Vorig jaar ging het bijna overal goed met de economie. De wereldeconomie groeide met 3,7 procent en het was sinds 2011 geleden dat nog zo sterk werd gepresteerd. De Belgische economie kende met 1,7 procent 'een gematigde groei', aldus gouverneur Jan Smets van de Nationale Bank, die zich zeer in zijn nopjes toonde dat dit zoveel nieuwe jobs opleverde: in 2017 kwamen er 66.000 banen bij.
...

Vorig jaar ging het bijna overal goed met de economie. De wereldeconomie groeide met 3,7 procent en het was sinds 2011 geleden dat nog zo sterk werd gepresteerd. De Belgische economie kende met 1,7 procent 'een gematigde groei', aldus gouverneur Jan Smets van de Nationale Bank, die zich zeer in zijn nopjes toonde dat dit zoveel nieuwe jobs opleverde: in 2017 kwamen er 66.000 banen bij. Nog belangrijker dan die aangroei met 66.000 banen op zich is dat slechts 5 procent van die nieuwe jobs er bij de overheid en het onderwijs bijkwamen en dus volledig door belastinggeld werden gefinancierd. Tussen 2005 en 2008, dus voor het uitbreken van de financiële crisis, was dat nog 17 procent. De meeste banen werden vorige jaar gecreëerd in de conjunctuurgevoelige bedrijfstakken. Daar kwamen liefst 39.000 jobs bij. En anders dan in de voorgaande jaren gingen er in 2017 netto geen banen verloren in de industrie en in de bouwnijverheid. Bij al die cijfers zou een mens de neiging kunnen hebben om te gaan dansen op tafel, maar dat vindt gouverneur Smets nog véél te vroeg. We hebben nog heel wat werk te verzetten eer we victorie mogen kraaien. In het verslag geeft de Nationale Bank - soms duidelijk, soms zeer voorzichtig geformuleerd - heel wat aanwijzingen over welke zaken best worgen aangepakt. Zowel de regering-Michel, de regionale regeringen als de werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers mogen zich aangesproken voelen.Ondanks het feit dat er zoveel nieuwe banen bijkwamen, 'is de werkloosheid nog steeds onaanvaardbaar hoog en blijft de werkgelegenheidsgraad (het aantal mensen op arbeidsleeftijd dat werkt) te laag', zegt de Nationale Bank. De werkloosheidsgraad bedroeg vorig jaar 7,3 procent en dat is nog steeds hoger dan vóór het uitbreken van de financiële crisis in 2008, toen die 7 procent was. Niet onbelangrijke bemerking hierbij: de werkloosheidsgraad is zeer verschillende per gewest. Terwijl de werkloosheidsgraad in Vlaanderen 4,6 procent bedraagt, is die in Wallonië meer dan het dubbele, namelijk juist 10 procent. In Brussel, dat met problemen kampt waar alle grote steden mee te maken hebben, is de werkloosheidsgraad zelfs 15,7 procent. De Nationale Bank wijst - niet voor het eerst - op het gebrek aan 'geografische mobiliteit': werklozen in Brussel en Wallonië vinden blijkbaar nog steeds niet de weg naar Vlaanderen, waar er vaak om arbeidskrachten wordt geroepen.De hoge werkloosheid en lage werkgelegenheidsgraad hebben nog met een veel belangrijker fenomeen te maken: 'er is een mismatch tussen arbeidsaanbod en arbeidsvraag', zo signaleert de Nationale Bank. De vaardigheden van de werkzoekenden sluiten onvoldoende aan bij wat de arbeidsmarkt vraagt. In 2016 bestond 11 procent van de werkgelegenheid uit laaggekwalificeerde functies, terwijl het aandeel laaggeschoolde werkzoekenden 36 procent was. Omgekeerd waren de hooggekwalificeerde banen goed voor 46 procent van de werkgelegenheid, terwijl maar 23 procent van de werkzoekenden hooggeschoold was. 'Die verschillen weerspiegelen wellicht ook de buitensporig hoge eisen die werkgevers inzake kwalificatieniveau stellen, in vergelijking met hun reële behoeften', aldus de Nationale Bank, een duidelijke vingerwijzing naar de werkgevers. Natuurlijk heeft die mismatch tussen vraag en aanbod van arbeid ook veel te maken met de opleiding. Zowel de basisopleiding als de permanente vorming laten in ons land 'gemengde resultaten' optekenen, zegt de Nationale Bank. Het percentage schoolverlaters (jongeren van 18 tot 24 jaar die het onderwijssysteem verlaten zonder getuigschrift) is bijna 9 procent. Gelukkig is dat percentage de afgelopen tien jaar sterk gedaald, maar ook vandaag komt nog steeds een aanzienlijke groep zonder diploma op de arbeidsmarkt.Het percentage afgestudeerden van het hoger onderwijs ligt in België met meer dan 45 procent vrij hoog, maar dat percentage stijgt minder sterk dan in andere Europese landen. Bovendien kiezen te weinig studenten voor wetenschappelijke, technologische en wiskundige studierichtingen. En dat zijn net de diploma's die het meest kans maken op een job.Ook hier is er een belangrijke kanttekening: achter deze cijfers gaan opnieuw opmerkelijke verschillen schuil tussen gewesten en gemeenschappen. Wat de vroegtijdige schoolverlaters betreft, doet Vlaanderen het met 6,8 procent beter dan Wallonië (10,3 procent) en Brussel (14,8 procent). Vlaanderen scoort ook beter dan de Franse gemeenschap op testen die het studieniveau internationaal vergelijken. 