Het diktaat van de islam bepaalt in Iran er nog altijd de zeden. Toch is het land stilaan “normaal” aan het worden. Een reportage.

VIER vrouwen in het zwart stappen uit een Nissan Patrol 4WD. De straat is verlaten, maar vanuit de huizen, achter de hoge muren, klinkt muziek en gelach. Hun lange hijabs en hoofddoeken wapperen achter hen aan. In het licht van een lantaarn zie je dure schoenen. En het gouden hengsel van een handtas : M-O-S-C-H-I-N-O. Ze giechelen in de intercom.

De jongen in de galerij houdt de lift open. Hij weet wat de vrouwen gaan doen, maar zijn gezicht staat neutraal. Hij is betaald om te zwijgen. En om ze te waarschuwen, eventueel. Op de dertiende verdieping stappen de vrouwen uit. De deur van het appartement van Ahmad staat open. Je hoort Jacques Brel en het getinkel van ijsblokjes tegen glas. Ahmad geeft een feestje want zijn goede vriendin Roshi is terug uit Florida. De vrouwen zoenen hem vluchtig op de wang en bewonderen zijn nieuwe trompe-l’oeil in de hal. Ahmad doet in huizen en interior decorating. Ze lopen naar de kleedkamer, gooien hun hijabs over een bank en werken hun make-up bij. Ze dragen leggings en dunne zomerjurken. En daar staat Roshi, midden-veertig en mooi, in een zwart crêpe jurkje.

Roshi nestelt zich op een smeedijzeren stoel op het terras. Binnen speelt iemand Perzische liederen op een vleugel, en zingt erbij. Soms verbastert hij de woorden en dan ligt iedereen dubbel. Iets over de dollarkoers en breng je geld maar gauw naar Zwitserland. De buren kunnen het horen. Roshi wijst op de lichtjes in de bergen, in de Albourz. En op haar vrienden in de andere stoelen. “Hier kom ik voor terug. Elk jaar. Iran is niet zo verschrikkelijk als de mensen denken. “

KODE.

In 1978 maakte ze met hetzelfde gezelschap in Griekenland een eilandentoer. De radio meldde “onlusten in Teheran” en ze waren teruggegaan. Ze hadden meegedemonstreerd tegen de sjah. Ze waren van de gegoede middenklasse en hadden in de Verenigde Staten of Engeland gestudeerd vaak op beurzen van de sjah. Ze waren islamitisch, maar modern. Ze hadden gezien dat het politiek ook anders kon. Ze hoopten dat de revolutie demokratie zou brengen en het recht zijn mond open te doen. Daar wilden ze zich voor inzetten. “Die vrouwen in het zwart, die je toen op de televisie zag, dat waren wij, ” zegt Roshi. “Twee procent van de Iraniërs steunde de revolutie niet. Dat was de elite van de sjah. “

Ook voor de revolutie had ze vaak een hoofddoek om. Niet in haar wijk, in Noord-Teheran. Wel in het centrum en het zuiden van de stad. Daar woonden, net als nu, de andere Iraniërs. Die waarderen het als je je haar bedekt. Een kwestie van respekt.

Het liep anders dan Roshi had gedacht. In 1981 escaleerde de machtsstrijd tussen de ayatollahs en de partijen die zich achter ayatollah Khomeiny hadden geschaard om de sjah weg te krijgen. Links greep naar de wapens. De ayatollahs waren sterker. Zij moordden duizenden mensen uit. De rest nam de benen of hield zijn mond. Toen begon de islamitische revolutie pas echt.

Ook voor de revolutie gaf Ahmad dit soort feesten altijd thuis. In islamitische landen, of ze nu door mollahs schriftgeleerden of sekulieren worden bestuurd, zijn openbaar en partikulier leven gescheiden. Op straat en op het werk gelden de regels van de islam. Wat je thuis doet, moet je zelf weten. In Iran is die scheiding alleen extremer dan elders.

