Bart Cornand
Bart Cornand Redacteur Knack

Jason Moran maakt op Ten de balans op van zijn carrière.

Harlem, vorig jaar. Een imposant burgermanshuis nabij Riverside Drive. Zo hoort een man als hij te wonen: diep in de jazzgeschiedenis geworteld maar met de grandeur van Stravinsky. ‘Stil, de jongens slapen’, zegt hij aan de voordeur. Op sokken schuifelt Jason Moran (35) de gang door, de woonkamer in. Kunstboeken op stapels, abstracte schilderijen aan de wand, buffetpiano tegen de muur. Een huis vol hoge cultuur en design. En midden in die kamer: de bekende puzzelstukkenspeelmat van Ikea.

Die polariteit is tekenend voor Moran. Hij is gepokt en gemazeld in de oude stridestijl, maar torpedeert het luistercomfort met hevige free. Hij speelt monker dan Monk, maar gooit er tijdens zijn concerten steevast Planet Rock van Africa Bambata tussen. Schrijft scores voor ballet maar kan zijn schokkerige dancemoves nauwelijks inhouden wanneer hij oude hiphop hoort. Het muziekblad Rolling Stone noemde hem ’the most provocative thinker in current jazz’. Merk op dat daar niet ‘ player’ staat. Tijdens de tien jaar sinds de oprichting van zijn trio (Nasheet Waits, drums, Tarus Mateen, elektro-akoestische basgitaar) boetseerde Moran zijn inspiratie steeds meer tot concepten: de weigering om zich in het verleden te laten opsluiten op Facing Left, zijn eigen versie van de blues op Same Mother, een verzameling van zijn scores bij tentoonstellingen en performances op Artist in Residence. Moran is een zelfbewuste kunstenaar die een plaats in de kunstgeschiedenis ambieert – maar in die ambitie dreigde zijn werk hermetisch-elitair te worden.

Met Ten (****) maakt hij een stand van zaken op na tien jaar samenspelen. En de zaken gaan goed: dit is een van zijn sterkste albums ooit. Tijdens ons gesprek had Moran nog handenwringend op de bank gezeten: hij kon maar niet beslissen welke kant hij uit wou. Moest hij In My Mind, zijn live hommage aan Thelonious Monk opnemen? Een nieuw livealbum misschien? Alle tips waren welkom. De sterkte van Ten is nu net dat Moran uiteindelijk geen concept bedacht heeft. De plaat is een dwarsdoorsnede van zijn huidige carrière, in al haar diversiteit. De zoete gospel van Blue Blocks komt uit zijn project over antieke quilts uit Alabama, dat hij vorig jaar op Jazz Middelheim voorstelde. Voor Feedback Pt. 2 samplede hij de gitaarfeedback van Jimi Hendrix op het Monterey Pop Festival en schreef er een ballad overheen. RFK in the Land of Apartheid, met een dreigend ostinato van Mateen (nooit eerder klonk hij zo sterk) komt uit zijn soundtrack bij de gelijknamige film over de reis van Robert Kennedy naar Zuid-Afrika in 1966. Voorts krijg je een versneden Crepuscule with Nellie en odes aan zijn leermeesters Jacky Byard en Andrew Hill. Vaak tegendraads, dat hoeft niet te verbazen, maar meer dan ook waakt Moran erover dat hij zijn uithalen inbedt in toegankelijke thema’s en ritmes, zodat het publiek nog steeds de puzzel kan maken.

‘Hoe heet jouw zoon ook weer?’ vroeg hij.

‘Billy. Zoals Strayhorn.’

‘Mooi. En zoals de Ikeakasten’, grijnsde hij. ‘Moet ik dringend bij-bestellen.’

Het jonge vaderschap heeft Jason Moran goed gedaan.

JASON MORAN & THE BANDWAGON, TEN, BLUE NOTE/EMI.

Bart Cornand

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content