'Hervormingen die versterkend en verbredend werken, zijn dan ook nodig', staat in het verslag.België scoort ook niet goed als het gaat over het levenslang leren: geen 7 procent van de werkenden in ons land neemt deel aan permanente vorming, terwijl dat gemiddeld in Europa bijna het dubbel bedraagt. Dat is nog uitgesprokener bij de 55-plusses (5,6 procent) en laaggeschoolden (2 procent). 'Dat zijn nochtans allebei groepen die veel baat zouden hebben bij opleiding', aldus de Nationale Bank. Naast de 55-plussers en de laaggeschoolden is er nog een groep die te weinig aan de slag geraakt: niet-EU-onderdanen. De werkgelegenheidsgraad van niet-EU-onderdanen ligt in ons land aanzienlijk lager dan alle landen waarmee we vergelijkbaar zijn. De Nationale Bank pleit er dan ook voor dat het werkgelegenheidsbeleid bijzondere aandacht schenkt aan de 55-plussers, de laaggeschoolden en zeker aan de niet-EU-onderdanen. Daarbij moet 'iedere vorm van discriminatie worden geweerd', schrijft de Nationale Bank. Want als we erin slag om meer deze groepen meer in te schakelen in het arbeidsproces 'zal niet alleen de economische slagkracht erop vooruitgaan, ook de maatschappelijke inclusie is erbij gebaat. Werken is immers het emancipatiemiddel bij uitstek.'De inflatie ligt al enige tijd hoger in ons land dan in onze buurlanden. Dat wil dus zeggen dat het leven in België sneller duurder wordt dan in de land rondom ons. De Nationale Bank omschrijft dit als 'zorgwekkend'.Vorig jaar bedroeg de gemiddelde inflatie in de eurozone 1,5 procent terwijl dat in ons land 2,2 procent was. Verschillende diensten waarvan de prijzen gereguleerd zijn, werden opvallend duurder, zoals de riolering, huisvuilophaling, medische diensten, verpleging in het ziekenhuis, rusthuizen en onderwijs. Maar er werden ook opmerkelijke prijsstijging gezien in de restaurants en cafés, terwijl de prijzen in de telecommunicatie bij ons minder scherp daalden dan in onze buurlanden. Meer concurrentie zou hier kunnen helpen. Die hoge Belgische inflatie is 'zorgwekkend', want ze sijpelt via prijsindexeringen door in onze economie. Ze zorgt overal voor nieuwe prijsstijgingen: huur, tarieven openbaar vervoer, premies voor brandverzekering enzoverder worden dan opgetrokken. De klimmende prijzen werken ook via de index ook door in de lonen en sociale uitkeringen. Het is blijkbaar zeer moeilijk om onze inflatie op het gelijk niveau van onze buurlanen te brengen (Frankrijk vorig jaar 1,2 procent, Nederland, 1,3 e, Duitsland 1,7 procent). Het loskoppelen van de lonen en uitkeringen van de index zou er een belangrijk onderdeel hier van kunnen zijn, maar dat is voor velen niet bespreekbaar.Vorig jaar liep het begrotingstekort terug van 2,5 procent van het bbp tot 1 procent, terwijl de overheidsschuld daalde van 105,7 procent naar 102,8 procent. '2017 was dus een bijzonder goed jaar voor de overheidsfinanciën', concludeert de Nationale Bank. 'Toch mag men niet op zijn lauweren rusten'. De verdere gezondmaking van onze overheidsfinanciën blijft noodzakelijk, zegt de Nationale Bank. Want België blijft met enkele serieuze problemen kampen. De overheidsschuld blijft bijzonder hoog en de vergrijzing zal, ondanks de pensioenhervorming, steeds meer geld van de overheid opeisen. Daarom 'moet het begrotingstekort resoluut en duurzaam worden teruggedrongen tot een structureel evenwicht', aldus de Nationale Bank. De gouverneur wou niet specifiëren tegen welk jaar dat begrotingsevenwicht moet worden bereikt: 'Het doel is belangrijker dan het precieze jaartal', zo zei hij.De goede conjunctuur waar we vandaag van kunnen genieten, 'moet worden aangegrepen om buffers voor de toekomst aan te leggen.' Gouverneur Smets citeerde tijdens de persconferentie daarbij instemmend de woorden die John F. Kennedy in 