De vruchten van de treculia africana hebben een even hoge voedingswaarde als vlees. Ze kunnen diensten bewijzen in de strijd tegen de nijpender voedselvoorzieningen in Zaïre.

NA DE ONLUSTEN van 11 mei 1990, waarbij een aantal mensen brutaal afgeslacht werden, besloot de Belgische regering de ontwikkelingssamenwerking met Zaïre stop te zetten. President Mobutu Sese Seko stuurde de Belgische werkers te velde terug naar hun vaderland. De Zaïrezen bleven een stuk berooider achter dan voordien. Maar een plantje dat een Vlaamse scheutist ontdekt had, bleef verder groeien, en werd een boom van 35 meter hoog met vruchten zo groot als voetballen. Bij nader onderzoek bleek de oogst van de treculia africana een buitengewoon hoog eiwitgehalte te bezitten, evenwaardig aan vlees. En bood ze dus een prachtige aanvulling voor de eenzijdige voeding van arme Afrikanen, en een remedie voor de kwashiorkor-kindjes met gezwollen buiken en magere beentjes. De Belgische Rotary Club besloot de aanplanting van de wonderboom te integreren in haar al bestaande projekt van “alleycropping”, het bestrijden van de toenemende sahelizering via de teelt van stikstof-fixerende gewassen.

Dit landbouwprojekt werd een tiental jaren geleden in Kisangani opgestart door professor Hugo Gevaerts (LUC) en Jean Lejoly (ULB), samen met een ploeg Zaïrese vorsers. Tijdens de voorbije vijf jaren hielden de Belgische Rotary Clubs het projekt in leven. Hun internationale bestuur kende onlangs een toelage van 108.000 dollar (ruim drie miljoen frank) toe om het verder te ontwikkelen. Een gesprek met de Rotary-goeverneur Laurent Snoeck en professor Jean Declerck, Belgische koördinator van het projekt.

– Een boom die de prangende voedselsituatie in Afrika uit de wereld kan helpen, het klinkt mirakuleus. Hoe komt het dat de mensen die er al jaren wonen, dat zelf niet ontdekt hebben ?

– JEAN DECLERCK : De boom is van oudsher bekend. De pygmeeën en andere inwoners van het woud aten de zaden van de treculia zonder er de voedingswaarde van te kennen. Tussen de ongeveer drieduizend verschillende boomsoorten werd de treculia niet meer dan de andere geapprecieerd. Eigenlijk schonk pater Jaak Bijtebier, een Vlaamse scheutist, dertig jaar geleden een biezondere aandacht aan de boom. Hij legde een boomgaard van treculia aan en bestudeerde de impact en de beste teeltwijzen. In België onderzocht de biochemist Marcel Vanbelle van de UCL de voedingswaarde van de zaden en konstateerde dat ze een biezonder hoogwaardig eiwitgehalte bezitten.

Bijtebier had al jaren voordien vastgesteld dat de zaden van de treculia een genezende impact hadden op kwashiorkor-kindjes, maar hij was een man die graag op zijn eentje onderzoek deed. Enkele jaren geleden nodigden wij hem uit op een kongres om ons projekt ter bestrijding van de ontbossing voor te stellen. Hij was daar entoesiast over en wilde met hart en ziel meewerken. Hij gaf heel zijn studie van de treculia africana aan mij, en kort daarop stierf hij. Wij proberen nu zijn werk voort te zetten en het aanplanten van deze bomen in boomgaarden en in de tuinen van de mensen te promoten. Momenteel zijn er zo’n vijfduizend jonge boompjes aangeplant. Er gaan drie tot vijf jaar over voor een boom vruchten begint te dragen. Onze kollega en Rotary-vriend Leopold Ndjele van de universiteit van Kisagani koördineert het projekt ter plaatse.

– Hoe reageren de Zaïrezen ?

