De aanslag in Addis Abeba op president Hosni Moebarak bracht een kettingreaktie van wrijving op gang tussen Caïro en Khartum.

MET trommels en trompetten en het gedreun van vaderlandslievende gezangen op de Egyptische radio en televisie drong eind vorige week het lawaai van de hoog oplopende ruzie tussen Egypte en Sudan door tot in Europa. Er was een aanslag geweest, er waren doden gevallen, troepenbewegingen, nachtelijke aanvallen, en veel geschreeuw en gestikulatie over en weer. De twee buurlanden leven al lang in onmin (sinds in 1989 een islamistisch geïnspireerde militaire junta de macht in Khartum in handen nam), maar zo ver als nu had men het in zes jaar toch niet meer laten komen.

De krisis, zoniet het verhaal, nam een aanvang op maandag 26 juni, de startdatum van de konferentie in Addis Abeba van de Organizatie voor Afrikaanse Eenheid, waaraan bijna alle Afrikaanse staatshoofden zouden deelnemen. De Egyptische president Hosni Moebarak was op weg van de luchthaven naar Addis Abeba naar de konferentie, toen zijn karavaan door een kommando met automatische wapens beschoten werd. In het vuurgevecht dat ontstond, werden enkele Ethiopische politiemannen gedood en gewond, en volgens Ethiopische bronnen werden twee aanvallers gedood, volgens Egyptische bronnen drie. Het incident drukte zijn stempel op de OAE-konferentie, maar Moebarak zelf was daar niet bij : die was naar de luchthaven teruggekeerd, en naar huis teruggevlogen.

De aanslag was mislukt, de president was ongedeerd, maar het evenement kon niet anders dan de moordaanslag op die àndere president in herinnering brengen : de spectaculaire moord op Anwar el Sadat, Moebaraks voorganger, door de Moslimbroeders in oktober 1981. En naar verdachten voor de huidige aanslag hoefde, meer in het algemeen, niemand lang te zoeken. Dat zouden de radikale islamisten wel zijn die al enkele jaren Egypte onveilig proberen te maken, al dan niet in opdracht van of in samenspraak met het islamistische regime in buurland Sudan.

Sudan, als enorm groot land (het grootste land van Afrika) dat zich van de Egyptische zuidgrens naar het zuiden uitstrekt tot aan Eritrea en Ethiopië, met één helft in de Arabische invloedssfeer en de islamitische zone en de andere in animistisch-kristelijk zwart Afrika, was al zeer lang kwetsbaar voor radikaal islamistische agitatie, kreeg als één der eerste staten in Afrika de Moslimbroeders aan de macht en ging leven onder het regime van de islamitische traditionele wet, de sharia. (Dat gebeurde onder diktator Djafar al Nimeiri, die de ekonomische en militaire steun genoot van de VS, in het schaakspel om de Hoorn van Afrika, en in 1985 ten val gebracht werd.) Het instellen van de sharia in de vroege jaren tachtig leidde tot een aanslepende burgeroorlog tussen het islamitische noorden en het animistisch-kristelijke zuiden volgens de breuklijn die heel Afrika doorkruist, en daar bovenop kwam de katastrofale droogte van 1984 die een groot deel van Sudan tot woestijn herleidde en die sindsdien geregeld terugkomt.

Dit alles bijeen maakt van Sudan een van de zwakste en armste landen van Afrika ook al heeft het, op radikaal-religieuze basis, een bondgenootschap met Iran gesloten. Onder leiding van Hassan al-Toerabi, de islamistische leider die doorgaat voor Sudans “grijze eminentie” of man achter de schermen, gingen de Sudanese islamistische groepen een erg militante en internationalistische politiek voeren. Sudanezen werden beschuldigd van betrokkenheid bij de bomaanslag op het World Trade Center in New York City, het was in Sudan dat de Franse geheime dienst de gedoodverfde aartsterrorist Carlos ging halen, het is in Sudan, zegt men, dat de Algerijnse, Tunesische en Egyptische radikaal-islamistische guerrillas opgeleid worden, in kampen in de woestijn. Van dit alles is weinig bewezen, maar de Sudanese politiek (niet zolang geleden werd zowaar nog de Belgische kardinaal Godfried Danneels, als hoofd van Pax Christi, de toegang tot Sudan geweigerd), en de aangewende retoriek (toejuichingen, zoniet opeisingen bij aanslagen) geven weinig aanleiding om het algemene beeld sterk in twijfel te trekken.

EGYPTE.