Er is gin, vodka en whisky vanavond, maar nooit heerst er de sfeer dat er iets klandestiens wordt gedaan. Wijn schept een volumeprobleem, net als bier. Daar zijn meer flessen van nodig. Drank wordt vanuit Turkije het land in gesmokkeld. Je draait een nummer en spreekt een kode in over huissleutels of het weerbericht. Een uur later wordt de bestelling aan huis bezorgd. Een paar jaar geleden deed de politie nog wel eens invallen. Als de agenten in de lift stapten, belde de portier gauw naar boven. Dan werd de drank door de WC gespoeld en gingen de vrouwen in een aparte kamer zitten. De mensen vertellen erover alsof ze zeggen dat de appeloogst ’84 biezonder goed was.

“A table ! ” roept Ahmad. De bediende zet de schalen op een glazen blad dat op marmeren zuilen rust. Kip kebabe. Rijst met lam en dille. “Iran is rijk, ” zegt hij en knoeit een rode Chinese kers op zijn Armani-spijkerbroek. “Dit komt allemaal uit de winkel om de hoek. ” Hij spreekt zonder cynisme. “Ik moet morgen naar Frankfurt. Voor een week maar, gelukkig. Ik ben het liefst hier. “

De mensen op het feestje zijn niet representatief voor Iran. Zij hebben geld, oud geld. En bankrekeningen in het buitenland. Vanavond komen ze samen in een flat die zo in Elle Décoration kan. Morgen zien ze elkaar weer voor een lunch. Aan het zwembad van een neef van Ahmad. Een zwembad met jet-stream. Eén van de vrouwen aan tafel is al tien jaar bezig om de landerijen van de familie, die na de revolutie werden gekonfiskeerd, terug te krijgen. Het schiet niet op. Ze heeft al hektares aan ambtenaren weggegeven, in ruil voor stempels en dokumenten. Een ander, die in Europa is gaan wonen om de kinderen een goede opleiding te geven, komt altijd zonder sieraden naar Iran. Als ze teruggaat, draagt ze robijnen aan haar vinger en diamanten in haar oren. Je moet het stukje bij beetje het land uitsmokkelen, zegt ze. Anders pakken ze alles af op het vliegveld en betaal je een enorme boete. Na acht jaar pendelen is de kist familiejuwelen nog niet leeg.

Gevraagd naar “de toestand in Iran”, vertelt dit gepriviliegieerde gezelschap hetzelfde als het gros van zijn landgenoten. Namelijk dat Iran langzaam normaal aan het worden is.

Iraniërs klagen niet over het alkoholverbod, kledingvoorschriften of het verbod op satellietschotels. Daar kunnen ze mee leven. Waar ze wèl over klagen, is dat de regeringen die het land sinds 1979 heeft gehad, de belangrijkste beloftes van de revolutie niet hebben ingelost meer gelijkheid, meer vrijheid en dat de ekonomie in puin ligt.

In de bazaar, op de exquise feestjes, zelfs in regeringsgebouwen waar het wemelt van de veiligheidsagenten, denken mensen hardop na over metodes om het land weer gezond te maken. Onbevreesd, zonder schichtig om zich heen te kijken. De enige metode die daar niet wordt besproken, is een nieuwe revolutie. Met een revolutie komen de excessen. Niemand wil dat een tweede keer meemaken. Iraniërs willen geleidelijke veranderingen, van binnenuit. Onder leiding van de mollahs, waarom niet. Zelfs Roshi haalt een vers uit de koran aan als ze een regeringsbesluit kritizeert. Het diktaat van de islam heeft haar niet minder gelovig gemaakt.

ESTABLISHMENT.

