Dirk Draulans

Twee Belgische biologen verrichten in het hart van het Zaïrese regenwoud onderzoek naar de schakel tussen aap en mens.

EEN BERICHT UIT ZAIRE

KEER op keer flitst de machete van Jean-Pierre Longoneo-Boseko feilloos het riviertje in. Na elke slag komt een visje of een garnaal versuft aan het wateroppervlak drijven. Jean-Pierre schept de beestjes op en stopt ze in zijn oksel om ze ’s avonds vers te kunnen grillen. Hij heeft een neus voor de moeilijk te observeren dieren van het woud. Zo ontdekt hij op een avond in een late zonnestraal een koppel kongopauwen op een tak van een vijgeboom. Prachtvogels die tot de mythes van de ornithologie behoren, omdat ze pas in de jaren twintig werden ontdekt. De kongopauw is zo zeldzaam dat Jean-Pierre er geen idee van heeft hoe hij smaakt. Hij heeft er nog nooit een gevangen.

Jean-Pierres specialiteit is het opsporen van bonobo’s (of dwergchimpansees). Ook de bonobo werd pas deze eeuw door de wetenschap ontdekt. Hij leeft uitsluitend in het moeilijk doordringbare regenwoud van hartje Zaïre, en vertoeft een groot deel van de tijd zonder veel geluid te maken in de toppen van de woudreuzen. Er zijn bijgevolg maar weinig veldgegevens over de soort bekend. Met mensen als Jean-Pierre moet dat binnen afzienbare tijd anders worden.

Jean-Pierre is een ?werker” ( ?travailleur”) in dienst van Jef Dupain en Ellen Van Krunkelsven : Belgische biologen die het voorbije jaar in het woud leefden om bonobo’s te zoeken en te bestuderen. Een onderneming die veel moeilijker bleek dan de twee aanvankelijk dachten. Maandenlang zwierven ze met een prauw over de rivieren in de Zaïrese Evenaarsprovincie. Vanaf de oever trokken ze het woud in op zoek naar de apen. Ze aten uitsluitend katvis gebakken in palmolie ’s morgens en ’s avonds. Ze sliepen in de regen en de wolken muggen, in hun prauw of een hut op de oever. Ze liepen hun voeten stuk in het woud. Toch vonden ze bijna geen bonobo’s.

?We waren naar de Yekokora-rivier getrokken, die tamelijk ver in het noorden ligt,” vertelt Jef Dupain. ?Eind de jaren tachtig hadden medewerkers van het Wereldnatuurfonds (WWF) een projectvoorstel geschreven om een reservaat te creëren dat onder meer de bonobo bescherming moest bieden. Uit de tekst bleek dat het woud rond de Yekokora grotendeels onbewoond was en heel rijk aan bonobo’s. Het plan werd echter als gevolg van de plunderingen in Zaïre in 1991 afgevoerd. Sinds kort wordt het weer opgerakeld. Maar ons verkenningswerk wees uit dat het door de feiten is achterhaald. De meeste bonobo’s die we zagen, hingen dood boven een vuur in de hutten langs de rand van de rivier om te worden gerookt. Hier en daar bood iemand een kleine bonobo levend te koop aan. De dieren worden duidelijk niet gespaard.”

GIFTIGE PIJLEN.

Het woud langs de Yekokora wordt sinds twee jaar intensief bejaagd door de Ngombe de stam die er woont. Hun kruisbogen en pijlen, gedoopt in een heel giftig plantenextract, geven de dieren geen kans. In tegenstelling tot een geweer, maken pijl en boog geen geluid. Het gif maakt de minste wonde voor een getroffen dier fataal. De methode is ook voor de stropers niet zonder gevaar. Af en toe worden er in het woud lichamen van onvoorzichtige jagers gevonden, in staat van ontbinding.

Het Zaïrese regenwoud wordt langzaam maar zeker leeggeschoten. Op vele plaatsen staan de bomen er nog, maar zijn de dieren verdwenen. De handel in bush meat vlees uit het woud behoort tot het weinige in Zaïre dat niet in verval is. Vellen van luipaarden en bongo’s (grote antilopen) kunnen zonder veel moeite langs de rivier worden gekocht. Af en toe drijven prauwen voorbij vol kooien met levende roodstaartpapegaaien.

