Chris De Stoop
Chris De Stoop Chris De Stoop is redacteur van Knack.

Info:

De auteur is hoogleraar sociologie aan de Vrije Universiteit Brussel.

Na de Tweede Wereldoorlog, in het vaarwater van het Marshallplan, boetseerden de Amerikanen de Europese cultuur. Het Congress for Cultural Freedom (CCF) speelde daarbij een belangrijke rol. Het kon steunen op de medewerking van een indrukwekkende lijst academici. Zij wilden de Europese elite een andere bril opzetten, hen de wereld op een andere manier leren zien. Niet langer verdeeld in een kapitalistisch en een communistisch kamp, maar opgedeeld in enerzijds totalitaire regimes, anderzijds democratische, vrije en open samenlevingen. Tegelijkertijd moest het afgrijzen van die Europese elite voor de (Amerikaanse) massacultuur worden overwonnen. Al wie zich in het Europa van de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw gecultiveerd achtte, baalde van de in denim gehulde rockers.

Omdat het nu eenmaal moeilijk is je economisch beleid en je politieke en juridische instellingen te slijten aan mensen die de rest van je cultuur verafschuwen, werd door het CCF een dubbel spoor gevolgd: enerzijds het bekend en geliefd maken van het Amerikaanse, hoogculturele modernisme, anderzijds het relativeren van de kritiek op de massacultuur. Daarenboven wilde men ook af van de scherpe ideologische conflicten die de Europese politiek verhitten. Daartoe diende het uitgangspunt van ‘het einde van de ideologie’. Het klinkt allemaal bijzonder eigentijds: het einde van de ideologieën en van de grote verhalen, het opheffen van het onderscheid tussen hoge en lage cultuur, de waardering voor massacultuur, het einde van een visie die de wereld opdeelt in communistische en kapitalistische regimes en die de aandacht toespitst op democratie. Het culturele project, gekoesterd door het CCF in de jaren vijftig, is het Europese eenheidsdenken van vandaag.

Bofte het CCF? Is de geschiedenis gewoon zijn richting uitgegaan? Of heeft het die geschiedenis effectief gestuurd door, via gerichte steun aan kranten, magazines, partijen, universiteiten en intellectuelen, het denken en voelen van de Europeanen te beïnvloeden? Het is vandaag evenmin nog duidelijk of we die Amerikaanse invloed moeten betreuren. Dat was het wel in 1966, toen uitlekte dat het CCF steun kreeg van de CIA, en af en toe als front voor de agency optrad. Terugblikkend op die uitzonderlijke episode van culturele vorming, ziet men de leidinggevende leden van het CCF op twee fronten strijden. Tegen communistische invloed in Europa en tegen radicaal-rechts in Amerika. Dat radicaal-rechts wilde in Europa alleen steun verlenen aan rechts: niet aan de sociaal-democraten, niet aan links-liberalen, niet aan travaillisten of de Britse ‘Lib-Lab-denkers’, zelfs niet aan alle christen-democraten. Als ze gelijk hadden gekregen, dan was, ironisch genoeg, de invloed van Amerika in Europa kleiner geweest.

Vandaag zwaaien die rechtse fanatici echter de plak in Washington. Zij vormen nu de nieuwe Europese staten en leveren ook inspiratie aan rechts in Vlaanderen, dat steeds minder in staat blijkt te denken vanuit de eigen Europese culturele tradities. Het volgt slaafs de ideeën en zelfs de (onbeschofte) stijl van het Amerikaanse rechts: van het cowboyachtige neoliberalisme waarmee het Vlaams Belang nog maar eens uitpakt, tot het bekrompen ‘ethisch rechts’ dat van de archaïsche fundamentalisten wordt gekopieerd door onder meer Paul Beliën en Alexandra Colen. Wat een boeiende, wondere wereld toch. Vlaams rechts put uit een Amerikaans rechts dat haaks staat op de cultuur die Amerika hier na de Tweede Wereldoorlog heeft helpen ontwikkelen. Het vertegenwoordigt op die manier een conservatisme dat vreemd is aan dit land. De rechtse Vlaamse denkers dienen zich aan voor een wielercriterium in het plunje van Amerikaanse football-spelers.

Mark Elchardus

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content