Voor het eerst in de Iraanse geschiedenis, stelt socioloog Ahmad Sadri tevreden vast, begint zich iets van een politieke kultuur te ontwikkelen. Konstruktief, in plaats van subversief. Mollahs schrijven over de plaats van religie in de samenleving iets wat tot voor kort onbespreekbaar was, het stond immers vast. Ministers geven omfloerst toe dat het landbouwbeleid een flop is. Er verschijnen politieke tijdschrijften. “De revolutie heeft ons gelouterd, ” zegt Semati. “We dachten : als de sjah maar weg is, wordt alles beter. We leren nu dat een staatsgreep niets oplost. Dat er ook beleid moet zijn. “

De sjah en zijn kliek stonden ver weg van het volk, die kon je wegkrijgen. De mollahs komen voort uit het volk. Uit de onderlaag. Ze zijn geankerd in Iran. De meeste Iraniërs realizeren zich dat, en ze moeten dus niets hebben van de mujahedin, de gewapende oppositie die vanuit Europa aanslagen pleegt. Dat de mujahedin in de jaren tachtig, tijdens de oorlog, achter Irak stond, doet de deur helemaal dicht.

De gematigde oppositie in Iran zelf, die illegaal is maar wel met de buitenlandse pers mag spreken, kan op meer sympatie rekenen. De leiders komen uit het religieuze establishment. Een van hen is Ibrahim Yazdi, een voormalig kankeronderzoeker uit Texas. Hij zat met Khomeiny in ballingschap in Parijs, was diens eerste minister van Buitenlandse Zaken. Yazdi, een rustige man in een groot huis, verdedigt de islamitische waarden. Hij vindt alleen dat het tijd is om het volk meer stem te geven. En om, na ruim zestien jaar, eens een koherent ekonomisch beleid te formuleren, zodat Iran weer aan kan haken bij de moderne wereld. “De revolutie was een kind, ” zegt hij. “Nu is het kind ziek. We moeten het beter maken. Anders wordt het nooit volwassen. ” Grote Europese ambassades in Iran zoals die van Duitsland, Italië en Frankrijk, die handelsbelangen te verdedigen hebben, nodigen Yazdi nu uit voor bezoeken aan hun land. Zijn partij heet de Vrijheidsbeweging voor Iran.

Iraniërs zijn huiverig in hun politieke keuzes. Ze zijn te vaak bedrogen. De naam Yazdi riekt naar Khomeiny. Zijn ekonomische programma is niet biezonder ontwikkeld. Maar omdat hij gematigd is, raakt hij een snaar.

“Iran dobbert al zestien jaar rond zonder doel, ” zegt een elektronika-importeur. Buitenstaanders vatten zo’n kritiek vaak op als kritiek op de revolutie. Maar de importeur heeft juist hoop dat de echte waarden van de revolutie eindelijk waargemaakt worden. Het regime begint in te zien dat ze het land niet met islamitische leuzen kan runnen. In de zes jaar dat Hashemi Rafsanjani president is, heeft de overheid technokraten aangetrokken. Als Rafsanjani zijn tulband afzet, zeggen de mensen, dan is hij een gewone vent met een goed stel hersenen. De elektronika-importeur wordt nu zelfs af en toe opgebeld door een ambtenaar die vraagt hoe het met de zaken staat. “We hebben eindelijk kontakt met het regime. Dat hadden we vijf jaar geleden niet. “

Door de geboortegolf na de revolutie is de helft van de bevolking onder de vijftien. Haar wacht geen werk. Nu al is een kwart van de beroepsbevolking werkloos. De meeste fabrieken draaien met verlies. Daar hebben de portiers, heel klassiek, de direkteursstoel ingenomen na de revolutie. De staat houdt ze draaiende, maar probeert wanhopig de voormalige eigenaars over te halen om de fabrieken weer over te nemen en winstgevend te maken. De Iraanse ambassades in Europa en Amerika nodigen de gevluchte bezittende klasse uit voor “informatiemiddagen”. Maar als die mensen komen kijken, lopen ze met de staart tussen de benen weer weg. Ze kunnen er niet achter komen hoeveel belasting ze moeten betalen. Of welke vergunningen ze nodig hebben om te kunnen exporteren. Of hoeveel winst het land uit mag.

