‘Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten, voor de rechtvaardiging van een bestaan?’ vroeg dichter J.C. Bloem zich af. De miserabele man kon werkelijk niets, behalve schrijven. Achttien drukken van zijn Verzamelde Gedichten en een uitstekende biografie zouden hem enigszins moeten geruststellen.

‘In het vroege voorjaar van 1903 onderging Jacques Bloem, vijftien jaar oud, een verandering in het diepst van zijn ziel, toen hij in een schoolboek het sonnet Sluimer van Jacques Perk las. Op zijn minst vijfmaal zou Bloem naderhand van deze schok van herkenning verhalen: “Welk een nooit te vergeten geluk, dat iemand nimmer in de steek laat”, schreef hij vijftig jaar later, en: “Nog kan ik iets navoelen van de extase die deze woorden wekten.” Aldus, met de beschrijving van de directe aanleiding tot een groot dichterschap, opent de Bloem-biografie Van alle dingen los van Bart Slijper. Dit boek wil, zo schrijft de auteur in zijn nawoord, de weergave zijn van Bloems levensverhaal, waarin zowel de belangrijke gebeurtenissen als de trivialiteiten evenredig aan bod komen. Daar is Slijper voortreffelijk in geslaagd. De biografie van de meest verkochte Nederlandse dichter van de 20e eeuw – samen met Hendrik Marsman en Gerrit Achterberg – leest als een trein.

Die hoge verkoopcijfers komen er pas na de Tweede Wereldoorlog met de uitgave van de Verzamelde gedichten. Bloem is dan al 60. Dat het voordien niet al te best vlot, blijkt uit de volgende anekdote. Wanneer Bloem in januari 1932 voor twee lezingen in België is, noemt een inleider hem in zijn welkomstwoord een van de voortreffelijkste Nederlandse dichters, en hij wijst op de grote belangstelling die in het zuiden bestaat. In een schriftelijke reactie laat de uitgever echter weten dat in heel België welgeteld één exemplaar van Bloems tweede bundel, Media Vita, is verkocht en wel aan ene G. Vraimont in Brussel.

Jakobus Cornelis Bloem is het oudste kind van een mateloos populaire burgemeester en een overbezorgde moeder. Zijn prille kinderjaren ervaart hij als paradijselijk (‘Wat is er van mijn dagen mij gebleven, / En van hun gloed en ’t rusteloos gedruis / Der wereld om mijn nutteloze streven? / Alleen één zekerheid: het ouderhuis. //,’ luidt het in het gedicht Aan mijn ouders), tot hij op zijn twaalfde naar de Burgerschool in Leiden moet. Hij verblijft er in de kost bij een van zijn leraars, in die tijd niet ongebruikelijk. Door geringe ijver en moedeloze tegenzin nemen zijn schoolresultaten een duik. Na de middelbare school kiest hij onder druk van zijn vader voor een rechtenstudie, die eindeloos duurt (‘Net de bek van een slang,’ klaagt hij, ‘waar de prooi wel steeds verder in, maar nooit meer uit kan’) omdat Bloem de dingen die gedaan moeten worden almaar uitstelt. Wanneer zijn grootmoeder, zoals vooraf afgesproken, na vijf jaar ophoudt met hem te sponsoren, worden Jacques’ financiële problemen acuut en nogal uitzichtloos.

Schulden maken en die wanhopig proberen af te lossen, het loopt als een rode draad doorheen Bloems leven. Hij is verslaafd aan boeken kopen, kan zich niet voorstellen een boek te lezen dat hem niet toebehoort, meer zelfs, hij beseft dat hij boeken koopt die hij nooit zal lezen. Het bittere is dat Bloem zijn persoonlijke bibliotheek een groot deel van zijn leven, door ettelijke verhuizingen, niet bij zich kan hebben. Ontelbare baantjes oefent hij uit – kantoor, redactie, griffie… – maar hij haat ze allemaal evenzeer: ‘Behalve het minder oneervolle is het in niets onderscheiden van gevangenschap.’ Hij stapt in een aantal gevallen zelf op of laat zich gewillig ontslaan. Bloem is een notoire langslaper, die zijn leven en werk niet kan organiseren.

