De herziening van de zaak-Laplasse toont aan dat er nu nog lang geen sprake is van “verzoening”. Het geval is nog altijd minder een kwestie van recht dan wel van politiek.

KREEG DE WESTVLAAMSE Irma Laplasse in 1944-45 een korrekt proces ? Nee, want een kroongetuige in de zaak heeft vrijwel zeker meineed gepleegd. Tot die konklusie kwamen ook procureur-generaal Jacques Velu bij het hof van kassatie en de voormalige minister van Justitie Melchior Wathelet (PSC), waarna deze laatste besloot het proces te laten herzien. Daarom herbegon vorige donderdag voor het Krijgshof in Brussel het proces-Laplasse. Is Laplasse eigenlijk Irma Swertvaegher daarom onschuldig ? Dat is dan weer nog lang niet zeker. Het proces dient net om daarover klaarheid te krijgen en dan is het aan voorzitter Jos Durant om te beslissen.

Het Krijgshof staat met het dossier-Laplasse voor een ingewikkelde zaak, al was het maar omdat de feiten in kwestie zich net eenenvijftig jaar geleden hebben afgespeeld. Gelukkig kan het hof beschikken over het zeer uitvoerige en zeer degelijke verslag dat een twintigtal jaar geleden over de zaak werd opgesteld door advokaat-generaal Jacques Maes bij het militair hof. Over de feiten kan echter geen twijfel bestaan : op 8 september 1944 kwam het bij de gemeenteschool van Oostduinkerke (nu een deelgemeente van Koksijde) tot een gewapende konfrontatie tussen een eenheid van het Geheim Leger een van de belangrijkste verzetsorganizaties en Duitse troepen, behorend tot het Heeresküstenartillerieregiment 1240, dat gelegerd was in de kustbatterij op de Groeningedijk. Zeven verzetsmensen kwamen daarbij om het leven, de meesten standrechterlijk geëxecuteerd door de Duitsers.

Cruciaal daarin is de vraag waarom de Duitse eenheid, onder het bevel van majoor Corneille, die middag van de kustbatterij naar het centrum van Oostduinkerke is afgezakt. De meest gangbare tesis wil dat het haar doel was om de gevangenen te bevrijden die door het verzet in de school waren opgesloten, onder hen Duitse soldaten, die op de vlucht waren voor de oprukkende geallieerde troepen, en enkele “zwarten”, kollaborateurs, die eerder die ochtend door het Geheim Leger waren opgepakt.

VERRAAD.

Daar komt de toen 40-jarige Irma Laplasse aan de orde : onder de gearresteerde kollaborateurs bevond zich haar zoon Fred (toen 19). De beschuldiging tegen haar wil dat zij de Duitsers in de kustbatterij was gaan vragen om Fred te bevrijden. En is het onwaarschijnlijk dat de Duitsers erop uit zouden zijn getrokken om, op verzoek van Laplasse, één kollaborateur uit de handen van het verzet te gaan halen, dan is het wel aannemelijk dat zij álle gevangenen, in de eerste plaats de Duitse, wilden bevrijden. Irma Laplasse zou dus verraad hebben gepleegd en de verzetsakties hebben verklikt, met de bekende noodlottige gevolgen. Fred Laplasse kwam op 8 september inderdaad vrij, net als de anderen die in de school opgesloten zaten.

Dat is het wat ertoe heeft geleid dat Irma Laplasse op 21 december 1944 door de krijgsraad in Brugge tot de doodstraf werd veroordeeld. Dat vonnis werd door het Gentse krijgshof in beroep bevestigd, waarna ook haar genadeverzoek door prins-regent Karel werd verworpen, op grond van een negatief advies van de toenmalige katolieke minister van Justitie Charles du Bus de Warnaffe. Ze werd op 30 mei 1945 terecht gesteld in de gevangenis van Brugge.

Toch blijven nog andere verklaringen mogelijk voor de aanwezigheid van de Duitse eenheid in Oostduinkerke. Daarin speelt Laplasse geen enkele rol. De Duitsers konden er min of meer toevallig zijn langsgekomen tijdens een patrouille, om de geallieerde opmars te kunnen volgen en ook om de noordwaarts langs de kust vluchtende Duitse soldaten te beschermen. Mogelijks kon het ook de bedoeling zijn geweest om de opslagplaatsen in het centrum van het dorp voor verdere plunderingen te behoeden.

