Er hingen wel wat slierten mist over de Westhoek, maar verder bleef het die ochtend nog droog. Het zou pas later die dag beginnen te regenen. In de vroege uren van 31 juli 1917 kropen duizenden soldaten van het Britse Vijfde Leger uit hun loopgraven voor wat The Third Battle of Ypres zou worden. Of de Dritte Flandernschlacht, zoals de grootste veldslag die op ons grondgebied werd uitgevochten in Duitsland wordt genoemd. De aanval op hun stellingen kwam voor de Duitsers niet echt als een verrassing. Ze werden al twee weken lang bestookt met een nooit gezien artilleriebombardement, waarbij meer dan vier miljoen granaten en obussen op hun verdedigingslinie werden afgeschoten. Zes weken tevoren was een deel van de frontlijn na de mijnenslag bij Mesen rechtgetrokken. Dat was nodig om te verhinderen dat de oprukkende Britten bij een tegenaanval in de tang zouden worden genomen.
...

Er hingen wel wat slierten mist over de Westhoek, maar verder bleef het die ochtend nog droog. Het zou pas later die dag beginnen te regenen. In de vroege uren van 31 juli 1917 kropen duizenden soldaten van het Britse Vijfde Leger uit hun loopgraven voor wat The Third Battle of Ypres zou worden. Of de Dritte Flandernschlacht, zoals de grootste veldslag die op ons grondgebied werd uitgevochten in Duitsland wordt genoemd. De aanval op hun stellingen kwam voor de Duitsers niet echt als een verrassing. Ze werden al twee weken lang bestookt met een nooit gezien artilleriebombardement, waarbij meer dan vier miljoen granaten en obussen op hun verdedigingslinie werden afgeschoten. Zes weken tevoren was een deel van de frontlijn na de mijnenslag bij Mesen rechtgetrokken. Dat was nodig om te verhinderen dat de oprukkende Britten bij een tegenaanval in de tang zouden worden genomen. Zeker in de Angelsaksische wereld wordt de Derde Slag om Ieper ook vaak de Slag om Passendale genoemd, naar de plek die na honderd dagen uiteindelijk door Canadese troepen werd veroverd. Vóór hen beten eerst Britten en daarna Australiërs en Nieuw-Zeelanders zich de tanden stuk op de Duitse verdediging. 'Canada, Australië en Nieuw-Zeeland gingen de oorlog in als dominions, een soort vazalstaten van het Britse moederland, en ze kwamen er de facto uit als onafhankelijke staten met eigen legers die konden vechten als de besten', zegt Piet Chielens, coördinator van het In Flanders Fields Museum in Ieper. 'De inname van Passendale door de Canadezen is daar het symbool van. Dat is de positieve kant van het verhaal. De negatieve kant is natuurlijk dat Passion-dale, zoals zij de naam van het dorp uitspreken, sindsdien staat voor een immens menselijk lijden. Het Commonwealth telde in een paar maanden tijd meer dan 100.000 doden.' Het blijft tot op de dag van vandaag een raadsel waarom het Britse opperbevel in de zomer van 1917, na de catastrofale veldslagen bij Verdun en aan de Somme van 1916, toch opnieuw tot eenzelfde soort aanval besloot. Politici hadden de generaals tijdens de wintermaanden nochtans gesommeerd hen voortaan beter op de hoogte te houden en de operaties te stoppen als de doelstellingen niet werden gehaald of de verliezen te hoog opliepen. Waarom is dat bij Ieper niet gebeurd? Piet Chielens: 'Normaal gesproken zijn militairen technici die politieke beslissingen uitvoeren. In de Eerste Wereldoorlog werd dat principe helemaal verkracht. Duitsland werd zonder meer een militaire dictatuur, maar ook in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk verzonnen de generaals altijd weer nieuwe smoezen om in het War Cabinet hun zin te krijgen. De Britse premier David Lloyd George toonde zich te