?Als er niet snel wordt ingegrepen, is de bonobo uitgestorven voor hij goed en wel kon worden bestudeerd,” zegt Ellen Van Krunkelsven een voor zo’n ruig project verrassend stijlvolle vrouw met een onkraakbaar moreel. ?De wereldpopulatie wordt op vijftienduizend dieren geschat. Geen enkel stuk van hun woud is beschermd. Het zou doodjammer zijn, mocht de soort van de wereldkaart worden geveegd. De bonobo heeft zoveel menselijke trekken. Een dier dat in zijn nest ligt, met zijn handen over de rand, lijkt echt sterk op een mens in een hangmat. We zagen ooit hoe twee kleintjes met elkaar begonnen te spelen, als twee vriendjes, tot een van de moeders haar baby terugriep : ze was bezorgd omdat wij zaten te kijken. Dat was zo herkenbaar.”

Van Krunkelsven en Dupain kozen uiteindelijk een plaats langs de Lomako-rivier in het zuiden, om een kamp neer te poten van waaruit ze de dieren zouden bestuderen. Dat gebied behoort tot de Mongo’s, een stam die nog altijd een zeker respect jegens de bonobo’s koestert. Er bestaat een Mongo-legende die vertelt dat de bonobo van een mens afstamt. Hij koos in een dispuut over de waarde van twee palmboomsoorten de verkeerde kant, en werd ?naakt en beschaamd” het woud ingejaagd, waar hij bonobo werd. Ook nu nog circuleren in de streek verhalen van mensen die bonobo’s zagen dansen of vis grillen. Er zou zelfs een dorp bestaan met behaarde afstammelingen van een kruising tussen een Mongo-man en een bonobo-wijfje.

(In de wetenschappelijke wereld wordt gefluisterd dat Italiaanse vorsers erin slaagden om door middel van kunstmatige bevruchting een bonobo-wijfje zwanger te maken met sperma van een man. Het embryo zou na vier maanden, ?om ethische redenen”, geaborteerd zijn. Er wordt ook gezegd dat een mens een transfusie met bloed van een bonobo overleeft. Het genetisch materiaal van mens en bonobo is in ieder geval voor meer dan 98 procent hetzelfde. Er is geen enkele diersoort die dichter bij de mens staat dan de bonobo.)

?Wij hebben niet de gewoonte om te jagen op apen zonder staart, precies omdat ze zo sterk op de mens gelijken,” zegt Mangé Bofaso-Lofili van het dorp Bolima, dat eigenaar is van het stuk woud waarin Dupain en Van Krunkelsven zich definitief vestigden. ?Jagers die toch zo’n aap doden, rouwen om wat ze gedaan hebben. Daarom zijn wij boos op de Ngombe uit het noorden, die nu in ons woud dieren komen stropen, omdat ze bij hen alles hebben weggeschoten. Dieven zijn het. Vroeger leefden hier in het woud massa’s bonobo’s. Soms achtervolgden ze de jagers, en wierpen ze met stokken. De jongste jaren is hun aantal sterk verminderd als gevolg van de activiteit van de stropers. Dat is jammer. Een woud zonder bonobo’s is een onnatuurlijk woud, net als een woud zonder olifanten. Het is belangrijk dat er aan de bescherming van de bonobo wordt gewerkt. Want als hij eenmaal is uitgestorven, komt hij nooit terug.”

STRAFEXPEDITIE.

Ellen Van Krunkelsven en Jef Dupain werden al rechtstreeks met stropers gekonfronteerd, hoewel ze bijna nergens tijdens hun tochten in het woud agressief of vijandig werden onthaald. Nochtans hadden Afrika-kenners uit het academisch milieu zich aanvankelijk negatief uitgesproken over de haalbaarheid van hun project : Ellen zou worden verkracht en Jef vermoord. Niets daarvan. Het enige probleem rees toen Ngombe-jagers een hut in ?hun” woud bouwden, die ze als uitvalsbasis voor stroperij gebruikten.

