Rutger Beke, Sofie Goos en Frederik Van Lierde beschrijven hoe je de zwaarste triatlonwedstrijd ter wereld kunt winnen. ‘Voor een goeie Ironman heb je temperaturen nodig waarvan ze hier bij ons op de radio zeggen: “We raden de mensen aan geen zware lichamelijke inspanningen te doen.”‘

Het begon in 1978. Tijdens een huldiging op de Waikiki Zwemclub brak er ruzie uit over wie nu de strafste atleten zijn: zwemmers, wielrenners of lopers? John Collins, commandant bij de US Navy, wist de oplossing: als we de drie disciplines nu eens combineerden? En dan nog op dezelfde dag, zodat je helder naast elkaar kunt leggen wat het zwaarst is? ‘De winnaar noemen we de Ironman’, zei Collins. Aan de eerste editie van wat toen zelfs nog niet triatlon heette, namen vijftien dappere atleten deel. Dit weekend ondernemen meer dan 2000 multisporters, onder wie 92 profs, de tocht door het mythische landschap van lava-eiland Hawaï.

3,9 kilometer zwemmen in Kailua Bay

Rutger Beke: ‘De bijna vier kilometer door Kailua Bay zijn letterlijk een gevecht, meer overleven dan sporten. Bij de start lig je met vijftig man naast elkaar te watertrappelen. Nadat een kanon de wedstrijd op gang heeft geschoten, sprint je vijf minuten om een zo goed mogelijke positie te veroveren. Die eerste minuten bepalen wie de kopgroep haalt en wie vast raakt in het gedrang. En in dat gedrang gaat het er allerminst fraai aan toe. Het is minder een zaak van goed kunnen zwemmen dan van weten hoe je meer slagen uitdeelt dan dat je er zelf incasseert. Er wordt geschopt, aan de schouders getrokken en kopje onder geduwd. Mooi is het allemaal niet, maar in triatlon is alles toegelaten. Mijn truc was de klets op de zwembril. Doet verdomd veel zeer en het brengt je tegenstander helemaal uit concentratie: dat is twee keer gewonnen. Vooral aan de keerpunten – in Hawaï zijn er gelukkig maar drie – hangen ze beter geen camera’s: je zou er een aantal erg bedenkelijke manoeuvres zien.

‘Vanzelf ontstaat er een lange sliert zwemmers, met de sterkste overlevers van de eerste gevechten vooraan. De zwemmer voor je tikt je nog net aan met zijn benen, de man achter je weet bij iedere zwemslag zijn hand in je lijf te planten. En dat kilometers lang: om stapelgek van te worden. Het gebeurt dat triatleten stoppen om een robbertje te vechten. De rest van het peloton lacht in zijn vuistje, want de Ironman wacht natuurlijk op niemand.

‘Of ik blij ben als ik de trap zie? Nee, niet echt. Het is meer: één beproeving voorbij, op naar de volgende. Een triatleet is zo gefocust dat hij geen tijd heeft voor emoties. Als het niet loopt zoals je had verwacht, krijg je uiteraard wel een mentale klap, maar daar mag je niet aan toegeven: wie weet hoe de rest van de wedstrijd nog uitdraait? Het is sowieso belangrijk om met de leiders uit het water te komen. Je móét in de kopgroep zitten of de overwinning is weg.

‘Ik was een verschrikkelijk slechte zwemmer en wist dus dat ik na Kailua Bay aan een inhaalrace moest beginnen. Met maar drie minuten achterstand was ik tevreden. Die eerste momenten uit het water zijn de vreemdste in negen uur Ironman. Je hebt net een uur in het water gelegen, moet dan weer rechtop staan en meteen vol in de inspanning gaan. Dat doet rare dingen met een mens. Triatlontunnelvisie noemt men het. Je ziet niks, je hoort niks, alle aandacht gaat naar de volgende taak op je lijstje. Mijn hele familie mag op tien meter van mijn tijdritfiets staan, ik zal ze niet opmerken. Het schijnt te maken te hebben met je bloedsomloop, alle kracht gaat naar de essentiële functies. Voor een triatleet telt op dat moment alleen: zo snel mogelijk die fiets op en gas geven.’