meegaand, en dat gold eind 1917 zeker ook voor de nieuwe Franse premier Georges Clemenceau, die net zo'n ijzervreter was als veldmaarschalk Douglas Haig zelf. La guerre intégrale! Alles moest wijken voor de militaire overwinning. Ze wisten dat de Amerikanen eraan kwamen. Haig wilde per se zeker zijn van de overwinning vóór de yankees arriveerden.' Haig broedde al langer op een plan om aan te vallen bij Ieper. Als hij erin slaagde om daar door de Duitse linies te breken, kon de overzeese toevoer vanuit het Verenigd Koninkrijk naar de Noord-Franse havens van Duinkerke, Calais en Boulogne beter worden beveiligd tegen Duitse onderzeeërs, die hun basis hadden in Oostende en Zeebrugge. Maar daarvoor moest eerst de heuvelkam worden veroverd die van Westrozebeke over Passendale, Polygoon en Geluveld tot Mesen loopt. Chielens: 'Er stonden bij elkaar vijftien Britse divisies klaar, en nog een Franse divisie in het noorden van het aanvalsfront. Maar door de aanhoudende regen verliep de hele operatie veel moeizamer dan gedacht. De artillerie had het hele afwateringssysteem kapotgeschoten, en elk putje liep vol water. Het tankkorps vond het terrein te zwaar om erin te opereren. Als Haig eerlijk was geweest, had hij moeten zeggen: oké we gaan niet verder. Maar dat deed hij niet. Hij kon er het War Cabinet telkens weer van overtuigen dat alles goed ging en dat de Duitsers zware verliezen werden toegebracht. Terwijl de Britten na 72 uur al hadden moeten staan waar de hele aanval 100 dagen later vastliep: acht kilometer verderop. Zolang die heuvelkam niet was ingenomen, was er van een doorbraak geen sprake.' Dat Haig van Lloyd George gedaan kreeg dat hij de aanval mocht voortzetten, is merkwaardig genoeg. De relatie tussen de twee mannen was barslecht, en de premier had er de hele winter bij de legerleiding op gehamerd dat hij immense verliezen, zoals bij de slag aan de Somme, niet langer uitgelegd kreeg aan de publieke opinie. 'Maar als je de hele tijd wordt voorgelogen, kun je onmogelijk de juiste beslissingen nemen', zegt Chielens. 'Daarnaast had het ook met de sterke militaire hiërarchie te maken. Haig had zich omringd met jaknikkers, zoals zijn opperbevelhebber op het terrein, generaal Hubert Gough. Zelf had hij zijn hoofdkwartier in Montreuil, op 100 kilometer van Ieper. Net als Gough kwam hij uit een traditie waarin de militaire hiërarchie onaantastbaar was. Ze waren ook allebei cavalerieofficieren, die hun sporen in een vorig soort oorlog hadden verdiend. Het wordt in geen enkel Brits document beschreven, maar de onvolprezen onderpastoor Achiel Van Walleghem noteerde in zijn dagboek hoe hij, vlak voor de slag begon, in zijn pastorie in Reningelst een halve dag lang paardenvolk zag langskomen. Na de catastrofe aan de Somme was zoiets volstrekt absurd. Maar veldmaarschalk Haig dacht nog altijd dat snelheid na een doorbraak alleen van paarden kon komen. De wegen in het aanvalsveld waren bovendien zodanig in modderpoelen herschapen dat vrachtwagens of tanks erin vastliepen.' De aanvallers, zo bleek al gauw, hadden zich deerlijk vergist in de sterkte van de Duitse verdedigingslinie. Op de heuvelrug bij Geluveld is vandaag nog te zien waar de Duitse bunkers waren genesteld. Geen doorkomen aan, zeker niet voor soldaten die tot boven hun knieën in de modder stonden. Het is geen toeval dat precies daar zo veel geallieerde slachtoffers vielen, zegt Piet Chielens: 'De verliezen aan Duitse kant daarentegen waren in de eerste anderhalve maand van het offensief verbazend laag. De Duitsers hadden immense bolwerken met mitrailleursnesten uitgebouwd, waarbij de ene