In de jaren dertig ligt er eindelijk een aardige betrekking in het verschiet. De eigenaressen van uitgeverij De Spiegel in Amsterdam hebben het voornemen een Belgisch filiaal op te starten, en denken in Bloem de geschikte man te hebben gevonden om de nieuwe vestiging te leiden. Gedrieën brengen zij een bezoek aan België om een aantal zaken te regelen. Als om tien uur in de ochtend het autootje van de dames bij Bloem voorrijdt, is Clara al ongeveer een uur bezig hem uit bed en in de kleren te krijgen. De ene dame wil nog wel binnenkomen, terwijl de andere kwaad voor het huis heen en weer beent. Pas tegen elf uur kunnen ze vertrekken, waarna Bloem vanuit een grensplaats naar huis belt, omdat hij zijn paspoort niet bij zich heeft. Clara is Clara Eggink, de vrouw – later ook publicerend dichteres – met wie Bloem trouwt, van wie hij scheidt, maar die hem altijd nabij blijft, tot op zijn sterfbed toe. Als hij zich in 1925 met haar verlooft, is hij dubbel zo oud als zij; Bloem had een boontje voor jonge meisjes, liefst van eenvoudige komaf. Ze trouwen een jaar later en nog een jaar later wordt zoon Wim geboren. Bloem is dol op de jongen en al even bezorgd als destijds zijn moeder om hem. Gek van de overbezorgdheid van zijn vader wijkt Wim in de jaren zestig met vrouw en kinderen uit naar de verst denkbare plek: Australië.

NOSTALGIE DU PASSé

Bart Slijper projecteert een kristalhelder beeld van de mens J.C. Bloem. De biografie is ingedeeld in hoofdstukken die overeenkomen met periodes in Bloems leven, meestal verbonden aan een nieuwe woonplaats. Door van het ene hoofdstuk al eens naar het volgende vooruit te blikken, ritst hij de tijdvakken behendig aan elkaar, en creëert zo een spanningsboog die het leesplezier nog versterkt. Maar te midden van al die genoeglijke wetenswaardigheden gaat het natuurlijk vooral om het dichterschap van Bloem. Op het moment dat zijn vrienden Piet van Eyck en Jan Greshoff, met wie hij later de bibliofiele poëziereeks De Zilverdistel opzet, al een dichtbundel gepubliceerd hebben, wacht Bloem nog altijd op zijn eerste belangrijke publicatie in het gezaghebbende tijdschrift De Beweging. Nadat de oprichter van het periodiek en later Bloems mentor, Albert Verwey, hem een aantal keren heeft afgewezen, lukt het dan toch met de gedichten Futura en Walcheren. Gaandeweg wordt Bloem naast een begenadigd dichter ook een scherpzinnig essayist en beslagen criticus. Hij heeft een afkeer van holle frasen, nietszeggende vaagheid, opgeklopt gevoel en moralisme. ‘Ik voor mij’, verklaart hij, ‘houd het meest van die verzen, die op zoowel eenvoudige als eigen manier (d.w.z. waarbij men den indruk heeft, dat het onmogelijk anders gezegd kon worden) heel diepe dingen over het leven zeggen.’

Die typering geldt ook voor zijn eigen gedichten, waarin het geluksverlangen centraal staat, een verlangen naar een toekomst die doordrenkt is van de zalige herinneringen aan zijn kindertijd. De unieke verwoording van die nostalgie du passé maakt dat Bloem al zijn vrienden-dichters overklast. Soms lijkt het wel dat het literaire wereldje in die tijd piepklein was, dat al die poëten elkaar kenden en frequenteerden. In hun gezelschap voelt hij zich op zijn gemak, bij voorkeur met enige flessen vocht binnen handbereik. Voor de rest is elke handeling die Bloem, met zijn ouderwetse 19e-eeuwse politieke opvattingen en zijn afkeer van vooruitgang, moet stellen er een te veel. ‘Levensmoed?’ zo klinkt het in het gelijknamige gedicht, ”t Is niet te durven sterven, / Anders niet’.

Ongeveer tezelfdertijd met de Bloem-biografie verschijnt de achttiende druk van zijn Verzamelde gedichten, wat de totale oplage op ongeveer 70.000 exemplaren brengt. Bloems bekende versregels ‘Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten, / Voor de rechtvaardiging van een bestaan [… ]?’ herbergen twijfel en berusting, klinken verontschuldigend, maar ook triomfantelijk. Zijn gebrek aan daadkracht tartte elke verbeelding. Alleen zijn armoede brandde hem enigszins vooruit, al is dit een potsierlijke uitdrukking voor iemand die al op jonge leeftijd volslagen uitgeblust leek. Van alles wat hij deed – moest doen – zag hij alleen maar de zinloosheid, zijn dichterschap uitgezonderd. In zijn eigen woorden: ‘Ik heb inderdaad niet veel gepresteerd in het dagelijksch leven, maar dat weinige heeft mij oneindig meer zelfoverwinning gekost dan het vele, door de sleur-automaten verricht.’

Ruim 40 jaar na zijn dood leeft Jacques Cornelis Bloem verder in de literatuurgeschiedenis. Het leuke daaraan is dat het hem niet de minste moeite kost.

BART SLIJPER, ‘VAN ALLE DINGEN LOS’, DE ARBEIDERSPERS, AMSTERDAM/ANTWERPEN, 2007, 392 BLZ., 34,95 EURO

J.C. BLOEM, ‘VERZAMELDE GEDICHTEN’, ATHENAEUM-POLAK & VAN GENNEP, AMSTERDAM, 2007, 272 BLZ., 13,95 EURO

DOOR PHILIP HOORNE

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content