Toen hij zijn vijftigste verjaardag naderde, verraste Felix Timmermans letterkundig Vlaanderen met boer Wortel, zijn meest komplete personage dat zowel naast Streuvels als Gorki overeind kon blijven. Lierke-Plezierke was nu een eind ver weg.

Het was op de Vlaamse feestdag van 11 juli 1928 dat uitgeverij De Standaard Boekhandel een bibliofiele uitgave van “Pieter Bruegel, zo heb ik u uit uwe werken geroken” afleverde. Van de 207 eksemplaren waren er zeven warempel op keizerlijk Japans papier gedrukt. Voor de gewone, algemene editie zorgde Felix Timmermans’ vaste uitgever P.N. Van Kampen & Zoon in Amsterdam. Ik heb nergens gevonden waarom die aparte luxe-uitgave er eerst kwam, maar vermoed dat Timmermans er blij mee was.

Rond die tijd werd zijn zelfvertrouwen immers op de proef gesteld door de officiële literaire kritiek die stilaan haar onvrede liet horen over het al te folkloristische beeld dat hij van de Vlaamse samenleving gaf. Terwijl hij op de Europese boeken- en spreekbeurtenmarkt een onaantastbare publieksvriend was geworden, knaagden invloedrijke intellektuelen zoals August Vermeylen aan zijn roem. Via een zogezegd vraaggesprek (van “een half uur”) met Bruegel zelf, kraakte Vermeylen in februari 1929 het boek waarin het hoofdpersonage weer eens de held is van een Vlaanderen dat alleen maar kan “brassen, lampetten en slampampen. ” Het was een serieuze, eigenlijk politieke, aanvaring.

OMDAT TIMMERMANS terzelfdertijd werkte aan zowel Bruegel als de “Harp van Sint-Franciscus”, zou het probleem van zijn biografische werkmetode waarbij hij zich de meest kleurige vrijheden veroorlooft met de historische waarheid , zich opstapelen rond het begin van de jaren dertig (de Harp, die als feitenrelaas nochtans stevig overeind staat, zou in ’32 verschijnen). De verteller uit Lier voelt zich kennelijk op het verkeerde been gezet, want in die periode publiceert hij de al te onnozele verhalenbundel “Pijp en Toebak” vrijwel samen met het betere (en naar toenmalige verhoudingen vooral moderne) maar in zijn tijd weinig gewaardeerde “Bij de Krabbekoker”.

Maar schijn bedriegt. In betrekkelijke diskretie nadert “Boerenpsalm” ondertussen zijn voltooiing, voor velen het meesterwerk waarmee de schrijver in 1935 veel van zijn aanvallers tot zwijgen zal brengen en zijn literair gezag herstellen. De herboren waardering is welkom, want naast hem beginnen heel wat andere talenten, onder wie zijn vriend Gerard Walschap, tot bloei te komen. Achteraf bekeken, is de opgaande lijn van Pallieter (1916) over Bruegel (1928) tot Boerenpsalm (1935) onweerlegbaar.

Pallieter is in grote mate een serie naast elkaar geplaatste vitalistische opstellen met weinig verhaalstof die boven het tafereel uitstijgt en met een hoofdrolspeler die in de werkelijkheid nauwelijks kan bestaan. De plattelandsmens Pallieter woont ruim, heeft een dienstmeid, werkt zelf nooit, heeft altijd geld op zak (zelfs om in een opwelling een privé-vliegtuigtocht te kopen) en schijnt over onbegrensde voedselvoorraden te beschikken. Hij is een bijna bovennatuurlijk wezen, een hersenspinsel dat aan het eind van het verhaal letterlijk uit zijn eigen wereld verdwijnt, de onbekende verten tegemoet.

OOK DE LOTGEVALLEN van Bruegel zijn voor een groot deel verzonnen, maar nu toch al binnen vaste grenzen van tijd en plaats. Timmermans had het “Schilder-boeck” (1604) van Carel van Mander en nog andere dokumentatie gelezen. Duitse standaardwerken bleven jammer genoeg buiten het bereik van zijn kennis, hij kende de taal niet genoeg. Daarom moest hij de weinige gegevens die historisch vaststaan, nogal breed uitsmeren. En eigenlijk was zelfs dat niet nodig, want het boek is vóór alles een verkapte artistieke autobiografie. Felix, die zelf het liefst schilder was geworden, voelde zichzelf sterk verwant met de pikturale stijl, de mentaliteit en inhoudelijke tema-keuze van de Antwerps-Brabantse meester uit de zestiende eeuw.

