Jacques Sys
Jacques Sys Jacques Sys is hoofdredacteur Sport/Voetbalmagazine

Zondag wordt in het Canadese Hamilton het wereldkampioenschap op de weg gereden. Bondscoach José De Cauwer gelooft dat er voor de Belgen veel meer is weggelegd dan een figurantenrol.

Weinig mensen in het wielermilieu die zo geprezen worden om hun psychologische kwaliteiten als José De Cauwer. De Waaslander verstaat de kunst vaak tegenstrijdige belangen met elkaar te verzoenen en zo subtiel op renners in te spelen dat ze boven zichzelf uitgroeien. José De Cauwer conformeert zich aan de normen van deze tijd, dictatoriale uitbarstingen zijn niet aan hem besteed. Positief denken, is zijn absolute credo: ‘Alleen als je renners een goed gevoel geeft, kunnen ze presteren.’ Zo wil hij ook dezer dagen aan het werk gaan, als hij behalve de beloften ook de profs klaarstoomt voor het wereldkampioenschap in het Canadese Hamilton.

José De Cauwer is een man die zichzelf heeft gevormd. Ofschoon hij pas tot zijn veertiende naar school ging en een eerder modale renner was die zich vooral verdienstelijk maakte als lijnknecht van de Nederlander Hennie Kuiper, geldt hij nu, na een korte periode als sportdirecteur, als een van de meest gezaghebbende mensen in het wielermilieu. Naar zijn mening wordt geluisterd. Als bondscoach. En als co-commentator op de televisie, waarbij De Cauwer op een spitante en soms zelfs cassante manier ingaat op wat er zich in de koers afspeelt. ‘Ik moet me soms inhouden als het over de Belgen gaat’, bekent hij. ‘Het is uiteindelijk niet de bedoeling dat je bruggen opblaast.’ De Cauwer is verbaasd over de weg die hij heeft afgelegd. ‘In feite ben ik maar een heel simpele Vlaming’, zegt hij. Tot hij destijds als renner aan de slag ging bij de vermaarde Raleigh-ploeg van Peter Post.

José De Cauwer: ‘Ik heb Nederlanders altijd bewonderd om de manier waarop ze keihard met elkaar kunnen discussiëren, zonder daarbij ruzie te maken. Dat is bij ons, Vlamingen, anders. Wij zijn kwetsbaarder en geniepiger. Daarom is de periode in de ploeg van Peter Post voor mij zo belangrijk geweest. Er werd met je gedold – gejend, zoals ze dat in Nederland noemen. Heel vaak werd er daarbij over de grens gegaan en als je dan niet leert incasseren, word je gewoon vertrappeld. Ik ontfermde me in die periode over Hennie Kuiper, ik was toen eigenlijk al een soort ploegleider op de fiets, ik observeerde de concurrentie voor Hennie, ik vertelde hem wat hij moest doen. Zo ben ik altijd geweest: ik babbelde meer dan dat ik trapte. Daarbij kwam dan nog dat ze Kuiper in de ploeg niet moesten, ik kon niet verdragen dat ze met hem spotten, omdat ik vind: niemand verdient het om uitgelachen te worden. Het was natuurlijk een beetje raar dat een Belg het in een Hollandse ploeg opnam voor een andere Hollander. Zo verwierf ik respect, ook bij Peter Post. Van de andere kant moet ik zeggen, zoals Post met zijn renners omging, dat kan natuurlijk niet meer. Hij maakte je soms met de grond gelijk. Zo van: jij kent er niets van, je moet een andere job zoeken. Als je nu een renner zo aanpakt, dan gaat die ook echt een andere job zoeken.’

De tijden zijn veranderd.