Er bestaan hoe dan ook aanwijzingen dat de eenheid-Corneille niet eens wist dat er gevangenen in de school opgesloten zaten. Toen ze vanuit de school onder schot werd genomen wat zou aangeven dat het verzet het vuur had geopend wou ze meteen het schoolgebouw opblazen, wat al wie zich daar binnen bevond, de gevangen Duitse soldaten en de “zwarten” inbegrepen, uiteraard het leven zou hebben gekost. Later werd majoor Corneille (die in krijgsgevangenschap zelfmoord zou plegen) ondervraagd door een geallieerde onderzoekskommissie, die wou nagaan of daar in Oostduinkerke geen oorlogsmisdaden waren begaan. Aan deze kommissie verklaarde Corneille dat zijn eenheid zo te keer was gegaan omdat het verzet zijn “operaties hinderde”, wat betekent dat Corneille dus eigenlijk met een ándere operatie bezig was ten tijde van het gevecht bij de school.

BEGRIP.

Het duurde ruim drie weken eer Irma Laplasse, samen met haar dochter Angèle (toen 15), werd opgepakt op verdenking van verklikking. De bekentenissen die beiden vervolgens aflegden, worden in het rapport-Maes evenwel niet helemaal betrouwbaar geacht. Dat voedt dan weer de geruchten dat Laplasse moest dienen als zondebok voor een “lichtzinnig” uitgevoerde en faliekant afgelopen verzetsoperatie. Dan wordt vooral met de vinger gewezen naar verzetsleider André Counye (die vorig jaar overleed), die bij het begin van de dodelijke schietpartij het hazepad zou hebben gekozen en achteraf, om zichzelf vrij te pleiten, de kwade genius zou zijn geweest achter de beschuldigingen tegen Laplasse.

Dat neemt dan weer niet weg dat Laplasse zelf, bijvoorbeeld in haar genadeverzoek aan de koning, niet ontkent dat ze nog vóór de schietpartij kontakt had met Duitse soldaten, maar ze vroeg daarvoor begrip, wijzend op de bezorgdheid van een moeder voor haar in gevaar verkerende zoon. Laplasse deed inderdaad het relaas van de aanhouding van Fred aan soldaat Josef Beyer, die het doorvertelde aan korporaal Peter Lenz. Met zijn tweeën bemanden ze een uitkijkpost in de duinen even buiten het dorp. Lenz berichtte de kustbatterij dan per veldtelefoon over wat hij via Beyer van Laplasse had vernomen.

Over dat cruciale feit bestaat overigens een hardnekkig misverstand. Het kontakt met Beyer en Lenz had in de duinen plaats, niet in de kustbatterij zelf. Meerdere getuigen signaleerden Laplasse en haar dochter nochtans in de batterij, bijvoorbeeld in het pas verschenen boek “Executie zonder vonnis” van de journalist Jean-Marie Pylyser, dat erg belastend is voor Laplasse. Zij halen daarmee twee feiten door elkaar. Pas op 10 september zijn Irma en Angèle Laplasse naar de batterij getrokken, en wel in opdracht van het verzet en van het inmiddels gearriveerde Canadese leger, om er over de overgave van de aldaar verschanste Duitse troepen te onderhandelen. De Laplasses waren als boodschappers uitgestuurd, omdat met name Counye ervan uitging dat zij de Duitsers goed kenden en dus het makkelijkst met hen in kontakt konden komen.

De vraag is of er een oorzakelijk verband bestaat tussen de mededeling van 8 september aan Beyer en Lenz en de schietpartij. Zo ja, dan is er wel degelijk sprake van verklikking. Zoniet zou er toch sprake kunnen zijn van verraad. Want Laplasse werd in 1944 ook verraad ten laste gelegd, het meedelen van vertrouwelijke inlichtingen aan de vijand. Het probleem daarmee is natuurlijk dat Irma Laplasse Beyer en zijn kompanen helemaal niet als vijanden percipieerde. Niet alleen was Beyer, die instond voor de bevoorrading van de batterij, een trouwe klant op de hoeve-Laplasse en een goede bekende van haar bewoners. Bovendien was het gezin Laplasse zonder meer een “zwart” gezin, dat de Duitse bezetting absoluut niet als iets negatiefs beschouwde.

MILDHEID.

