Rik Van Cauwelaert
Rik Van Cauwelaert Rik Van Cauwelaert is directeur van Knack.

Op 7 april 1994 werden tien Belgische paracommando’s vermoord door het Ruandese leger. Het proces voor het Krijgshof tegen kolo- nel Luc Marchal dreigt meer vragen op te leveren dan antwoorden.

IN vakantiestemming !? Dat antwoordde één van de Belgische officieren toen hem, tijdens het onderzoek naar de omstandigheden waarin tien Belgische para’s in april ’94 in de Ruandese hoofdstad Kigali omkwamen, werd gevraagd met welke ingesteldheid hij en zijn manschappen naar Ruanda waren vertrokken. De officier zal mogelijk één van de komende dagen zijn getuigenis herhalen tijdens het proces tegen kolonel Luc Marchal. Die staat voor het Krijgshof terecht wegens ?onopzettelijke doding door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg.?

Als bevelhebber van de VN-troepen in Kigali en rechterhand van Romeo Dallaire, het Canadese hoofd van de VN-missie in Ruanda, vertrouwde de 52-jarige Brusselaar in de ochtend van 7 april ’94, de escorte van de Ruandese eerste minister Agathe Uwilingiyimana toe aan Belgische paracommando’s. De Belgen moesten de premier begeleiden naar het radiogebouw, waar ze de bevolking wou toespreken en tot kalmte aanmanen na de moordende aanslag op het Falcon 50 Mystère-vliegtuig van president Juvénal Habyarimana. Tijdens die missie werden tien para’s door Ruandese soldaten eerst gevangengenomen en daarna omgebracht. Na onderzoek oordeelde het auditoraat-generaal van het Krijgshof dat Marchal bijzonder onvoorzichtig was en een nodeloos risico nam door de escorte-opdracht aan de Belgische para’s toe te vertrouwen.

Het proces tegen kolonel Marchal een unicum in de gerechtsannalen kwam er eigenlijk door een samenloop van omstandigheden. Om te beginnen, was er de klacht van familieleden van de tien vermoorde para’s. Hun klacht richtte zich tegen de militaire en politieke verantwoordelijken voor de VN-opdracht in Ruanda. Naar aanleiding van de moord op de para’s geraakte ook de publieke opinie in beroering. ?Die zou het niet nemen dat de zaak niet wordt uitgeklaard,? beweerde auditeur-generaal André Andries. Tenslotte was er de plotse dadendrang van het Krijgshof, waarvan net op dat moment in politieke kringen de afschaffing werd bepleit.

Aanvankelijk werd de bevelhebber over de para’s in Kigali, luitenant-kolonel Jo Dewez, ook gedagvaard. Maar hij werd na enquête buiten vervolging gesteld. Bleef alleen over : kolonel Luc Marchal, de hoogste Belgische gezagvoerder in de United Nations Assistance Mission for Rwanda (Unamir). Met deze eigenaardigheid dat Marchal in Ruanda niet onder Belgisch, maar onder VN-gezag opereerde.

Noch Marchal, die in april ’94 op last van de toenmalige stafchef José Charlier uit Ruanda moest vertrekken, noch de overige Belgische officieren werden ooit aan een debriefing onderworpen. Nooit heeft het Belgisch leger onderzocht wat in Ruanda fout liep en welke lessen kunnen worden getrokken.

?Kolonel Marchal is duidelijk het zwarte schaap. De politieke verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties en van de regering in Brussel màg niet worden onderzocht,? oordeelde Afrika-specialist Filip Reyntjens enkele maanden geleden in dit blad. Reyntjens staat met deze mening niet alleen.

BURGERLIJKE PARTIJ.

Het Krijgshof zal de komende dagen heel wat doigté aan de dag moeten leggen om de debatten toegespitst te houden op het incident van 7 april ’94 in Kigali. Want gelet op de lijst met getuigen die zowel het openbaar ministerie, de verdediging en de burgerlijke partijen oproepen, kan de aanloop naar de moordpartij bezwaarlijk onbesproken blijven. Evenmin als de manier waarop de Belgische regering nadien inspeelde op de gebeurtenis, onder meer door de terugtrekking van de Belgische troepen uit Ruanda te bevelen, en de slachtpartij die daarna in Ruanda volgde.