JOSé DE CAUWER: Ik vind het vreemd: de maatschappij is veel harder geworden, maar mensen moet je veel zachter behandelen. Ik heb altijd in de kracht van het positieve geloofd: mensen in hun waarde laten, ze motiveren en stimuleren, kijken met wie ze omgaan en met wie niet, zien wie er zich gemakkelijk afzondert en wie niet, observeren, lichaamstaal proberen te lezen. En ook: inspelen op emoties. Maar ik wijs ze wel op de feiten. Zonder ze hun eigenwaarde te laten verliezen. En zonder te vergeten dat ze een verschrikkelijke job beoefenen. Want laten we wel wezen, wielrenners kiezen natuurlijk voor een keihard bestaan. Ik zeg wel eens: je moet echt al goed zot zijn om te koersen. Je bent twintig jaar, je hebt een auto, een vriendin, je hebt een beetje gestudeerd, je verdient goed je kost, waarom moet je dan gaan koersen? Om af te zien, om vroeg te gaan slapen, om constant op je voeding te letten? En om wat te bereiken? Om in het beste geval een minimumcontract te versieren bij een profploeg. En dan te hopen op de grote doorbraak. Het is zo moeilijk voor die gasten. Want je moet er zoveel voor doen en nog veel meer voor laten. Maar ik ben heel erg te spreken over de ingesteldheid van de beloften die in de nationale ploeg zitten. Ik denk dat we echt op de goeie weg zijn. Niet om het wielrennen te beheersen zoals in de periode van Eddy Merckx, maar om internationaal mee te spelen.

Een hoofdrol opeisen in het wereldkampioenschap voor profs zal moeilijk worden. Je kreeg met moeite een behoorlijke ploeg van twaalf renners samen.

DE CAUWER: Je hebt een paar kopmannen en die omring je dan met andere renners. Dat betekent niet dat je de kopmannen inspraak geeft in de selectie, maar wel dat je met een aantal factoren rekening houdt. Als twee renners aan elkaar gewaagd zijn maar één van die twee ligt absoluut niet goed in de groep, dan is het logisch dat je voor de andere kiest. Niet dat ik hen specifiek om een mening vraag, maar als je een naam noemt en ze kijken bijvoorbeeld naar de andere kant, dan weet je meteen hoe ze daarover denken. Ik vind dat je de groep niet extra moet belasten met een renner die niet goed ligt.

Is het daarom dat je Nico Mattan niet hebt aangewezen?

DE CAUWER: Dat ga je me niet horen zeggen.

Maar Mattan voelt zich duidelijk geviseerd. Hij vroeg zich af: ben ik een marginaal?

DE CAUWER: Dat is Nico, die speelt natuurlijk zijn show, ik had niets anders verwacht. Net zoals ik ook op voorhand wist dat hij de dag na de selectie, in de eerste etappe van de Franco-Belge, mee voorop zou zitten. In die beslissende ontsnapping zei hij tegen Dave Bruylandts: ik zit hier vooraan en ik mag niet mee. Ik til niet zwaar aan zulke uitspraken. Mattan probeert zijn product te verkopen. En hij heeft maar één product: zichzelf. Maar als je zijn seizoen overloopt, dan is het niet goed geweest. Een renner die de proloog van Parijs-Nice wint en mee de finale rijdt in de Ronde van Vlaanderen, die moet nadien beter doen dan een tiende plaats te halen in Izenberghe. Je kan natuurlijk zeggen: het seizoen van Mario Aerts is niet goed en die gaat wel mee. Maar ik denk dat de omloop van Hamilton Aerts beter past. En dat hij heel erg geprikkeld zal zijn. Om te tonen dat hij meer is dan de twaalfde man.

Los daarvan: de kopman is natuurlijk Peter Van Petegem.

DE CAUWER: Dat lijkt me logisch. Van Petegem was in het voorjaar heel sterk en won de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix. En nu is hij weer goed. Ik durf zelfs zeggen: heel goed. Je hoort het van renners in het peloton, ze mogen vlammen tegen zestig kilometer per uur, hij komt ze fluitend voorbijgereden. Alleen: hij toont dat niet aan de buitenwereld. Hij is niet de man die de ene dag tweede rijdt en een dag later vijfde om zijn vorm te demonstreren, hij kan zichzelf intomen. Stoïcijns kalm blijven terwijl je in een spetterende conditie steekt, dat kunnen weinigen. Van Petegem zal zeker het parcours aankunnen. Heel bewust werkte hij naar een tweede vormpiek. Sommigen hebben misschien gedacht dat Van Petegem niet goed genoeg was omdat hij in die wereldbekerkoers in San Sebastian niet goed presteerde. Maar Peter wist dat op voorhand, je kan gewoon niet winnen tegen degenen die de Ronde van Frankrijk in de benen hebben. Maar er is niet alleen Van Petegem, ook Dave Bruylandts zit in een heel goeie conditie, hij verbaast eigenlijk al het hele seizoen. Bruylandts heeft zijn manier van koersen wat aangepast. Vroeger wilde hij zich altijd manifesteren als hij goeie benen had. Nu rijdt hij meer op resultaat.