bunker de andere beschermde en waarachter de tegenaanval kon worden voorbereid. Dug-outs waren zo ingegraven dat de artillerie ze niet kon raken. Het leek in de Eerste Wereldoorlog dikwijls alsof de geallieerden zomaar iets probeerden, terwijl de Duitse methodiek beter doordacht was en ook beter werd uitgevoerd.' Toen generaal Herbert Plumer op 20 september het bevel over het offensief van Gough overnam, leken de kansen heel even te keren. Plumer koos met zijn bite and hold-tactiek voor een meer gedoseerde aanval, maar de tijd en de omstandigheden speelden in zijn nadeel: het gevechtsterrein was ondertussen helemaal in een moeras veranderd. De Britten boekten geen meter vooruitgang meer, en het zou de Canadezen uiteindelijk nog 5000 doden kosten om dat kleine stukje Passendale te veroveren. Chielens: 'Haig beweerde het tegendeel, maar eigenlijk brachten de Duitsers het Britse leger in de Derde Slag om Ieper een klap toe waarvan het niet meer zou herstellen. We zijn nog altijd de slachtoffers aan het tellen, maar we zijn nu zeker van 55.000 Duitse doden, tegenover meer dan 100.000 aan geallieerde zijde. Eind 1917 stonden de geallieerden aan het westelijk front nergens.' Bij een bezoek aan het slagveld zou de hoge Britse stafofficier Sir Launcelot Kiggell in tranen zijn uitgebarsten: 'Mijn God, hebben we echt mensen daarin laten vechten?' Dat zei hij al toen hij nog maar net buiten Ieper was, schampert Piet Chielens. 'Die generaals waren natuurlijk ook allemaal stevige moralisten, maar hun militaire en politieke ambities waren zo groot dat hun slechte geweten uiteindelijk toch het zwijgen werd opgelegd. Zo waren ze opgevoed: alles tot meerdere eer en glorie van het British Empire of van La Plus Grande France. Dat is het echte kwaad, dat ongelooflijke respect voor het vaderland en het Rijk. Dat kregen ze er van jongs af aan ingestampt.' 'Tegelijk speelde de propaganda haar rol. Journalisten konden bij wijze van spreken geen letter publiceren die niet langs het War Office of, aan het front, langs de hoofdkwartieren was gepasseerd. Ze opereerden allemaal embedded. Er was een directe band tussen degenen die de oorlog voerden en degenen die er verslag over uitbrachten. Alle soldaten wisten dat. De officiële krant van het Belgische leger, De Legerbode, werd niet voor niets De Leugenbode genoemd. De publieke opinie werd voorgelogen, maar het War Office kon ook niet verbergen dat er slachtoffers vielen. De stelling was dat ze een offer brachten dat nodig was - sacrifice is een krachtig woord om mensen te mobiliseren. Vanuit de achterliggende gedachte dat de onderdaan bereid moet zijn om iets terug te doen voor de staat, die zo veel voor hem betekent. Als je analyseert wat zo'n oorlog voortdrijft, kom je altijd bij het nationalisme uit. Het nationalisme is het grote gevaar.' Eind 1917 was het enige lichtpunt nog dat de Amerikanen op komst waren. Italië lag zo goed als uit de oorlog, Bulgarije behield de greep op de Balkan, het oostfront stortte in en de Russische bondgenoot was in een burgeroorlog verwikkeld. 'Voor het bezette België zag de toekomst er donker uit', zegt Piet Chielens. 'En het Vrije België was net zo goed bezet, zij het door andere legers. Zeker in de Westhoek werpt 1917 nog altijd zijn schaduw vooruit. Dat jaar heeft in ieder geval mijn blik op de wereld bepaald. Dat komt ervan als je opgroeit in wat een van de grootste knekelvelden van Europa blijkt te zijn. West-Vlaanderen was na 1918 niet meer hetzelfde. Maar ook voor België was 1917 belangrijk: in juli publiceerde de Frontbeweging haar eerste brief aan de koning en aan kardinaal Mercier, en stelde ze zich in een soort van clandestiniteit op tegen het gezag. Dat bepaalt tot op vandaag voor een stuk de Belgische politiek.' 