Opmerkelijk is, om te beginnen, de burgerlijke partijstelling van de nabestaanden van de tien vermoorde para’s. Die families werden intussen, op basis van de nieuwe wet van 1992 in verband met militairen die in de loop van hun opdracht sneuvelen, volledig vergoed. Het valt dan ook te bekijken of het Krijgshof die burgerlijke partijstelling zal aanvaarden. Enkele waarnemers vermoeden trouwens dat advocaat Michel Graindorge, die de families vertegenwoordigt, via dit proces zijn gram wil halen op de gewezen ministers Leo Delcroix (CVP) van Defensie en Willy Claes (SP) van Buitenlandse Zaken. Graindorge heeft zich namelijk voorgenomen die twee wegens hun aandeel in het Ruanda-debacle voor het Hof van Cassatie te slepen. Anderzijds hopen de families via dit proces alsnog de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie te forceren. Voor die eis, waarvoor de regering van premier Jean-Luc Dehaene (CVP) en de rooms-rode meerderheid doof blijven, zamelde hun actiecomité al meer dan honderdduizend handtekeningen in. Al zijn er onder de familieleden die vrezen dat het proces op de vrijspraak van Marchal zal uitdraaien en dat daarmee de hele affaire definitief zal worden toegedekt.

Voor de politieke overheid zou de veroordeling van kolonel Marchal dan weer goed uitkomen. Zelfs een symbolische straf zou volstaan om ?een schuldige? voor de mislukte Ruanda-missie te kunnen aanwijzen, zodat de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie overbodig wordt.

Intussen zou zich een nieuwe burgerlijke partij hebben gemeld : niemand minder dan ex-kolonel en gewezen kabinetsdirecteur van het Ruandese ministerie van Defensie Théoneste Bagosora, volgens ingewijden één van de architecten van de volkerenmoord in Ruanda.

Bagosora, die onlangs in Kameroen werd opgepakt en op 4 mei aan België moest worden uitgeleverd, houdt vol dat Marchal door de bewaking van premier Uwilingiyimana toe te wijzen aan de Belgische para’s, inging tegen de afspraken die in de nacht van 6 en 7 april werden gemaakt tussen de Ruandezen en de VN-verantwoordelijken. Het manoeuvre van Bagosora is evenwel al te doorzichtig. De man moet zich hier in België voor een rechtbank verantwoorden voor de slachting die hij en zijn Hutu-medestanders in Ruanda organiseerden. Door zich burgerlijke partij te stellen, wil Bagosora inzage verwerven in het dossier dat tegen hem klaargemaakt werd.

Onder meer om de aantijgingen van Bagosora te counteren, liet de verdediging van Marchal twee Ruandese militairen als getuigen oproepen, kolonel Rusatira en kolonel Ndengeyinka die de bewuste vergadering bijwoonden en die de versie van de Belg bevestigen.

WAARDELOOS.

Het proces tegen Marchal is uiteindelijk de uitloper van een militaire expeditie die op schabouwelijke wijze werd voorbereid en die dan ook tragisch moest eindigen. Om de in 1993 tussen Ruandese Hutu en Tutsi bereikte Arusha-akkoorden te ondersteunen, zouden de Verenigde Naties in Ruanda een peace keeping-operatie opzetten. Als kern van de missie functioneerde een Belgisch contingent dat aanvankelijk op zo’n achthonderd man werd begroot. Volgens een werkgroep die vooraf ter plekke de situatie verkende, moesten de Belgen minstens zeshonderd soldaten leveren. Uiteindelijk werden nauwelijks meer dan 350 para’s uitgestuurd. Over de keuze van de manschappen werd kolonel Marchal nooit geraadpleegd.

