Martin Amis’ ‘Yellow Dog’ waarschuwt subtiel voor de gevaarlijke tentakels van de sensatiepers: het verstand van de lezer wordt uitgeschakeld, alleen het instinct blijft.

Er zijn zo van die zekerheden in het leven, dat de zon iedere dag weer opkomt bijvoorbeeld. Ook het literaire wereldje kent zijn constanten en een van de minder fraaie is dat ieder nieuw boek van Martin Amis door de Britse critici op een fluitconcert wordt onthaald. Bij het verschijnen van zijn laatste roman, Yellow Dog, in het Nederlands De gele hond, was dit niet anders. Er werd beweerd dat Amis nu duidelijk op zijn retour was en dat hij maar beter stopte met schrijven. Hij zou geen leven in zijn personages kunnen stoppen en iedere zin van het boek zou ongeloofwaardig overkomen. Allemaal onzin natuurlijk, gebaseerd op afgunst enerzijds en een hartsgrondige hekel aan de man die het hele Britse journaille misschien wel terecht met de nek aankijkt. Voor Amis zijn journalisten – en dan bedoelt hij vooral de privacy negerende muskieten van de tabloids – niet meer dan kloothommels en dat heeft hij hen ook al meermaals duidelijk laten weten.

Clint Smokers, een van de hoofdpersonages uit De gele hond, is zo’n kloothommel. Hij toert rond in een vier ton zware, naar tenenkaas stinkende Avenger, die een psychische compensatie vormt voor het minuscuul uitgevallen misbakseltje in zijn slip. Hij e-mailt met de geheimzinnige en zich in sms-taal uitdrukkende Kate en woont in een mestvaalt van een huis dat vergeven is van de porno. Wat in feite best te begrijpen is, aangezien hij voor de Morning Lark werkt, een krant waarvan de redactieleden hun lezers liefkozend ‘rukkers’ noemen en die bol staat van de seksschandalen en de blote tieten. Het echte nieuws staat ergens onderaan de pagina, in telegramstijl.

Gekke verhaallijnen

Maar Clint is in feite maar een aanbrenger in Amis’ roman. De hoofdrol wordt gespeeld door Xan Meo, de renaissanceman die acteert, een boek geschreven heeft en een keer per week slaggitaar speelt in een cafébandje. Samen met zijn Amerikaanse vrouw Russia en zijn twee dochtertjes woont hij in Londen, waar hij in een pub, rustig genietend van een cocktail genaamd Eikel door twee mannen verrot geslagen wordt. Hij weet aanvankelijk niet wat hem overkomt en aangezien de slag op zijn ketel hem een fikse hersenbeschadiging oplevert, weet hij het een hele tijd later nog steeds niet. Wat hij wel beseft, en dit tot zijn grote verdriet, is dat hij een karakterwijziging heeft ondergaan. Hij begint gore taal uit te slaan en raakt seksueel geobsedeerd, in zoverre dat Russia hem niet meer vertrouwt met de kleine meisjes en hem uiteindelijk de deur uit schopt nadat hij haar midden in de nacht heeft besprongen.

De gele hond kan nog het best beschreven worden als Meo’s zoektocht naar de man achter de aanslag op zijn leven. Het enige wat hij zich na een paar maanden herinnert, is dat zijn overvallers de naam Joseph Andrews noemden, de titel van Henry Fieldings uit 1742 daterende boek, dat algemeen beschouwd wordt als de eerste roman, en een naam die Xan ook in zijn eigen boek heeft gebruikt.

Hoe dichter hij bij de opdrachtgever komt, hoe meer hij zichzelf leert kennen en hoe duidelijker het wordt dat alle gekke verhaallijnen uit Amis’ roman in verband staan met elkaar. Want je kunt het zo gek niet bedenken of het komt wel in De gele hond voor. Zo is er bijvoorbeeld koning Henry IX, die door onbekenden gechanteerd wordt met een dvd waarop de vijftienjarige kroonprinses Victoria in bad is te zien. Van de vele zorgen krijgt de arme man spanningseczeem aan zijn aars, wat hem moeite oplevert om op de achterbank van zijn koninklijke Rolls zijn geliefkoosde kruiswoordraadsels op te lossen. En natuurlijk loopt er ook nog een pornokoningin door het beeld, die Xan om een of andere reden wil verleiden met haar echte, maar heel nep aanvoelende siliconenballonnen, en helemaal niet bang is voor de Sluipschutter van Sextown.

De gele hond is – hoeft het nog gezegd – een grandioze satire, die onomwonden de spot drijft met onze hang naar sensatie en de aanvaarding van de porno. Achter Amis’ grappen gaat immers een integere bezorgdheid schuil. Zonder zijn roman te verzuren met morele lesjes wijst Amis de lezer op wat de hedendaagse sensatiemedia doen met de mens: ze schakelen zijn verstand uit en herleiden hem tot een instinctgedreven beest. Het bijzondere aan Amis is de manier waarop hij dit doet, door op ongenadige wijze hoge en lage cultuur met elkaar te vermengen. Enerzijds schrijft hij de platste grollen neer, die we sinds lang mochten lezen, anderzijds doet hij dat in een stijl die tot de scherpzinnigste van deze tijd gerekend mag worden: soms chaotisch, maar steeds tot in de puntjes verzorgd. Niet alleen verwijst het einde van het boek weer naar het begin, ook de hoofdstukken doen dit, en zelfs de paragrafen. De combinatie van dat hoge en lage is wellicht wat veel Britse critici als heiligschennis ervoeren, maar dat zegt meer over hun waarden en standaarden dan over de schrijfkunst van Martin Amis natuurlijk.

Marnix Verplancke

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content