Reeds als twaalfjarig kind (en dus nog voor de eeuwwisseling) had hij een soort “inwijding” ervaren bij zijn eerste kennismaking met het werk van Bruegel. Daarover schreef hijzelf een beroemd hoofdstukje in “Een lepel herinneringen” (1943, facsimile van manuskript). Op een donderdagmiddag, blijkbaar in de herfst want ze willen hazelnoten gaan plukken, zien ze de postwagen (met “een barse voerman”) naar Antwerpen voorbijrijden. “Wij lazen het verlangen op elkanders gezicht. ” Ze weten dat op donderdag het museumbezoek gratis is en verstoppen zich, tussen de “petrolvaten” in de kettingen die onderaan de koets hangen en rijden “lustig stouterend” klandestien mee. De rit duurt twee uur, tot ze aankomen in de stad waar een politieman hen vanonder de kar wegjaagt.

“Eerst gingen wij naar de Schelde en stonden verpaft van de vele en hoge schepen ! Dan naar Rubens. Eindelijk zou ik het werk van Rubens zien, een van de grote verlangens van mijn jeugd. Inderdaad, wij mochten voor niets binnen. Zuchtend van verbazing en verwondering stond ik vernietigd vóór de overweldigende werken van de machtigste Vlaming. Het vage idee van ooit zoiets als een Rubens te kunnen worden spoelde voor eeuwig weg. Maar daar zag ik in een andere zaal de werken van Pieter Bruegel waar ik nog nooit één woord had horen over zeggen. Een vreemde aandoening greep mij aan. Het was nu niet meer alsof ik tegenover een koning stond, maar als een kind dat plotseling zijn ouders weervindt. Geen verbazing maar een diep geluk doorvloeide mij. Het kwam mij voor alsof ik daar al jaren naar gezocht had. ” Ja, zijn hart ging open “gelijk een venster. “

Hij staarde naar de in goud gelijste Volkstelling van Betlehem, de Herodes-moord op de onnozele kinderen en het Driekoningen-verhaal. Die bijbelse momenten spelen zich onder het penseel van Bruegel af in Vlaamse landschappen, dorpen en huizen : net zoals Jan-Gommaar, de vader van Felix, dat al die tijd in zijn bedverhaaltjes voor de kinderen had gedaan. “Alles van het evangelie was bij hem ook in ons land voorgevallen. Die schilderijen, dat waren zijn vertelsels die ik vergeten was en die nu terug in mijn geheugen opkleurden. Ik was overgelukkig, maar mijn vriend had een berenhonger. ” Laat in de avond, na een lange en angstige terugkeer te voet, belandt het tweetal opnieuw in het ouderlijke huis “waar ik een goede afschrabatie kreeg. Het was eraan verdiend. Ik had Bruegel gevonden ! “

VAN DIE AANSTEKELIJKE ervaring en jeugdherinnering zou hij gebruik maken na zijn “Schemeringen”-periode, het sluitstuk van een late puberteit. Niet alleen Pallieter wordt nadien geboren, maar ook zijn eerste literaire experimenten met Bruegeliaans materiaal zoals “Het kindeke Jezus in Vlaanderen” (1917). Maar al zes jaar eerder, hij is dan vijfentwintig, speelt hij met de gedachte aan een min of meer uit de duim gezogen levensverhaal van zijn in Antwerpen ontdekt idool : “een blij mensenleven met een levenslustige architektuur samengesmolten. ” Een sprookje.

Pas een kwart eeuw later krijgt hij het verhaal voor elkaar, alhoewel minder “blij” dan de jongeman zich oorspronkelijk indacht. Zijn Bruegel van 1928 is al bij al een psychisch gekompliceerde figuur geworden, voortdurend heen en weer pendelend tussen gulzigheid en versobering, overspel en trouw, hebzucht en armoede, opstandig geuzendom en roomse godsdienst, macht en sociale rechtvaardigheid, echte kunst en commercieel aantrekkelijk nep, eigen heimat en betoverend Italië.