De Belgen werden in Ruanda omringd door troepen uit Bangladesh, Ghana en Tunesië. De hele VN-macht in Ruanda steeg nooit uit boven de 2500 eenheden militairen en observatoren inbegrepen. In Kigali had kolonel Marchal zo’n 1200 man tot zijn beschikking. Volgens de planning zouden de Belgen en Bengalezen zich met de militaire operaties, zeg maar de snelle interventies, inlaten. Hoewel. Vrijwel onmiddellijk bleken de Bengalezen ?niet-operationeel? een militair eufemisme voor waardeloos. Maar ook de Belgen waren duidelijk niet voorzien op hun taak. Zegt één van de aanwezige militairen : ?De para’s arriveerden in Ruanda als gold het Somalië, een land dat in complete chaos verkeerde. Dat was met Ruanda niet het geval. Er was daar een regering, een administratie, een politiemacht waarmee de Verenigde Naties samenwerkten. De Belgische para’s gedroegen zich evenwel alsof ze het land controleerden.?

Een houding die gauw tot wrijvingen met de plaatselijke bevolking leidde. Nog geen maand na hun aankomst geraakten Belgische para’s in een reeks incidenten verwikkeld. Tijdens een avondlijke uitstap tuigden para’s uit Diest een man af die ze voor een Ruandees hielden. Hun slachtoffer bleek naderhand een VN-waarnemer afkomstig uit Fidzji.

Een tweede nog gevaarlijker incident deed zich even later voor nadat Belgische para’s zich door Ruandezen lieten provoceren en een steen gooiden door het raam van een huis. Uitgerekend de woning van Jean-Bosco Barayagwiza, directeur van het Ruandese ministerie van Buitenlandse Zaken, een kopstuk van de extremistische CDR-partij, een steunpilaar van de opruiende Radio Libre des Mille Collines en volgens sommigen één van de planners van de apocalyptische moordpartijen achteraf.

Na deze incidenten, die voor de VN de maat deden overlopen, schreef kolonel Marchal eerst een aantal nota’s naar hun officieren en legde de Belgische para’s uiteindelijk een uitgaansverbod op. Dat verbod werd enkele dagen voor de fatale datum van 7 april opgeheven.

Ondanks al deze fricties, die door toedoen van Radio Mille Collines ruime weerklank kregen, had kolonel Marchal geen andere keuze dan de Belgen te belasten met de bewaking van de Ruandese premier. Een opdracht waarvoor de Bengalezen immers totaal ongeschikt waren. Bovendien, getuigen verschillende militairen, bleven de relaties tussen de Belgen en de plaatselijke legertop en gendarmerie, zelfs tijdens de eerste uren na de aanslag op Habyarimana, behoorlijk.

INLICHTINGEN.

De toestand op het terrein daarentegen was ongemeen explosief. Na een woelige januari ’94 dreigde in de loop van februari een regelrechte burgeroorlog. Demonstraties leidden steevast tot rellen en moordpartijen, waarbij de VN-macht vrijwel machteloos moest toekijken. Net in die dagen was de Belgische minister van Buitenlandse Zaken Willy Claes op bezoek. Hij werd er rondgereden in een pantserwagen. Een maand later, toen defensieminister Leo Delcroix in Kigali neerstreek, leek de rust weergekeerd. In die mate zelfs dat Belgische para’s hem op het hart drukten dat dit, gelet op de heersende rust, geen opdracht voor para’s was.

Wie zich wel rekenschap gaven van de ernst van de situatie, waren kolonel Marchal en diens overste, generaal Dallaire. In januari al hadden zij een informant met een angstaanjagend verhaal over de vloer gekregen. Volgens de Ruandees, die bindingen onderhield met de extremistische Hutu-milities, planden enkele machthebbers de uitmoording van de Tutsi-bevolking. Milities werden daartoe opgeleid en bewapend. Er was ook sprake van het uitlokken van incidenten met de Belgische militairen en met de VN-vertegenwoordigers, kwestie van Unamir zo snel mogelijk het land uit te krijgen.

Al die informatie werd naar het VN-hoofdkwartier in New York gestuurd, waar het op heel wat scepsis stuitte. De informant had zijn verhaal nochtans gestaafd door een Senegalese VN-waarnemer verschillende wapenopslagplaatsen te tonen. Hij werd dan ook zeer ernstig genomen door Dallaire en Marchal, die ook de Belgische ambassade op de hoogte brachten. Zij steunden ook de vraag vanwege hun informant voor politiek asiel in België voor hemzelf en zijn gezin. Eens het land uit, wilde de man zijn beschuldigingen publiekelijk herhalen. Maar de Belgische overheid weigerde de aanvraag. Omdat het geen precedent wilde scheppen, maar vooral om een neutrale positie te bewaren in het conflict tussen Hutu en Tutsi.

