De Europese muntunie ligt in de handen van monetaire technokraten. De eenheidsmunt komt er volgens plan vanaf 1 juli 2002.

HET IS AL LANG een uitgemaakte zaak. De invoering van de Europese eenheidsmunt is geen demokratisch proces en vloeit niet voort uit een emotionele politieke opstoot. De Europese muntunie (EMU) is het jachtterrein van monetaire technokraten. Dat bleek nog maar eens op de Europese raad van de ministers van Financiën, die de kalender voor de invoering van een eenheidsmunt opstelde. Zorgelijk nauwkeurig namen de excellenties het plan over van het Europees Monetair Instituut, de instelling waarin de nationale centrale bankiers nu al Europese Centrale Bank spelen. En op zijn beurt zal de Europese top van staatshoofden en regeringsleiders op 16 december in Madrid ongetwijfeld de financieministers volgen.

Het gaat dus zo : (1) in 1998 beslissen de staatshoofden en regeringsleiders welke landen mogen deelnemen aan de muntunie de meest redelijke pronostiek is dat Duitsland, Frankrijk, Nederland, Luxemburg en België en misschien Italië de EMU vormen ; (2) op 1 januari 1999 worden de munten van die landen met onherroepelijk vaste wisselkoersen aan mekaar geklonken ; (3) ten laatste drie jaar later, op 1 januari 2002, brengt de EMU de eenheidsmunt in munten en biljetten op de markt en (4) zes maanden later, vanaf 1 juli 2002, is de Europese eenheidsmunt het enig wettelijk betaalmiddel.

Als Europa en de regeringen van de lidstaten ook hun burgers bij die politieke omwenteling hadden willen betrekken, dan had de eenheidsmunt al lang een naam. De ministers van Financiën gebruiken de werknaam E-munt. Waarschijnlijk beslist de Europese top volgende maand dat het euro wordt. Hoog tijd, want geld is nu eenmaal iets waarmee iedereen omgaat. Intussen staat bij de Europese bevolking de toekomstige munt-zonder-naam voor werkloosheid, besparingen en inleveren op sociale zekerheid.

Dat is een gevolg van de intussen beruchte normen van Maastricht om de ekonomieën van de deelnemende landen op mekaar af te stemmen. Het is vergeten geraakt dat het verdrag geen toegangsnormen tot de muntunie voorschrijft, maar alleen ekonomische doelstellingen bevat. Behalve deze als het ware uit het niets gekomen verstrakking, krijgt Maastricht nu nog een soort annex. Het besloten kringetje van financieministers besliste dat de muntunie-landen hun begrotingstekort onder de drie-procentnorm van Maastricht moeten houden.

WERKLOZEN.

Daarmee gaat het richting “stabiliteitspakt” van de Duitse minister van Financiën Theo Waigel. Hij wil dat de EMU-landen hun tekort beperken tot één procent van het bruto binnenlands produkt (BBP). Landen die het begrotingsgewijs te bont maken, moeten een boete betalen. Vrij vertaald, komt het neer op zoiets als goeverneur Alfons Verplaetse van de Nationale Bank, die twintig miljard frank belastinggeld opvordert voor elk procent dat premier Jean-Luc Dehaene boven een begrotingstekort van drie procent BBP uitgeeft. Zo’n stabiliteitstechniek kan er, volgens Waigel, voor zorgen dat de lidstaten na 1 januari 1999 hun begrotingsdiscipline in ere houden. Het is verre van zeker dat de Duitse financieminister daarmee de muntunie betere geboortekansen verschaft. Een EMU zonder deelnemers is geen EMU en dan blijft alleen het huidige mark-blok over (Duitsland, Benelux en op enige afstand Frankrijk).

Zoals ze wel meer plegen te doen, zetten de Europese ministers van Financiën hun kollega’s van Arbeid onder curatele. Zo keurden zij het rapport goed over het Europees aktieplan (van de top van Essen in 1994), met aanbevelingen inzake werkgelegenheid. Slecht gehumeurd waren zij niet, want de fundamentele ekonomische gegevens liggen hen goed. Alleen de werkgelegenheid valt tegen. Maar daar schreven ze oplossingen voor neer : betere beroepsopleiding ; biezondere akties voor jongeren, langdurige werklozen en vrouwen ; een meer arbeidsintensieve groei door grotere arbeidsflexibiliteit en volgehouden loonmatiging ; verlaging van de indirekte loonkosten (sociale bijdragen) ; verlaging van de werkloosheidsuitkeringen en andere inkomensvervangende vergoedingen.

De achttien miljoen geregistreerde werklozen in Europa kunnen van de ministerraad van Financiën leren dat hun werkloosheidsvergoedingen niet zo hoog mogen zijn dat zij de prikkel verliezen om werk te zoeken. Hun bereidheid tot werken moet trouwens strenger worden gekontroleerd en de overheden dienen erop te letten dat zij niet in andere bijstandsmekanismen vluchten.

De fundamentele ekonomische gegevens oké ? Dat is alvast niet de mening van de verenigde ekonomische analisten. In hun kring groeit een consensus : de ekonomische groei verslapt, ten gevolge van de overwaardering van de munten van het mark-blok en de krimpende staatsbegrotingen een ideaal, dat op de korte termijn deflatoir werkt. Voor België berekende konjunktuuranalist Geert Noels van de beursvennootschap Petercam dat de dure frank 0,5 procentpunt ekonomische groei kost en het nieuwe spaarplan 0,3 procentpunt. Volgend jaar kan de ekonomie volgens hem hooguit 1,8 procent groeien. Een groei van 2,5 procent is een minimum om werkgelegenheid te scheppen. De konjunktuurbarometer van de Nationale Bank lijkt dat pessimisme te bevestigen. De daling van oktober wijst op toenemende ongerustheid van de bedrijfsleiders in alle sektoren.

G.D.

Wil de Duitse financieminister Theo Waigel wel een muntunie ?

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content