180,2 kilometer fietsen over de Queen Ka’ahumanu Highway

Sofie Goos: ‘De laatste minuten voor je uit het water komt, ben je mentaal de wissel al aan het voorbereiden. Goed wisselen betekent gratis minuten! Uiteraard mag je die niet laten liggen. Ik verken voor de koers de wisselzone en denk goed na over hoe ik mijn sportzak leeg ga maken: terwijl ik loop, of stilstaand? Zulke zaken zijn géén details. De wisselrituelen moeten automatismen worden want de inspanning haalt je mentale scherpte onderuit. Ik zag triatleten hun rugnummer vergeten of zich in wanhoop proberen te herinneren waar hun fiets ook alweer stond.

‘Er zijn atleten die even van het zwemmen moeten bekomen en op de fiets de tijd nemen om hun ritme te vinden. Ik niet, ik geef direct alles. Dat heeft als voordeel dat je je trager bewust wordt van de verstikkende hitte, hét grote pijnpunt in Hawaï. Ik probeer door te bijten tot aan de eerste bevoorrading, na een kilometer of twintig. Van dan af verdeel ik mijn mentale focus tussen zo hard mogelijk trappen en letten op mijn lichaamstemperatuur. Goed afkoelen, vooral dan je hoofd en nek, is levensbelangrijk in Hawaï. Wie oververhit aan de marathon begint, is verloren. Frederik Van Lierde heeft hier ooit in een goeie positie een bevoorrading gemist en was van toen af aan het spartelen. De volgende keer draai ik terug, zei hij.

‘De Queen Ka’ahumanu Highway is het saaiste parcours dat je je kunt indenken: één lange autosnelweg van 180 kilometer met welgeteld drie bochten. Rondom je niets dan lavavelden. De dorste, eenzaamste plaats op aarde. Er is een editie geweest dat ik dacht: man, ik ben verkeerd gereden! Ik zag niemand voor of achter me, zover ik kon kijken. En je kunt vér kijken in Hawaï. Dat, in combinatie met die door god verlaten omgeving, brengt je in trance. Ik geloofde oprecht dat ik niet meer in de wedstrijd zat en ben maar door blijven fietsen omdat er toch geen afslag was. Een concurrent die in je buurt rijdt, kan óók vervelend zijn, maar dan word je ten minste niet overvallen door dat eenzamefietsergevoel, typisch voor deze wedstrijd.

‘Niemand snapt hoe het kan maar op de Ironman van Hawaï rijd je altijd met tegenwind. Altijd! Na negentig kilometer ronden we een kegel waarna we over dezelfde weg terugfietsten. Logisch gezien zou je of in het heen- of in het terugrijden rugwind moeten hebben, maar op een of andere manier keert de wind altijd krek op het slechtste moment. Het parcours gunt je geen moment rust, want het blijft geen meter vlak. Nooit kom je mooi in cadans, het is voortdurend twijfelen tussen buiten- of binnenblad. Haal ik nog nét de top van die berg of wordt het toch terugschakelen: dat continu tegen je limiet beuken, maakt het extra pijnlijk.

‘Wanneer een andere atleet mij inhaalt, krijg ik uiteraard een mentale tik. Zeker als die vrouw normaal niet sneller fietst dan ik. Als betere fietsers niet voorbijkomen, of later dan je had ingecalculeerd, dan krijg je er net een boost van. Iemand inhalen is natuurlijk sowieso genieten, een oppepper waar je toch een paar honderd meter voordeel aan hebt.

‘Mijn moeilijk punt ligt tussen 140 en 160 kilometer. Je hebt dan vier van de vijf uur fietsen achter de rug. Je nek doet pijn, je zadel irriteert, maar je moet in tijdrithouding blijven. Aan het verlangen om even de spieren los te schudden mag je echt niet toegeven. Ik weet dat die dip overgaat zodra de wisselzone eraan komt. Als ik die paar momenten van vertwijfeling kan vermijden, doe ik mee met de besten. Maar dat is zoveel makkelijker gezegd dan gedaan.’