Toch is de Belgische ploeg voor Hamilton onthoofd. In de eerste plaats door het forfait van Museeuw.

DE CAUWER: Ik vind dat begrijpelijk. Als Museeuw niet goed is, dan moet hij thuisblijven. Als hij geen finale kan rijden, dan heeft het geen zin om mee te gaan. Bovendien zou het niet mooi geweest zijn om een Museeuw te zien die er niet met zijn gedachten bij is. Hij heeft natuurlijk een zware tik gekregen. Ook dat is normaal. De tijd zal uitwijzen of die zaak wel zo groot in de kranten moest. Ik stel me toch vragen bij de manier waarop dat soort dingen wordt opgeklopt.

Van de andere kant: ze nemen natuurlijk niet iemand zomaar acht uur mee voor ondervraging.

DE CAUWER: Daar zou je inderdaad moeten van uitgaan. Maar voorlopig is het gissen, we weten niets. Ik vraag me af: hoe groot is het aandeel wielrennen in deze zaak? Ik denk niet dat ze begonnen zijn met te zoeken binnen de wielrennerij. Tijdens het onderzoek zijn ze gekomen op de wielersport om dan te zien dat de namen wel interessant waren.

Opvallend is: de renners worden tijdens controles niet meer gepakt, maar bij gerechtelijke invallen blijkt er steeds weer iets gevonden te worden.

DE CAUWER: Ik denk dat ze zich eerst eens serieus moeten buigen over de vraag: wat is doping? En dat ze dan moeten komen tot echt belangrijke producten die schadelijk zijn, die echt prestatiebevorderend zijn op een onnatuurlijke manier. En dan moet je er gewoon voor zorgen dat je daarop een goede controle hebt. En die controles spreiden over alle sportdisciplines. Niet vijfduizend in de wielrennerij en vijf in het tennis, maar overal evenveel. En dan alleen controleren op de gevaarlijke producten. Al dat geleuter over dat klein gedoe, laat ze doen, er staan dingen op de lijst die daar echt niet horen, het wordt zelfs voor sportdokters ongelooflijk ingewikkeld gemaakt. Trouwens, vijfentwintig procent van de dopinggevallen gebeurt nog altijd uit onwetendheid. Belangrijk vind ik ook dat je controleert met één systeem en dat over verschillende labs in heel de wereld. Maar wat is het probleem? Hier heeft men 2,5 miljoen euro om iets op te zoeken en de vraag is: aan welk lab gaan we dat geven? En ergens anders heeft men vijftig miljoen euro en stellen ze zich dezelfde vraag. Dat is big business. De eerste gedachte van die labs is: hoe moeten we dat geld binnenhalen? Dat overstijgt het ethische van de sport. De beste professor wordt misschien niet aangesproken omdat hij niet in het juiste lab zit. In die labs is het ook oorlog. In die dopingaffaires die er zijn, zou men echt alle gelden moeten samenvoegen tot één groot geheel en dan de beste mensen de onderzoeken laten doen.

De vraag blijft: los je daarmee het dopingprobleem op? Worden de renners niet te veel opgejaagd zodat ze wel verplicht zijn naar stimulantia te grijpen?

