De achilleshiel van benzinemotoren is hun hogere verbruik en bijhorende CO2-emissie in vergelijking met een gelijkwaardig presterende dieselmotor. Om het verbruik te drukken, grijpen steeds meer constructeurs - hoe ironisch dat mag klinken - naar dieseltechnologie.

Eén van die ingrepen is een rechtstreekste inspuiting die qua architectuur vergelijkbaar is met de common rail techniek die we van zelfontbranders kennen. Waar dieselmotoren hun brandstof vernevelen bij een druk tot ruim 2.000 bar, houden rechtstreeks ingespoten benzineversies het bij 200 tot 300 bar omdat het technologisch erg moeilijk bleek om de druk te vergroten met benzine. Nadeel van deze relatief lage inspuitdruk is de vorming van roetpartikels bij de verbranding omdat de benzinedruppeltjes zich niet (snel) goed genoeg kunnen mengen met de lucht in de verbrandingskamer, waardoor roetdeeltjes ontstaan. Daarom monteren steeds meer automerken ook een roetfilter op een benzinemotor.

Delphi Technologies heeft nu een systeem bedacht om de inspuitdruk van benzinemotoren op te trekken tot meer dan 500 bar en ze beloven dat het aantal roetpartikels op deze manier wordt gehalveerd 'aan de bron', dankzij een aangepaste benzinepomp en specifieke injectoren. Bestaande motoren moeten geen fundamentele aanpassingen ondergaan. Ook de dure nabehandelingssystemen zoals een roetfilter zijn mogelijk niet meer noodzakelijk.

Delphi verwacht deze technologie vanaf 2022 op de markt te hebben.(Belga)