?We moesten toen iets doen, kwestie van onze geloofwaardigheid niet te verliezen,” zegt Jef. ?We namen contact op met de Zaïrese militairen die in de zone gelegerd zijn. Er werd een expeditie georganiseerd, en de hut van de stropers werd platgebrand. Ze verdwenen, maar achteraf voerden ze een soort strafexpeditie uit tegen een dorpje in de buurt, zogezegd omdat we daar naar diamanten zouden zoeken, en niet naar bonobo’s. We zijn er nu wel zeker van dat er veel bonobo’s uit dit woud zouden zijn gedood, als we hier niet waren neergestreken.”

Toch heeft het wetenschappelijke werk ook negatieve kanten, wat de bescherming van de bonobo betreft. Er moeten trajecten door het woud worden gekapt om de dieren te kunnen observeren en de ecologische metingen te doen. De dieren moeten ook aan de aanwezigheid van mensen worden gewend ?gehabitueerd” heet dat in het jargon van primatenonderzoekers. Anders is het bijna onmogelijk om hun natuurlijk gedrag te bestuderen. Dat maakt ze natuurlijk kwetsbaar voor jagers.

?Het is een probleem,” geeft Ellen toe. ?Daarom is het belangrijk dat er hier ononderbroken bewaking is, en zo mogelijk dat er permanent onderzoekers aanwezig zijn. We proberen de lokale mensen te sensibiliseren. We verbieden, bijvoorbeeld, dat ze vallen voor antilopen en stekelvarkens in dit deel van het woud zetten. We betalen hen voor hun werk, en we betalen anderen om te vissen voor hun families in de dorpen, want we zijn er ons van bewust dat ze het moeilijk hebben. We staan ook in voor hun medische verzorging, en voor de scholing van hun kinderen. Ze weten nu waar we naartoe willen. Ze begrijpen dat het essentieel is dat de bonobo niet wordt bejaagd. Onze aanwezigheid is dus zeker zo belangrijk voor de bescherming van de bonobo als voor het begrijpen van zijn levenswijze.”

De bonobo’s zelf maken het de onderzoekers evenmin gemakkelijk, omdat ze heel moeilijk te observeren zijn. Bovendien is een woud niet gemaakt om het mensen aangenaam te maken. De sfeer is er dikwijls beklemmend : heet en vochtig en claustrofobisch. De in natuurbehoudskringen zo geroemde biodiversiteit is, voor wie er rechtstreeks mee geconfronteerd wordt, vooral een plaag van planten en beesten die irriteren. Voortdurend hangen er vliegjes en ander gespuis rond het hoofd van de biologen. Wat soms na enkele uren waarneming pokdalige gezichten oplevert. Vele planten geven bij aanraking giftige stoffen af, die in het beste geval niet meer dan een lokale ontsteking veroorzaken. Tijdens de tochten door het woud moet er worden opgepast om geen rupsen aan te raken, en niet op potentieel dodelijke spinnen te trappen. Naar een boom grijpen voor steun is een riskante onderneming, want in sommige stammen huist een mierensoort die bij kontakt drie dagen ziek maakt.

Jef kreeg ooit enkele steken van een wespachtig insect dat lokaal als ?lotovlieg” bekend staat. Ze bezorgden hem dagenlang koortsachtige rillingen en een hartritme van meer dan honderd vijftig slagen per minuut. Ellen liep ooit zo enthousiast achter een groep bonobo’s aan, dat ze niet had gezien dat ze op haar blote voeten op enkele centimeters van een giftige adder terechtgekomen was. Hun kamp had overdag dikwijls meer weg van een bijenkorf dan van een oord voor wetenschappelijke waarneming. ’s Nachts joegen kolonnes trekmieren de biologen soms voor uren het woud in, omdat ze nergens nog aan de soldaten met hun machtige kaken konden ontsnappen.

