de 27 lidstaten van de Europese Unie lag het aandeel van personen in vakantiearmoede op 28 procent van de bevolking. Roemenië, Griekenland en Kroatië waren toen de koplopers.In 2019 lag het huishoudinkomen van de twintig procent rijkste inwoners van het Vlaamse Gewest 3,4 keer hoger dan het huishoudinkomen van de twintig procent armste inwoners. Dat meldt Statistiek Vlaanderen dinsdag, op basis van het cijfermateriaal van de enquête van "European Union - Statistics on Income and Living Conditions" (EU-SILC) voor het jaar 2020.De inkomenskwintielverhouding (S20/S80) is een internationale maat om de inkomensverdeling van een land of een regio in kaart te brengen. Het cijfer werd berekend op basis van de huishoudinkomens in het jaar voorafgaand aan de EU-SILC-enquête. De cijfers van de EU-SILC-enquête van 2020 hebben dus betrekking op de huishoudinkomens van 2019. Een huishoudinkomen omvat alle inkomsten van de leden van het huishouden uit economische activiteit, uit eigendom en uit sociale zekerheids- en bijstandsuitkeringen. De EU-SILC-enquête waarop de inkomenskwintielverhouding gebaseerd is, werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren, stelt Statistiek Vlaanderen. Toch ziet Statistiek Vlaanderen dat de inkomenskwintielverhouding sinds 2004 min of meer gelijk gebleven is. In 2019 lag de inkomenskwintielverhouding, gebaseerd op de huishoudinkomens van 2018, in het Waalse Gewest (3,6) iets hoger dan in het Vlaamse Gewest (3,3). Het verschil met het Brussels Hoofdstedelijke Gewest (4,7) was groter. In volledig België lag de inkomenskwintielverhouding toen op 3,6. In Europees perspectief bleef de inkomensongelijkheid in België beperkt. In 2019 lag de inkomenskwintielverhouding in de 27 lidstaten van de Europese Unie gemiddeld op 5,0. België bevond zich samen met Tsjechië, Slovenië, Finland en Nederland in de groep van EU-landen met de laagste inkomenskwintielverhouding. In Bulgarije was de inkomensongelijkheid het hoogst, gevolgd door Roemenië en Litouwen.