'In 1917 werd ook de War Graves Commission opgericht, waarin hele verstandige mensen bij elkaar werden gebracht om te beraadslagen over de manier waarop de oorlog zou worden herdacht eens hij voorbij was. Sir Fabian Ware bedacht al in 1915 dat er voor alle doden zorg moest worden gedragen. Toen werd het lichaam van de gesneuvelde kleinzoon van de voormalige premier William Gladstone nog van de begraafplaats weggehaald en naar Engeland overgebracht. Dat vond Ware volstrekt oneerlijk, omdat alleen zo'n rijke familie zich dat kon permitteren. Politici hadden oren naar de klacht: ze zagen al die bodybagssowieso niet graag komen.' Het Belgische leger werd pas helemaal op het einde bij de Derde Slag om Ieper betrokken. Zonder dat het daarvoor hoefde te vechten, schoof het mee op in het kielzog van een Franse divisie en bezette het de hele winter van 1917 een sector in het noorden van de aanvalszone. Piet Chielens: 'De Belgen kwamen daar enkele maanden later wel in actie, toen ze tijdens het Duitse lenteoffensief in april 1918 werden aangevallen. Dat was bij de slag om Merkem - de eerste keer dat ze konden winnen. De Britten van hun kant trokken zich en stoemelings terug op exact dezelfde positie waar ze op 31 juli de aanval waren begonnen. Een half jaar en 100.000 doden eerder.' Bij de herdenking van de honderdste verjaardag van het begin van de Eerste Wereldoorlog in 2014 werden geregeld parallellen getrokken tussen de huidige tijd en de jaren die aan de Groote Oorlog voorafgingen. Spelen we opnieuw met vuur? Piet Chielens: 'Het grote wij-zijdenken dat zich opnieuw in de hele wereld heeft geïnstalleerd, zag je ook aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Daarvóór was Europa veel kosmopolitischer. Men deelde op veel vlakken een soort van vooruitgangsgeloof, dat door de oorlog werd afgeblokt. Met het verkruimelen van de Koude Oorlog kon je twintig jaar geleden nog het gevoel hebben dat er aan een gezamenlijke toekomst werd gewerkt. Dat is voorbij. Het is nu weer duidelijk ieder voor zich. De aartsdomme beslissing van Britse politici om alle schuld in de schoenen van Europa te schuiven, teert helemaal op die cultuur van wij-en-zij. De demonen van het nationalisme zijn terug. Het appelleert kennelijk nog altijd aan buikgevoelens, die mensen kunnen mobiliseren. Ik denk dat we heel voorzichtig moeten zijn.' 'Of ik me nog een oorlog in Europa kan voorstellen? Je zou kunnen zeggen dat iedere, al dan niet mislukte, aanslag die nu in iedere Europese stad op iedere hoek van de straat kan voorkomen een symptoom is van een oorlog die al volop aan de gang is - al zijn het natuurlijk niet langer nationaal georganiseerde legers die het tegen elkaar opnemen. Ik denk niet dat de geschiedenis zich altijd zo letterlijk herhaalt, maar de grote patronen van het wij-zijdenken zijn wel duidelijk aanwezig. De slinger is teruggeslagen en wordt gevoed door het nationalisme, zoals dat vóór 1914 ook in de belle époque het geval was, en na 1918 opnieuw tijdens het interbellum. De brexit leert ons dat ook vandaag niets irrationeels onmogelijk is. De Britten zijn wetens en willens bereid om decennia aan welvaart in te leveren omdat ze geloven dat ze alleen beter af zijn. Voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog ging het net zo: er werden stappen gezet waarop men nadien nooit meer kon terugkeren. Als ik even voor mijn eigen winkel mag pleiten: waarschuwingen uit het verleden blijven daarom een bittere noodzaak.'