Daarbij had Egypte geen aanslagen op president Moebarak nodig om het ook moeilijk te hebben. Met meer dan 57 miljoen inwoners overbevolkt voor zijn ekonomische staat van zaken, geteisterd door korruptie en bureaukratie, die de enorme hulp van de VS moeiteloos doet verdampen zonder aan de bestaande toestand iets te wijzigen (Egypte en Israël vertegenwoordigen traditioneel de helft van de Amerikaanse buitenlandse hulp), is het land zeer kwetsbaar voor de egalitaire rechtvaardigheidsboodschap van de Moslimbroeders en andere islamisten. Sinds een paar jaar vallen groepen van hen politieposten en toeristenbussen aan, wat de Egyptische toeristische sektor, zeer belangrijk voor de ekonomie, belangrijke schade toebracht. De regering heeft duizenden islamisten in de gevangenis zitten, gaf de politie carte blanche om het “probleem” (dat het naar buiten minimalizeert) op te lossen, weigerde nochtans tot nog toe het leger bij die “oplossing” te betrekken.

Maar wat op een gematigde en toch ferme aanpak kan lijken, bleek in realiteit, door de inherente korruptie van het systeem, ondoeltreffend, zodat het regime zich in Caïro en in de grote steden verplicht zag de islamistische groepen verschanst in moskeeën en universiteiten in “bijzaken” hun zin te geven, teneinde de “essentie” te redden. De essentie is dan de macht voor de heersende laag. De “bijzaken” zijn pers, onderwijs, literatuur, de demokratische vrijheden die nog resten en zelfs de rechtspraak : in al deze, en in andere, sektoren heerst een preventieve censuur op islamistische basis, die niet opgelegd werd door de vrijdagsermoenen van de moskee (hoewel ze dat misschien óók zijn), maar door wetten en dekreten van de regering. Een paar weken geleden nog werd de korangeleerde en auteur Nasr Hamed Aboe Zeid voor het hof van beroep in Caïro veroordeeld, op eis van een groep islamisten, voor apostasie, en bevolen van zijn echtgenote te scheiden (moslimvrouwen mogen namelijk, volgens deze versie van de sharia, niet met afvalligen getrouwd zijn). In feite zijn de islamisten goed bezig de Egyptische kultuur en het civiele leven over te nemen, in afwachting van het moment dat ook de macht ze in de schoot valt.

Zo ongeveer kan men zich voorstellen dat de islamisten van de Gamaat Islamiya het spel spelen. Daarbij hoort men vaak dat de driehoek van Moslimbroeders, Al Ahzar-universiteit en Saudi-Arabië Egypte kontroleert.

Waarom dan de aanslag op Hosni Moebarak ? Verkeerde berekening ? Dacht iemand het moment gekomen om de appel van de macht te oogsten ? Hoe het verder ook uitdraait, het lijkt er wel op dat Moebarak volgens die lijnen reageert. Enerzijds kwam de beschuldiging richting Sudan (ofwel de regering, ofwel de man achter de regering, Hassan Al Toerabi) er zeer snel, en ging ze, ongewoon, gepaard met aktie in de Halaib-driehoek aan de grens (dat is een stuk woestijn van ruwweg 17.000 vierkante kilometer dat betwist wordt tussen beide staten). Anderzijds werd de jacht ingezet op de islamistische organizaties in Egypte en deze keer, leek het, zou de regering zich niet beperken tot de gewapende islamisten, de guerrillero’s en de “terroristen”, maar zou ze ook de propagandisten en de ongewapende onderlaag aanpakken. Het is moeilijk te voorspellen hoever de regering en met name president Moebarak daarin wil gaan : hebben zij zitten wachten op een fout van de islamisten, zoals deze mislukte aanslag, om een verpletterende slag te slaan ?

Enerzijds lijkt dat erop, als men op de retoriek moet voortgaan. Anderzijds hebben ze dan misschien wel een stuk te lang gewacht : als de invloed van de organizaties opgeklommen is tot in het ministerie van Justitie en het gerechtelijk apparaat, na de grote universiteiten en de media, zou het misschien moeilijk kunnen zijn (en in de praktijk in strijd met een paar elementaire mensenrechten) om ze met één klap te neutralizeren. En dat weten de regering en de president beter dan wie ook.

Vandaar wellicht de nadrukkelijkheid van de vaderlandslievende liederen die vorige week de Egyptische media overnamen. De Halaib-driehoek was het toneel geweest van schermutselingen, daarbij waren doden gevallen. Zeventig Sudanese politiemannen (van de duizend die daar gebleven waren toen de driehoek door Egypte de facto werd bezet) werden over de grens gestuurd. Een paar Sudanese nederzettingen werden aangevallen. Men had het over lessen geven en provokaties langs twee kanten. De Sudanese president Omar Ahmed el-Besjir zei dat Sudan tot de laatste man zou vechten om de Halaib-driehoek te verdedigen. Men is het erover eens dat het Sudanese leger nochtans niet in staat zou zijn een serieuze Egyptische aanval te weerstaan. Als die er zou komen.

Sus van Elzen

De Sudanese president Omar Ahmed el-Besjir wil tot de laatste man vechten.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content