– DECLERCK : Ze geloven met hart en ziel in het projekt, omdat het om een boom van bij hen gaat. Zij hebben een rotsvast geloof in de westerse wetenschap. Dat de westerlingen ontdekten dat de zaden van een boom van bij hen zo voedingrijk zijn, spreekt enorm aan.

– LAURENT SNOECK : De treculia aanplanten vraagt wel een grote mentaliteitswijziging van hen. Vroeger leefden de Afrikanen in het binnenland van wat de natuur zo rijkelijk schonk en van het wild dat ze schoten. In de jaren vijftig werkte ik in Afrika. Op een tocht door de brousse kwamen wij een boom tegen met magnifieke vruchten, een soort zoete papaya. Wij genoten ervan. Maar het kwam gewoon niet bij die mensen op om die gewassen uit de brousse te halen en te gaan kweken. Dat is nieuw voor hen. Het vraagt veel uitleg en begeleiding.

– DECLERCK : Honderden jaren geleden, voor bevolkingsgroepen uit het Midden-Oosten, Noord-Afrika, Europa en andere streken naar Midden-Afrika trokken, bestond er een evenwicht tussen voeding en bevolking. De mensen haalden hun voedsel uit de natuur. Bijna al de voedingsgewassen die wij nu associëren met Afrika, zijn ingevoerd geweest door deze bevolkingsgroepen. Maniok, maïs, de zoete aardappel en de ananas komen, bijvoorbeeld, uit Amerika. De bananen, mango’s, soja, sinaasappelen en citroenen zijn ingevoerd vanuit Azië. Kokosnoten en de broodboom komen uit Australië. Voordien leefden ze van wat de aarde spontaan uitdeelde : zaden, noten en vruchten en wortels. De Afrikaanse flora was arm aan zogenaamde voedingsgewassen. De inlandse bevolkingen gaven nadien de voorkeur aan de ingevoerde gewassen. Het sterftecijfer daalde dankzij de geneeskunde en een betere hygiëne. De vreselijke slavenhandel werd uitgeroeid. Er ontstond een zeer sterke bevolkingsaangroei, die almaar meer vruchtbare landbouwgrond vereiste, met katastrofale gevolgen. Binnen de kortste keren geraakte de grond uitgeput, omdat de vruchtbare laag ervan op veel plaatsen slechts veertig centimeter dik is. Daaronder liggen keien of zand. Die gewassen putten de grond snel uit, en daarom moet er almaar meer bos omgehakt worden. Want omgehakte en verbrande bomen leveren asse, en dat is de meststof voor de arme man. Maar gebeurt er ? Stortregens nemen die asse mee naar de Zaïre-stroom. Al het branden diende tot niets. Zo komt er sahelizering. De grond is ondertussen geoxideerd door het voortdurend in brand steken. Behalve wat sprietjes gras, groeit er niets meer op.

– Hoe wilt u de sahelizering een halt toeroepen ?

– DECLERCK : Door op die uitgeputte gronden rijen stikstof-fixerende struiken, de zogenaamde leucena leucocephala, te planten. Die bodemherstellers groeien acht meter per jaar. Door de snoei ervan krijgen we groenbemesting. Tussen rijen van die struiken wordt maïs en maniok of een ander voedingsgewas geplant. Dit aspekt van ons projekt heet “alleycropping” en is echt geen uitvinding van ons. Soortgelijke projekten lopen onder andere ook in verschillende andere landen van Centraal-Afrika, Midden-Amerika, Indonesië en Australië. Onze Vlaamse boeren kennen het principe ook. Klaver, bijvoorbeeld, is bij ons een stikstof-fixerend gewas dat de bodem herstelt. Het interessante voor de Zaïrese bevolking is dat ze dichter bij huis aan hun voedsel kunnen geraken. Wat zie je nu ? Ze moeten soms wel twintig of dertig kilometer lopen om aan voedsel te geraken, en die afstand neemt almaar toe. Het hakken en branden is het werk van de mannen. De vrouw plant de gewassen, is ook verantwoordelijk voor de oogst en draagt die naar huis. Ze zijn ’s avonds beladen als pakezels, terwijl hun mannen er galant naast lopen. Ik heb wel eens gevraagd aan een van die mannen : maar, enfin, waarom helpt ge uw vrouw niet ? Hij antwoordde : ah, ik moet er op letten dat mijn vrouw niet aangevallen wordt. De vrouw is verantwoordelijk voor bijna de hele landbouw, en natuurlijk ook nog voor het dragen, zogen en opvoeden van de kinderen. Wij willen de vrouwen bewust maken dat de nieuwe metodes voordelig zijn voor hen. Momenteel leiden de Zaïrezen zelf het projekt te velde en zij doen dat zeer goed. Behalve “alleycropping” dicht bij huis moedigen wij ook de kweek van klein wild aan. Er is, bijvoorbeeld, een knaagdier dat kweekt gelijk konijnen. Nu gaan ze stropen in de wouden, het milieu nog verder kapot maken.