DE CAUWER: Helemaal niet. Als iedereen met dezelfde wapens strijdt, is er geen enkel probleem. Maar het moet duidelijk zijn. Er is niets ergers voor een renner dan weten dat een concurrent met ongeoorloofde middelen werkt. Want je traint dan hard en je bereikt toch niet de resultaten die je anders zou moeten halen. Dus moet je die wapens gelijkstemmen. Ook voor de valsspelers zou dat het beste zijn. Die kennen dan hun plaats in het peloton. Maar dat er nu van renners te veel wordt verlangd, dat geloof ik niet. Ze zijn beter voorbereid dan vroeger, ze koersen minder, ze hebben betere voeding, ze slapen beter omdat ze airco hebben op de kamer, ze reizen met het vliegtuig, ze hoeven niet meer met koffers te sleuren.

Maar ze rijden nu wel een stuk rapper.

DE CAUWER: Dat is waar. Maar ze periodiseren en specialiseren ook meer. Daarom is het ook moeilijker om te winnen. Vroeger had je dat niet: dan reed iedereen evenveel koersen.

Een ander probleem in de Belgische wielersport: Vandenbroucke bracht er na zijn tweede plaats in de Ronde van Vlaanderen weer niet veel van terecht. En moet ook al het WK missen.

DE CAUWER: Terwijl ik anderhalf jaar geleden, toen ik het parcours in Hamilton voor het eerst zag, dacht: dit is een omloop voor een goeie Vandenbroucke. Maar als je dan de Ronde van Spanje met een bepaalde voorbereiding rijdt en die blijkt dan niet voldoende te zijn. Eigenlijk moet je daar niet over zeuren, het is allemaal praat voor de vaak. Iedereen weet dat hij het WK had moeten rijden. Maar hij rijdt niet. En hoe komt dat? Omdat hij niet in conditie is. En de schuld daarvoor moet hij alleen bij zichzelf zoeken. Ondanks alle begeleiding die hij krijgt. Op een gegeven moment stopt het. Je wordt tweede in de Ronde van Vlaanderen en je laat alles weer los. Kijk, Vandenbroucke heeft klasse, hij heeft een motor. Maar hij moet die natuurlijk wel gebruiken.

Toch trek je met ambitie naar het WK. Hoe moeilijk is het tegenwoordig om renners uit verschillende ploegen voor één dag tot één geheel samen te smelten?

DE CAUWER: Ik moet zeggen dat de televisie voor een stuk het creëren van een team vergemakkelijkt heeft. In die zin dat de mensen gewoon zien wat er gebeurt. Niemand kan het zich veroorloven om tegen de ploeg te rijden. Of voor iemand anders te werken. Je hoeft niet met verontschuldigingen aan te komen, het beeld is daar. Los daarvan is het in de wielersport eigenlijk niet zo moeilijk om tot een hiërarchie te komen, dat is iets wat me steeds weer opvalt. Als de renners een paar rondjes op het parcours van Hamilton gereden hebben, zullen de meesten wel weten waar ze staan. Als je dan twaalf stoelen zou zetten en je vraagt iedereen om op zijn plaats te gaan zitten, dan gaan ze dat ook doen. In de juiste volgorde.

Wie verwacht je in Hamilton?

DE CAUWER: Vooral de Italianen en de Spanjaarden. Normaal is Paolo Bettini de grote favoriet, daar kan je niet omheen. Maar ik stel vast: met de Van Petegem van het voorjaar had Bettini meer dan zijn handen vol. En de conditie van het voorjaar, die heeft Van Petegem nu. Hij staat echt scherp. Heel scherp.

Hoe erg vond je het toen Eddy Merckx een paar weken geleden je werk wat leek te bekritiseren. Hij zei dat je je beter met de jeugd zou bezighouden in plaats van commentaar te geven op de televisie.

DE CAUWER: Ik denk niet dat Eddy dat zo heeft bedoeld. Hij weet wat ik er allemaal voor doe. Maar dat soort uitspraken zijn natuurlijk voer voor de media, dat wordt meteen uitvergroot. Ik constateer dat zulke dingen op den duur belangrijker worden dan de sport op zich. Je constateert ook in interviews hoe je woorden steeds vaker in een andere context worden weergegeven. Het zal wel een teken van de tijd zijn. Ik heb al eens gedacht: misschien moet ik niets meer zeggen. Tot een journalist me vertelde: dan zeggen ze het gewoon in jouw plaats. En dat is nu ook weer niet de bedoeling.

Jacques Sys

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content