Als gevolg van deze informatie richtte Marchal tot drie keer toe een verzoek tot de Belgische legerstaf voor meer en zwaardere munitie en wapentuig zoals mortierbommen en anti-tankwapens. Geen van zijn verzoeken werd ooit ingewilligd. Sterker nog : ze werden nooit beantwoord ! Daarover zal gewezen stafchef Charlier de komende weken heel wat uitleg moeten verschaffen. Opvallend is echter dat de huidige legertop zich openlijk achter kolonel Marchal schaart en intussen duidelijk afstand neemt van de manier waarop Charlier destijds de Ruanda-crisis aanpakte.

GEFILTERD.

Tijdens het proces zal allicht veel aandacht worden besteed aan de manier waarop de militaire inlichtingendienst (SGR) in Kigali opereerde, de toegespeelde informatie verwerkte en aan de politieke verantwoordelijken overmaakte. Kreeg Defensie alle inlichtingen ? Sommige waarnemers wijzen in dat verband op de verzuurde relatie destijds tussen stafchef Charlier en minister Delcroix als gevolg van diens legerhervormingen.

In Ruanda lijkt, zo te lezen, de SGR vooral olie op de golven te hebben gegooid en voortdurend alarmerende berichten, zoals die van de informant van Marchal en Dallaire, te hebben afgezwakt. In hoeverre was die evaluatie door de SGR gelijklopend met die van toenmalig ambassadeur Johan Swinnen, inmiddels hoofd van cel Buitenlandse Zaken op het kabinet van premier Dehaene ? Zowel Swinnen als leden van de SGR zullen op het proces worden gehoord. Vooral de verklaringen van Swinnen, opgevorderd door de verdediging, kunnen voor het lot van Marchal bepalend zijn.

De kans dat generaal Dallaire op het proces verschijnt, is uitermate gering. Hij heeft alvast een vragenlijst ingevuld die hem door Krijgshof was toegestuurd. Zijn antwoorden keerden naar Brussel terug via New York, waar ze op het VN-hoofdkwartier nog eens werden gefilterd. Hoe dan ook blijft Dallaire, zoals in het verleden, kolonel Marchal steunen.

Volgens stukken in het onderzoeksdossier lijkt het erop dat ook officieren, die in Kigali de para’s aanvoerden, bijkomende en wellicht pijnlijke uitleg zullen moeten verschaffen. Bijvoorbeeld over de vaststelling dat op de voertuigen, waarmee de vermoorde para’s zich verplaatsten, de gebruikelijke 6.70 Mag-mitrailleurs achterwege waren gelaten. Door dit verzuim beschikten de para’s op het moment van de confrontatie met de uitstekend uitgeruste Ruandese soldaten slechts over een uiterst lichte bewapening. Handelt het hier, zoals in legerkringen wordt gevreesd, om een slordigheid als gevolg van de vakantiestemming waarin sommigen zich waanden ?

Of op al deze kwesties, die gegarandeerd op het proces worden opgeworpen, een afdoend antwoord komt, valt te betwijfelen. Enkele betrokkenen voorspellen nu al dat het proces een pak bijkomende vragen zal oproepen. Eén ervan zal op het proces wellicht niet worden gesteld : in hoeverre was de toenmalige regering-Dehaene gewaarschuwd voor de verschrikkelijke volkerenmoord, die de vroegtijdige terugtrekking uit Ruanda tot gevolg zou hebben. Volgens mensen die het kunnen weten op de legerstaf was de regering daarover vanuit Kigali omstandig ingelicht op het moment dat in de Wetstraat 16 de terugtocht werd geblazen. Die vraag alleen al wettigt de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie.

Rik Van Cauwelaert

Belgische para’s in Kigali, één maand voor het uitbreken van de incidenten : Ze gedroegen zich alsof ze het land controleerden.

Beeld van de tweede verjaardag van de dood van tien Belgische para’s : gesneuveld als gevolg van een slordigheid ?

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content