Honderd jaar zou hij nu zijn, maar het is hem niet gelukt want in 1980 nam hij bewust afscheid van het leven. Het gaat over de schilder Jan Cox die in Den Haag geboren werd in een gezin waar kunst en cultuur hoog aangeschreven stonden. Beide zoons - broer Harry werd een getalenteerd pianist - kregen vooral van hun moeder al vroeg artistieke impulsen.
...

Honderd jaar zou hij nu zijn, maar het is hem niet gelukt want in 1980 nam hij bewust afscheid van het leven. Het gaat over de schilder Jan Cox die in Den Haag geboren werd in een gezin waar kunst en cultuur hoog aangeschreven stonden. Beide zoons - broer Harry werd een getalenteerd pianist - kregen vooral van hun moeder al vroeg artistieke impulsen. In Amsterdam waarnaar het gezin was verkast, studeerde Jan aan het befaamde Barlaeusgymnasium waar hij een grondige kennis opdeed van de klassieke cultuur. Wanneer zijn vader op zakenreis ging naar Engeland, Frankrijk of Duitsland mocht Jan hem soms veergezellen en zag hij met eigen ogen in dat laatste land de kiemen groeien van het nazisme en het zou hem later beïnvloeden. In 1936 verhuisde het gezin naar Antwerpen en ging Jan als zeventienjarige studeren aan het Hoger Instituut voor Schone Kunsten. Ontgoocheld over de opleidingsmethodes schreef hij zich in voor de afdeling Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde in de Gentse Rijksuniversiteit. Maar het schilderen liet hem niet meer los. Hij decoreerde muren, tekende en verdiepte zich, ook buiten de kunstschool, in theorie en praktijk van het metier. Na de oorlog vestigde hij zich in Brussel en werd hij medestichter van de groep Jeune Peinture Belge. Van 1956 tot 1974 was hij hoofd van de schildersafdeling in de Academie van het Museum voor Schone Kunsten in Boston. Daarna keerde hij terug naar Antwerpen waar hij werd opgevangen door de schilders rond de galerie De Zwarte Panter. Adriaan Raemdonck, de bezieler van die galerie steunde hem in zijn goede en kwade dagen. Depressies en drankproblemen volgden elkaar op. In 1980 nam hij afscheid van het leven.Zijn verblijf in Antwerpen en zijn vriendschap met de kunstenaars rond de galerie De Zwarte Panter betekende een nieuw elan in zijn creativiteit. Eerder werk was vrij onbestemd, zowel formeel als inhoudelijk. Maar in Antwerpen leek het er op dat hij zijn eigenlijke weg had gevonden. Veel van zijn toenmalige schilderijen zijn gebaseerd op de Griekse mythologie en getuigen van zijn doorvoelde klassieke opleiding die hij tijdens zijn studies had verworven. Dat was al in zijn Amerikaanse tijd begonnen met de figuur van Orpheus en het Ilias-thema. In Antwerpen begon hij opnieuw te werken rond dat thema omdat hij er de basis van een hele beschaving in terugvond en hij hoopte die opnieuw te zien bloeien in de toenmalige tijd. Het was zijn humanistische instelling die hij picturaal wenste over te dragen. Zijn vriendschap met zijn kompanen van de galerie uitte zich in tal van portretten en zelfportretten. Het zijn geen afgelikte, duidelijk herkenbare figuren maar eerder interpretaties van aard en karakter. Dat is geen exclusieve voor de schilder Cox maar hij interpreteert vrijelijk omdat hij de vrijheid in de kunst altijd heeft laten voorgaan op de realiteit. Dat maakt zijn oeuvre ook zo enigmatisch en persoonlijk. Hij was niet het soort kunstenaar waaraan anderen zich konden spiegelen want zijn vormentaal, zijn kleurgebruik en het concept waarmee hij in ieder werk vertrok was dermate persoonlijk en uniek dat het onnavolgbaar was. Bovendien was de mix van concreet en abstract zo manifest dat het ontegensprekelijk zijn picturale taal was die niet zomaar door iemand anders kon gebruikt worden. Zijn oeuvre staat en valt met de intensiteit die de toeschouwer wil opbrengen. Hij moet zich openstellen voor de complexe ziels- en kunstwereld van de kunstenaar en die is niet simpel te vatten. Maar er is altijd de kleurenweelde en de persoonlijke vormentaal die aanzetten tot reflectie en vaak tot bewondering.Een uitgepuurde selectie van zijn oeuvre kan uiteraard maar een idee geve van een vrij uitgebreid bestand maar het is een haast eerbiedige hulde aan een kunstenaar die voor alles vrij wilde zijn van alle morele en artistieke bindingen en daardoor een authentiek personage werd in de Belgische kunstwereld van na de Tweede Wereldoorlog.