– Hoe staan de mannen tegenover de nieuwe initiatieven ?

– DECLERCK : De mannen moeten hun gewoonten veranderen, de tradities verlaten. In plaats van bomen te kappen en in brand te steken, moeten ze nu snoeien. Maar ik ben ervan overtuigd dat ze er ook voor te vinden zijn, zodra ze het voordeel hebben ingezien dat ze eruit halen. We beginnen met kleine kernen, en hopen op een multiplikatoreffekt.

– SNOECK : Ik denk dat de vermindering in afstand een fundamenteel gegeven is. Het spreekt hen aan dat ze niet ieder jaar opnieuw moeten gaan kappen en verbranden, en daarbij altijd maar verder en verder moeten gaan. De situatie in de streek is nijpend. De bevolking groeit almaar aan. Ze kunnen zich al die uitgeputte gronden niet meer veroorloven. Dertig jaar geleden leefde er in heel Kisangani 25.000 man. Nu leven er een half miljoen en in heel de provincie Haut-Zaïre, een gebied van de grootte van Frankrijk, ongeveer zes miljoen mensen.

– Meer voedsel creëert een grotere bevolkingstoename. Is dat geen vicieuze cirkel ?

– DECLERCK : Het is inderdaad een reuzeprobleem waarvoor ik ook geen oplossing heb. Afrika leeft momenteel op de rand van de hongersnood. Er is een enorme trek naar de steden geweest : om werk te zoeken, of om op de kosten van een beter begoed familielid te leven, zoals dat de traditie van Afrikaanse gastvrijheid voorschrijft. Nu het geld bijna waardeloos geworden is, leven vooral die mensen in de steden op de rand van de armoede. Op het platteland is er evenmin geld, maar er groeit nog altijd iets op de bodem, waarvan ze kunnen overleven. In 1948 zijn de hoofden in Zaïre geteld. Er waren geen elf miljoen inwoners toen. Nu worden ze niet meer geteld maar ze zijn zeker dat het boven de 42 miljoen ligt. Ik heb ook geen oplossing voor de bevolkingsexplosie. Maar een keer dat een mens geboren is, moet je toch alles doen om hem een menswaardig leven te verzekeren.

– Hoe staat de Zaïrese overheid tegenover het projekt ?

– DECLERCK : Het land bevindt zich in zo’n toestand van chaos dat je je kunt afvragen of er nog wel een overheid is. De goeverneur van Haut-Zaïre, die als een soort koning fungeert, ontvangt ons elk jaar. Hij is heel dankbaar dat Europa zich nog wil bezighouden met zijn streek en hij zegt : we zullen alles doen om jullie te helpen. Maar daar blijft het bij. De overheden hebben niet meer dan morele steun te bieden, en die steun is op zich natuurlijk ook waardevol. Geld is er niet, nee.