42,2 kilometer lopen naar Keahole Point en terug

Frederik Van Lierde: ’42 kilometer is zo lang dat je niet zonder wedstrijdplan kunt. Ik deel mijn marathon op in vier stukken. De eerste zestien kilometer gaan over de Ali’i Drive, een mondaine strandboulevard. Er staat veel volk te supporteren en het gevaar bestaat dat je je door hun enthousiasme laat meeslepen. Niet te wild beginnen dus. Uit wat in dit deel gebeurt, mag je ook nooit te vlug conclusies trekken.’t Kan dat je hier iemand voorbijsteekt maar dat binnen vijf kilometer de rollen omgekeerd zijn. Met posities ben ik nu bewust nog niet te veel bezig. Laat de anderen hier maar gek doen, ik lach wel aan de finish.

‘Na Ali’i Drive volgt een steile klim van zo’n 800 meter om weer op de saaie autosnelweg te raken die we daarnet al met de fiets hebben gedaan. De weidse, warme lavawoestijn slokt je op. Eigenlijk is het maar een tussenstuk richting het cruciale punt van de marathon: het zogeheten Energy Lab, een militair domein dat onder zeeniveau ligt en gruwelijk heet is. Ik wist niet wat hitte écht was tot ik de eerste keer in Energy Lab kwam.

‘Rutger Beke zei ooit dat Ironman in een bakoven moet plaatsvinden of dat het anders niet juist aanvoelt. Dat het weer moet zijn waarbij ze op de radio zeggen: we raden de mensen aan geen zware lichamelijke inspanningen te doen. Hij had honderd procent gelijk, hoewel je tijdens de wedstrijd de warmte natuurlijk vervloekt. We doen het uiteindelijk allemaal voor de mythe hè. Om iets bovenmenselijks te presteren heb je omstandigheden nodig waarvan normale mensen zeggen: jongens, dit is eigenlijk te gek voor woorden.

‘In Energy Lab worden de verschillen gemaakt. Toen ik hier vorig jaar de leiding nam, wist ik bijna zeker: dit pakken ze me niet meer af. Pas op, de andere kant van de medaille heb ik ook al gezien. Energy Lab is lang mijn mentale breekpunt geweest – die moordende hitte ook. Er waren edities dat ik hier nog amper mens was, dat ik versuft rondliep met nul gram energie in de tank. Die pijn moet je wegduwen. Je moet proberen er geen aandacht aan te besteden en je puur te concentreren op het wedstrijdplan. Het mentale neemt het over van het lichamelijke: daar draait het eigenlijk om bij een Ironman. Wie voorop loopt, ziet evengoed wit van de verzuring, maar op een of andere manier voel je dan de pijn niet zo scherp, weet ik sinds vorig jaar.

‘Naar het schijnt zijn er amateurs die in Energy Lab beginnen te hallucineren. Zelf heb ik het nog niet meegemaakt, maar ik kan me dat perfect indenken. Niets dan respect voor wat die amateurs presteren, trouwens. Velen hebben een persoonlijke tragedie meegemaakt of doen het om een goed doel onder de aandacht te brengen. Keer op keer zitten daar hartverscheurende verhalen bij. Die mensen zien finishen na de gruwelijke overlevingstocht die een Ironman telkens weer is, daar kun je niet onbewogen onder blijven.

‘Na Energy Lab kun je de finish al ruiken, waardoor alles meteen een stuk makkelijker wordt. De opluchting geeft de benen nieuwe zuurstof. Na mijn eerste Ironman zei ik: dit nooit meer. En dan moet je weten dat ik tweede was geworden en dus een fantastisch debuut had gemaakt. Het doet zó ongelooflijk veel pijn, maar uiteindelijk vergeet je dat. De verslaving die elke duuratleet kent, zal het gauw weer overnemen. Zelfs nog voor mijn lichaam helemaal hersteld is, voel ik de drang om weer die kick op te zoeken. Jezelf overstijgen en iets doen waarvan je niet eens weet of het wel kan: een mooier gevoel bestaat er niet.’

DOOR JEF VAN BAELEN

Rutger Beke ‘Het is minder een zaak van goed kunnen zwemmen dan van weten hoe je meer slagen uitdeelt dan dat je er zelf incasseert.’

Sofie Goos ‘Niemand snapt hoe het kan maar op de Ironman rijd je altijd met tegenwind.’

Frederik Van Lierde ‘Er waren edities dat ik nog amper mens was, dat ik versuft rondliep met nul gram energie in de tank.’

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content