GEGRILDE KEVERLARVEN.

Maar de twee Belgen laten het allemaal niet aan hun hart komen. Ze hopen binnen drie jaar genoeg gegevens verzameld te hebben om een grondig inzicht te krijgen in de ecologie van de bonobo. ?Heel belangrijk is het feit dat we lokale mensen kunnen inschakelen,” zegt Jef Dupain. ?Mensen zoals Mangé leiden we op om de bomen in het woud in kaart te brengen. Duizenden bomen zijn al gemerkt. Het is belangrijk dat we weten waar de bomen staan met vruchten die door de bonobo’s op prijs worden gesteld. Zo kunnen we nagaan hoe de verplaatsingen worden gedirigeerd. Anderen, zoals Jean-Pierre, zijn expert in het opsporen van de bonobo’s zelf. Die gaan ’s avonds op pad, om uit te zoeken waar de dieren hun nest voor de nacht maken, zodat wij daar ’s ochtends, voor de zon opkomt, klaar kunnen staan om met waarnemingen te beginnen.”

Een gewone werkdag begint voor Ellen en Jef rond half vier ’s ochtends met een ontbijt van muesli of havermout met snuitkevers en water. Dan trekken ze het woud in om post te vatten op een plaats waar de avond tevoren bonobo’s gingen slapen. Als de dieren niet onmiddellijk uit de bomen klimmen en uit het gezicht verdwijnen, beginnen de waarnemingen. Tenzij het bakken water giet, want de bonobo’s zijn niet actief als het regent en het regent vaak in het woud. Een regenbui is altijd een dilemma, want ze kan een half uur duren, of een halve dag. Soms doen de dieren urenlang niets. Vele ecologen lijden nog altijd aan de misvatting dat dieren nooit iets als rust of ontspanning in hun actieve-tijdsbudget inbouwen.

’s Avonds in het kamp eten de twee biologen cornedbeef met droge rijst als ze geen bonobo’s gezien hebben, en, feestelijk, met spagetti als ze wel apen hebben gevonden. Als een werker een kleine krokodil, een schildpad of een vis heeft gevangen, is er variatie. Af en toe brengt iemand geplette termieten of gegrilde keverlarven mee. De hygiënische omstandigheden waarin het duo zijn wetenschappelijke werk verricht, tarten de verbeelding. Het drinkwater komt gewoon uit de rivier. Ellen hoestte al een worm op, die ze in een pot bewaart, en Jef verloor op korte tijd twaalf kilogram lichaamsgewicht.

De vraag wat de twee drijft om in deze helse omstandigheden wetenschappelijk werk te willen doen, kreeg pas op het einde van de reis een antwoord. De dag voor haar (voorlopige) vertrek uit het woud schreef Ellen het volgende briefje : ’t Was een reuzegoed idee om nog eens rustig in het woud te wandelen. Anders had ik niet eens beseft wat we hier achterlaten. Want behalve bijen en vliegen vind je hier ook het volmaakte geluk. Geluk zonder iets te bezitten. Het vrije zorgeloze leventje. Ontdekkingsreiziger mogen zijn en je telkens maar moeten verbazen. Morgen begint een ander leven. Een leven om ook naar uit te kijken, omdat je hier soms toch het gevoel hebt dat het echte leven je voorbijgaat, hoewel vijftig bonobo-levens zeker dat stuk van ons leven waard zijn. Morgen weer het complexe boeiende mensenleven. ’t Is eigenlijk een enorm voorrecht om twee levens te kunnen leiden.

Dirk Draulans

De bonobo is een interessant studieobjekt, omdat hij zoveel menselijke trekken heeft.

Jef Dupain en Ellen Van Krunkelsven : Onze aanwezigheid moet voorkomen dat de bonobo uit het woud wordt weggeschoten.

Jean-Pierre Longoneo-Boseko (in een zelfgemaakt boomnest) : expert in het opsporen van moeilijk observeerbare wouddieren.

Mangé Bofaso-Lofili : Als de bonobo ooit volledig zou uitsterven, komt hij nooit terug.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content