Wolken en lucht : de ultieme uitdaging voor de negentiende-eeuwse schilder.

Wie de blik naar boven richt, vindt daar het ongeschonden uitgestrekte. Geen mens die er ooit in bouwde en er zo een ruimte van maakte.

Dit is het grote blanke blad. Daar schrijft mogelijk God : vóór de renaissance willen hemels er wel eens uitzien als een dicht beschreven boek. De barok maakt van de hemel een teaterdecor : goden, helden en heiligen nemen er plaats als volleerde akteurs. De hoog-barok die omslaat in klassicisme brengt het ultieme voor elkaar : een sprookjesachtig mooie hemel gevuld met heel aardse wolken die water dragen en door wind worden gestuwd. Bij Jean Honoré Fragonard en Hubert Robert zie je dat mirakel.

Maar ook de Hollandse anti-barok uit de zeventiende eeuw geeft de hemel een aards en niet langer een hemels statuut. In de hemel woont God niet, maar blaast wind, daar komt regen uit en daar stormt het. De hemel heeft deel aan het aardse leven.

In die late achttiende eeuw worden de wolken bestudeerd, hun soorten geregistreerd. De fascinatie voor de serene zuiderse hemel taant, de dramatiek van het nattere klimaat wordt ontdekt. Schilders wordt aangeraden vooral buiten te schetsen, daarmee zitten ze “onder de blote hemel”. De hemel met wolken erin moest wel hun aandacht trekken.

Waarschuwingen tegen wolken zijn er altijd geweest. Een wolkenpartij dreigde een ernstig tafereel te ontkrachten, het was te onstabiel om een voorbeeldige scène te dragen. Een vorst of een heilige hoor je niet onder het teken van het veranderlijke klimaat te zetten. Het is juist vanaf het moment dat vorst en kerk onstabiel werden dat hemel en wolken aan betekenis wonnen.

Voor alle schilders van de negentiende eeuw worden wolken de ultieme uitdaging van hun métier, zoals de drapering voor de schilder van de renaissance. In wolken hult de hemel zich, drukken emoties zich onzichtbaar uit, krijgt ieder tafereel haar toonzetting. Alles gebeurde voortaan onder een specifieke en unieke hemel. Bij de hemel moet je beginnen, zegt John Constable.

Een hemel gevuld met ongrijpbare vormen. Geen tekening die ze meester kan worden, want ze hebben geen eigen vorm : ze kunnen alle vormen aannemen. Alleen met gekleurd water leek het aanvankelijk te kunnen : de akwarellen van William Turner en François-Marius Granet, van Eugène Delacroix en Bonnington. Hier heeft kleur net geen eigen substantie. Pas in de tweede helft van de eeuw zouden schilders het ook op doek en met pasteuze verf kunnen. Zo bekeken verbaast de impressionistische school opnieuw.

Dirk Lauwaert

“Peindre le ciel, de Turner à Monet”, Musée promenade, Marly-Le Roy, tot 9 juli.

John Constable, “study of cirrus clouds” : “Bij de hemel moet je beginnen. “

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content