De Tipo 300S werd in 1955 gecreëerd als een evolutie van de 250S monoposto en werd tot 1959 het symbool van Maserati op de internationale circuits. In 1954 al - bij de ontwikkeling van het 250S prototype, voorzien van een 230 pk sterke 2,5-liter motor die was afgeleid van de krachtbron uit de 250F Formule 1 raceauto - begonnen de ingenieurs van Maserati de cilinderinhoud en het vermogen van de motor verder te vergroten. Het resultaat was een 3,0-liter 'straight six' met meer vermogen en betere prestaties, maar met minder mechanische belasting vanwege de lagere compressieverhouding en lagere toerentallen, ondanks de hogere zuigersnelheden. De overige onderdelen en details waren dezelfde als die in de 2,5-liter zescilinder-lijnmotor, waaronder de twee bovenliggende nokkenassen en de dubbele ontsteking. Daarmee werd een grand prix-concept doorvertaald in een sportwagen, en in later zou diezelfde mechaniek ook in productiemodellen zijn opwachting maken. Vanuit technisch perspectief was de 300S een huzarenstukje. De zittingen van de grote kleppen en de uitsparingen voor de twee bougies voor de dubbele ontsteking waren duidelijk zichtbaar in de bolvormige verbrandingskamer van de motor. De voorste ophanging bestond uit dubbele wishbones en spiraalvormige veren met coaxiale telescopische schokdempers. Ook de remtrommels waren een echt kunststukje. De lichtmetalen behuizing was voorzien van radiale vinnen en uitsparingen om de hitte sneller af te voeren. Het uiterlijk van de auto, met een koets van Fantuzzi en vloeiende sportwagenlijnen, was solide doch aantrekkelijk geproportioneerd. De grote luchtopening in het front droeg het traditionele drietandembleem, dat was geïntegreerd in aluminium profielen, terwijl de bestuurdersstoel werd beschermd door een kleine voorruit. In 1955 won de Tipo 300S de Grand Prix van Venezuela, met Juan Manuel Fangio achter het stuur. Een jaar later, in 1956, vierde het model echter zijn grootste successen en greep de 300S net naast de WK-titel voor sportscars. De betrouwbaarheid van de motor en de perfecte respons van het chassis waren de twee belangrijkste elementen die de Tipo 300S zijn vele successen bezorgden. Vervolgens Stirling Moss en Carlos Menditeguy wonnen in 1956 in 300S racers de 1.000 kilometer van Buenos Aires, terwijl Pietro Taruffi zegevierde in de Giro di Sicilia (1e in de klasse tot 3.000 cc) en de Targa Florio (klassewinnaar in de categorie boven 2.000 cc). Jean Behra won met de auto op de circuits van Bari en Castelfusano, terwijl Franco Bordini met de 300S de Vijf Uren van Messina op zijn naam schreef. In datzelfde jaar was de auto tevens succesvol tijdens de 1.000 kilometer van de Nürburgring, waarbij Stirling Moss, Jean Behra, Pietro Taruffi en Harry Schell beurtelings het stuur overnamen. In 1957 werd de nieuwe, krachtigere 450S geïntroduceerd, hoewel de 300S tot 1959 in productie bleef. In totaal werden er tussen 1955 en 1959 van de Tipo 300S 27 exemplaren geproduceerd. (Belga)

De Tipo 300S werd in 1955 gecreëerd als een evolutie van de 250S monoposto en werd tot 1959 het symbool van Maserati op de internationale circuits. In 1954 al - bij de ontwikkeling van het 250S prototype, voorzien van een 230 pk sterke 2,5-liter motor die was afgeleid van de krachtbron uit de 250F Formule 1 raceauto - begonnen de ingenieurs van Maserati de cilinderinhoud en het vermogen van de motor verder te vergroten. Het resultaat was een 3,0-liter 'straight six' met meer vermogen en betere prestaties, maar met minder mechanische belasting vanwege de lagere compressieverhouding en lagere toerentallen, ondanks de hogere zuigersnelheden. De overige onderdelen en details waren dezelfde als die in de 2,5-liter zescilinder-lijnmotor, waaronder de twee bovenliggende nokkenassen en de dubbele ontsteking. Daarmee werd een grand prix-concept doorvertaald in een sportwagen, en in later zou diezelfde mechaniek ook in productiemodellen zijn opwachting maken. Vanuit technisch perspectief was de 300S een huzarenstukje. De zittingen van de grote kleppen en de uitsparingen voor de twee bougies voor de dubbele ontsteking waren duidelijk zichtbaar in de bolvormige verbrandingskamer van de motor. De voorste ophanging bestond uit dubbele wishbones en spiraalvormige veren met coaxiale telescopische schokdempers. Ook de remtrommels waren een echt kunststukje. De lichtmetalen behuizing was voorzien van radiale vinnen en uitsparingen om de hitte sneller af te voeren. Het uiterlijk van de auto, met een koets van Fantuzzi en vloeiende sportwagenlijnen, was solide doch aantrekkelijk geproportioneerd. De grote luchtopening in het front droeg het traditionele drietandembleem, dat was geïntegreerd in aluminium profielen, terwijl de bestuurdersstoel werd beschermd door een kleine voorruit. In 1955 won de Tipo 300S de Grand Prix van Venezuela, met Juan Manuel Fangio achter het stuur. Een jaar later, in 1956, vierde het model echter zijn grootste successen en greep de 300S net naast de WK-titel voor sportscars. De betrouwbaarheid van de motor en de perfecte respons van het chassis waren de twee belangrijkste elementen die de Tipo 300S zijn vele successen bezorgden. Vervolgens Stirling Moss en Carlos Menditeguy wonnen in 1956 in 300S racers de 1.000 kilometer van Buenos Aires, terwijl Pietro Taruffi zegevierde in de Giro di Sicilia (1e in de klasse tot 3.000 cc) en de Targa Florio (klassewinnaar in de categorie boven 2.000 cc). Jean Behra won met de auto op de circuits van Bari en Castelfusano, terwijl Franco Bordini met de 300S de Vijf Uren van Messina op zijn naam schreef. In datzelfde jaar was de auto tevens succesvol tijdens de 1.000 kilometer van de Nürburgring, waarbij Stirling Moss, Jean Behra, Pietro Taruffi en Harry Schell beurtelings het stuur overnamen. In 1957 werd de nieuwe, krachtigere 450S geïntroduceerd, hoewel de 300S tot 1959 in productie bleef. In totaal werden er tussen 1955 en 1959 van de Tipo 300S 27 exemplaren geproduceerd. (Belga)