Verhaaltechnisch is Bruegel nog niet “af”, maar als staaltje van schrijfkunst geurt het boek naar de allerbeste Timmermans. Onder invloed van sommige schilderijen beschrijft hij, bijvoorbeeld, de Brabantse winters in pure prozagedichten. “Alles was nu vers en helder, wit, dik ingewold : de daken, de wegen, het flessen-groene ijs, de takken van de bomen, de mesthopen, de vensterrichels, de lange bronputarmen. Alleen wat loodrecht op de wereld stond, had zijn koleur behouden, maar was door al dit wit zwaarder van tint geworden. Daarover een bruine lucht als een berookt plafond, en een vastgevezen stilte ; maar daarin de fonkelende verven van de haan op de mesthoop, en ’t zoevend smisvuur ginder ver. ” En : “Eenzaam en oneindig strekten de landen zich uit onder de dikke bevrozen sneeuw. Men proefde de kou als metaal in de mond. De hoeven, de huizekes zaten, als okkernoten gesloten, diep ingesneeuwd, niets roerde er. Waar zij ergens stil hielden, kregen zij meestal eerst het bassen van den hond. “

In de Spaans-katolieke wereld van Filips II en dus ook Bruegel doet een rijk, overvoed gezin denken aan “een varkensblaas”. Als verachtelijke kollaborateurs met de bezetter behoren zij tot de Dikken die burgemeesters, kapiteins, baronnen en klerken tot vriend hebben. Ze zijn er “langs alle kanten, als forten en broeltorens die de streek kwaad beheersen. ” Op het neerhof van die uitbuiters (de magere pachters zijn hun slachtoffer) wandelt een blauwgroene pauw “als gehuurd” over en weer, voor het genoegen van zijn tevreden heren. “Hun achterste hing en godet over hun stoeleke. De worsten kransten van de lage zoldering tot aan hun mond en zonder opstaan kosten z’er zo in bijten. “

De narratieve lust is hier nog dermate overdadig, dat Bruegel zelf niet altijd even zichtbaar door zijn eigen kontrastrijke levensverhaal stapt. Bovendien heeft de auteur zichzelf zodanig in zijn personage geprojekteerd, dat het onderscheid tussen beide soms zoek is. Timmermans gebruikt hem om zowel de Vlaamse primitieven (“de gotieken”) als Rubens en de hele renaissancekunst “een afgietsel” te doen afwijzen. Bruegel valt samen met het programma van zijn eigen voorkeur : de waarheid kan slechts in het gewone volk en de natuur worden gevonden. Om dat te bewijzen, moet hij de biografie van zijn brave Pieter wel enig geweld aandoen.

AL DIE PROBLEMEN zijn echter opgelost in de gedaante van Wortel, de ik-persoon in “Boerenpsalm”. Die saga leest wat minder feestelijk, de taal en beeldspraken zijn veel zakelijker geworden. Maar de story zelf heeft een harde kern en een ondubbelzinnig gehalte aan epische symbolen zoals bij de grote Russen, Duitsers of Angelsaksers van die tijd. De boer is uit zijn folkloristische kleren gestapt en wordt nu opgevoerd als een tragische figuur die moet vechten om te overleven, de strijd te winnen tegen het noodlot, de door kasteelheren uitgelokte ekonomische wanverhoudingen, zijn eigen (ook seksuele) domheden en levensgevaarlijk bijgeloof. Ontroerend is zijn ambitie om ooit in een minder harde wereld te gaan leven, en uiteindelijk het mentale onvermogen om die geboden kans te grijpen.

Timmermans is bijna vijftig wanneer zijn Wortel de literaire goegemeente in Vlaanderen het definitieve bewijs van zijn universeel schrijverschap levert, zelfs al blijft een goedmoedige pastoor in zijn scenario rondwandelen als onmisbaar bindteken tussen aarde en hemel. Dat kon toch nog niet anders, zo zat op het platteland het leven konkreet in elkaar.

Frans Verleyen

(Wordt voortgezet in het nummer van 25 oktober)

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content