1962: 'Je moet het dak repareren als de zon schijnt'. Als het ooit opnieuw economisch slechter gaat, kunnen die buffers door de overheid gebruikt worden om de gevolgen daarvan te beperken. Ze zou dan bijvoorbeeld dat geld kunnen gebruiken voor investeringen om zo de economische motor toch een beetje draaiend proberen te houden. Daarnaast kan de overheid die buffers ook gebruiken om te antwoorden op nieuwe uitdagingen. Wat zo beschikt men over geld om te investeren in infrastructuur, onderwijs, milieubescherming, 'en kunnen de welvaart en sociale bescherming behouden blijven', aldus het verslag.Er moet dus weloverwogen worden geïnvesteerd, vindt de Nationale Bank, die er tegelijkertijd voor waarschuwt dat de overheid nog steeds te veel geld uitgeeft, 'niet alleen in vergelijking met de toestand vóór de crisis, maar ook ten opzichte van de meest geavanceerde economieën, zonder dat daar steeds een betere dienstverlening tegenover staat.' Over hoe die overheidsbesparingen moeten gebeuren, fluit de Nationale Bank het bekende riedeltje: administratieve vereenvoudiging, doeltreffend management, meer digitalisering om de productiviteit op te drijven, maar tegelijkertijd pleit ze voor een 'expenditure shift', een verschuiving van de overheidsuitgaven: het beschikbare overheidsgeld moet veel meer gaan naar investeringen die bijdragen tot onze economische groei.De Nationale Bank somt een aantal overheidsinvesteringen die bijdragen tot onze economische groei op: 'investeringen in infrastructuur en naar andere productieve uitgaven zoals voor de ondersteuning van onderzoek & ontwikkeling en innovatie en uitgaven die bijdragen aan de aanpassing van de arbeidskrachten aan de digitale verandering'. Hierin schiet België vandaag tekort: 'Landen met een vergelijkbaar uitgavenniveau besteden aanzienlijk meer aan investeringen, terwijl andere landen die evenveel investeren als België algemeen minder uitgeven.'Dat België daarin tekort schiet, wreekt zich, zie bijvoorbeeld naar onze infrastructuur die 'te lijden heeft gehad onder het lage niveau van overheidsinvesteringen', zo staat in het verslag. Daarbij wordt een rapport van het World Economic Forum geciteerd over de algemene kwaliteit van onze infrastructuur, op een schaal van 0 tot 7. In 2014 scoorden we hier nog 5,8, vorig jaar was dat cijfer gedaald tot 4,9. Daarmee liggen we vandaag rond het EU-gemiddelde, maar ruim onder het resultaat van onze buurlanden.De Nationale Bank waarschuwt: 'Deze verslechtering, die België onaantrekkelijker maakt voor buitenlandse directe investeringen, zou op termijn een negatieve invloed kunnen hebben op de verspreiding van technologische innovaties in ons land' Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat er gepleit wordt om 'weloverwogen' te investeren, vooral in mobiliteit en energiebevoorrading, 'twee cruciale domeinen met zeer grote noden'. Zowel de overheid als de privésector hebben hier een rol in te spelen.De gouverneur hekelde dat er geen afspraken kunnen worden gemaakt tussen alle mogelijke overheden in ons land om de begrotingsdoelstellingen te bereiken: 'In 2017 werd alweer geen samenwerkingsakkoord daarover bereikt, terwijl de interne begrotingscoördinatie van cruciaal belang is'. Europa beoordeelt onze begrotingssituatie immers op basis van de prestaties van 'de gezamenlijke overheid'. Dat wil zeggen: het telt de resultaten van de federale overheid en sociale zekerheid op bij die van de gemeenschappen, gewesten en lokale overheden. Iedereen moet dus inspanningen leveren om het eindresultaat te bereiken.In 2013 werd bepaald dat de verschillende regeringen van ons land een akkoord moesten bereiken over de begrotingsdoestellingen en het verdelen van de inspanningen. Maar sindsdien is hierover nooit een akkoord bereikt. Gevolg is dat elke overheid een beetje zijn eigen zin doet en niemand op de vingers kan worden getikt als ze het niet zo nauw nemen met de begrotingsdiscipline. De Nationale Bank sluit zich aan bij de Europese Commissie die eerder al België aanmaande 'om een bindende overeenkomst te bereiken over de verdeling van het begrotingstraject tussen de overheidsniveaus en te zorgen voor een onafhankelijke monitoring van de begrotingsresultaten.' Het is een dringende oproep die onze politici ter harte moeten nemen als ze onze overheidsfinanciën verder gezond willen maken.