De Laplasses pasten in dat deel van de Vlaamse beweging en dat was kwantitatief veruit het belangrijkste deel dat in 1940 vrijwel automatisch in de kollaboratie was beland. Ze behoorden tot de kleine zelfstandigen die vooral na de Eerste Wereldoorlog aansluiting vonden bij het Vlaams-nationalisme, meestal omwille van de rechts-konservatieve en katoliek-integralistische ideeën die ermee samenhingen, vooral in West-Vlaanderen. Dit soort Vlaams-nationalisten kwam, omwille van de ideologische affiniteit, nog het makkelijkst in de kollaboratie terecht. De leden van het gezin Laplasse waren dan ook terug te vinden in de diverse geledingen van de flamingantisch-kollaborerende “zuil”, zoals het Vlaams Nationaal Verbond (VNV), de Hulppolitie, de Fabriekswacht, het Nationaal-Socialistisch Jeugdverbond, de Dietse Meisjesscharen enzovoort.

Maar zoals het verklaart waarom iemand als Irma Laplasse een Duits soldaat eerder als een vriend dan als een vijand beschouwt, verklaart het ook waarom zij na 8 september 1944 snel als schuldig kon worden beschouwd. De rest van het verhaal hangt samen met een tragiek van de geschiedenis, waarvan Laplasse slachtoffer is geworden. Haar zaak leek eenvoudig, zodat zij vrij vroeg voor de rechter kwam, op een moment dat de ellende van de oorlog nog allerminst achter de rug was, dat een deel van het land nog altijd niet was bevrijd, dat het Ardennenoffensief bezig was, dat de Duitsers de moordende V-wapens inzette en dat het verzet nog hoog in aanzien stond. Het kon niet anders dan dat er toen zware straffen werden uitgesproken. Haar beroep en haar terechtstelling volgden spoedig, terwijl ondertussen het nieuws bekend raakte over de gruwelen van de koncentratiekampen, wat ook al niet tot enige mildheid aanmoedigde tegenover wie met de Duitsers had geheuld.

Al heel vroeg is Irma Laplasse echter tot een symbool uitgegroeid. Haar inderdaad wat kaduke proces waarin niet alleen getuige Counye, maar ook substituut-krijgsauditeur Jean Vossen hun aandeel hadden werd uitvergroot tot een model voor alles wat tijdens de repressie van de kollaboratie verkeerd ging. Bepaalde belangengroepen gingen en gaan zelfs zover om via de zaak-Laplasse de goede zin van de hele repressie zelf ter diskussie te stellen om daarmee de kollaboratie te kunnen goedpraten. In zijn recente, natuurlijk omstreden boek “Zonder vlagvertoon” heeft Johan Anthierens die hele dubieuze, vergoelijkende, in weldenkendheid badende maar ook zeer naïeve sfeer op een polemische maar toch vrij korrekte manier beschreven.

Sinds ook het Vlaams Blok zich op de zaak heeft geworpen, ziet de linkerzijde van de weeromstuit in de herziening van het proces een poging om extreem-rechts te rehabiliteren. Daardoor gaat het met de herziening van het proces al lang niet meer om justitie en geschiedenis, maar om politiek, moraal en het eigen gelijk. Zelfs de kranten hebben zich weer in een pro- en contra-strijd om het proces gegooid alsof de klok een halve eeuw terug werd gedraaid. Ze pakten uit met zogeheten primeurs De Standaard “onthulde” het bestaan van het geallieerde onderzoeksrapport, Het Laatste Nieuws bracht de getuigenis van Peter Lenz. Bij nader toezien gaat het hier om al lang bekende feiten (zie Knack, 2 maart 1994), zodat de vraag rijst waar het met die pseudo-primeurs dan wel om te doen mocht zijn.

Die sfeer illustreert hoe moeilijk een “verzoening” een eufemisme voor amnestie vandaag nog ligt, zelfs een halve eeuw na het einde van de Tweede Wereldoorlog. De aanmatiging van extreem-rechts heeft deze zaak bepaald geen goed gedaan, zeker niet in Wallonië. Van zo’n verzoening kan ook geen sprake zijn zo lang de feiten van toen vandaag nog altijd politiek bruikbaar worden geacht. Daardoor is het dat kan worden getwijfeld aan de goede trouw van sommigen die in dit gesprek betrokken zijn of willen worden. En zonder vertrouwen geen verzoening, geen amnestie. Ook premier Jean-Luc Dehaene (CVP) heeft dat begrepen. Nadat hij vorig jaar enige tijd het terrein aftastte voor een eventuele amnestie-maatregel, heeft niemand hem daar de jongste tijd nog over horen spreken.

Marc Reynebeau

Betoging voor het proces : geen amnestie zonder verzoening.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content