Je vraagt je soms af hoe de mensen het redden. Universiteitsprofessoren en andere ambtenaren worden al maanden niet of nauwelijks betaald. Ik vroeg aan een Zaïrese kollega met een gezin met acht mensen : hoe redden jullie het ? Die zei : ma femme est couturière. Ze naait. Hij verhuurt de fietsen van het gezin. Andere huismoeders doen de markt. Die mensen moeten eerst zien dat ze een handeltje hebben dat iets opbrengt, voor ze hun gewone werk kunnen verderzetten. Het is eigenlijk verwonderlijk dat ze nog iets doen, dat er nog zoveel kolleges wel doorgaan. Waarschijnlijk komt dat omdat hun identiteit zozeer verbonden is met hun funktie aan de universiteit. Daar zijn ze nog monsieur le professeur. Van tijd tot tijd sijpelt er nog wat betaling binnen, een maandloon dat gelijk staat met 75 Belgische frank. Maar door de vele achterstallige lonen en de enorme devaluatie van het geld ontstaat er een geweldige parallelle ekonomie. Daarbij zorgen opnieuw vooral de vrouwen ervoor dat de kinderen gekleed zijn en dat er iets eetbaars op tafel komt. Bij mijn vorige bezoek zag ik een heleboel Libanezen. Bij de villa van een van hen stonden twee Zaïrese militairen met een mitrailleur voor de deur. Die Libanezen versjacheren diamanten die onlangs in de streek gevonden werden. De parallelle ekonomie creëert echt een far-west-atmosfeer, een beetje te vergelijken met de goudzoekers in Amerika destijds. De mensen zullen niet zo vlug van de honger sterven maar er lopen wel veel kinderen met uitpuilende maniokbuikjes rond. In de ziekenhuizen die ze opvangen, krijgen ze gemalen zaden van de trecula, vermengd met banaan. Na drie maanden komen ze er helemaal bovenop. Pater Bijtebier beschreef dat al in zijn studie.

– Hebt u met minister Eric Derycke over uw projekt gesproken ?

– DECLERCK : Ja, meer dan twee jaar geleden. Hij zei : het is wel biezonder aan je projekt dat de proffen die eraan meewerken bereid zijn dat pro deo te doen. Vroeger kostte het het Abos, het algemeen bestuur van ontwikkelingssamenwerking, een bom geld om professoren met hun familie in Afrika te onderhouden. Op verplaatsing kregen ze duizend frank per dag. Omdat wie er aan meewerkt, weet dat het een Rotary-projekt betreft, zijn ze bereid volledig pro deo te werken. Vanuit de officiële instanties is de steun hoofdzakelijk moreel. Het drama in Ruanda mobilizeerde wel mensen, zodat er nu via de niet-goevernementele organizaties weer iets van ontwikkelingshulp wordt opgebouwd. Recent schijnt men meer in Zuid-Afrika te willen investeren. Men heeft blijkbaar meer vertrouwen in dat land, maar ik ben bang dat Centraal-Afrika er weer naast gaat vallen. We hebben onlangs opnieuw kontakt opgenomen met het nationaal komitee voor ontwikkelingssamenwerking. We houden hen op de hoogte van ons projekt maar tot hier toe kwam er nog geen financiële steun over de brug. We hopen dat de kernen die wij nu met de steun van Rotary International opbouwen rond Kisangani, een dusdanig multiplikatoreffekt zullen hebben, dat ook andere organizaties zich daar in de toekomst financieel achter zullen scharen.

Ria Goris

De vrucht van de treculia is op de foto overrijp. In het “vlees” ervan zitten tot tweeduizend zaden, rijk aan protëinen, evenwaardig als vleeseiwit. De man toont de zaden, nadat ze geroosterd zijn.

Professor Declerck toont een vrucht aan professor Ndjele, die het projekt ter plaatse koördineert.

Bij “alleycropping” van voedingsgewassen worden tussen de banen stikstoffixerende struiken geplant. Die worden twee keer jaar gesnoeid, waarbij het snoeisel groeibemesting vormt.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content