De chaos is niet alleen te wijten aan inkompetentie. Aan de top woedt een enorme machtsstrijd, vertelt Hadi Semati, politikoloog aan de universiteit. “Rafsanjani wil ekonomische hervormingen. De militantere mollahs zien het nut er ook wel van in, maar ze zijn bang dat ze dan hun politieke macht kwijtraken. Ze blokkeren Rafsanjani. ” Een paar jaar geleden had Semati, een overheidsdienaar per slot van rekening, dit niet open en bloot kunnen zeggen. En zeker niet op het dakterras van de Witte Toren. Dat is een soort World Trade Center waar ze Phil Collins draaien in de lift.

“O, ” zegt Semati, “wat wij hier bespreken, bespreken ze ook aan de top. Ik ken een ambtenaar op Financiën die zegt dat het ekonomische beleid van Iran een rotzooi is. Het punt is dat die mensen niets met hun ideeën kunnen. Ze zitten met hun kop tegen het plafond. ” Het plafond van de behoudende mollahs.

TULP.

“Zes uur in het Intercontinental, ” zei George. Intercontinental is een statement in Iran. In 1979 werd het hotel genationalizeerd en omgedoopt tot Laleh : tulp de nationale bloem. De meubels in Hotel Laleh zijn oranje, bruin en groen, met poten van roestvrij staal. Openbaar Iran is het beste museum van het jaren-zeventiginterieur ter wereld. Sinds 1979 blijven de toeristen weg. Buitenlandse zakenlui ook. Zeker na de gijzeling van de Amerikaanse ambassade. Daarna was er de eindeloze oorlog met Irak. Al het geld van Iran ging naar het leger. De nieuwe manager van het hotel kreeg niet eens geld om peertjes te kopen voor in de lampen. Nu zitten er wat Russische zakenlui in het hotel, die salondeuren uit een fotoboek proberen te verkopen. Op het servies staat nog : Intercontinental.

George is moslim, maar hij heet George want zijn grootvader was een Brit. Hij is 47 en draagt een versleten bruine broek. Boven zijn hoofd zijn onderzetters tegen de muur geplakt, plastic onderzetters die ervoor zorgen dat glazen op tafel geen kringen maken. Ze vormen de woorden Down with USA. “Weet jij hoe ik een visum voor Amerika kan krijgen ? ” vraagt George.

Voor de revolutie was hij piloot in de Verenigde Staten. Hij kwam terug voor de revolutie, wilde erbij zijn. Iedereen noemde elkaar broeder, het was een grote huwelijksreis. Een echte huwelijksreis zou George nooit maken. Toch was hij al ontslagen bij de Iraanse luchtmacht omdat hij een snor had en geen baard. Snorren, vond zijn baas, dragen alleen kommunisten. George was geen kommunist. Hij had alleen gezegd dat hij de oorlog met Irak een zinloze onderneming vond. Sindsdien mag hij niet meer voor de overheid werken. Hij verhuurt zichzelf soms als chauffeur en tot voor kort verkocht hij wel eens tapijten aan buitenlanders. Voor dollars. Die wisselde hij in voor rials als de koers omhoog ging. Maar nu Amerika een embargo tegen Iran heeft afgekondigd, omdat Irans nucleaire plannen niet worden vertrouwd, heeft de regering de koers vastgezet op drieduizend rials. Alle dollars moeten voor rials worden gewisseld. De regering wil harde valuta’s in het land houden. De meeste tapijtexporteurs blijven nu letterlijk op hun tapijten zitten, in afwachting van betere tijden. Zwarte handel wordt zwaar bestraft. “Ik denk, ” zegt George, “dat ze die regel gauw weer afschaffen. De gemiddelde levensduur van ekonomische maatregelen is tenslotte drie maanden. “

Amerika was Irans zesde handelspartner. Het kocht een derde van de Iraanse olie. Omdat geen enkel land meedoet aan het embargo, snijdt het Iran niet diep in het vlees. “We hebben voor hetere vuren gestaan, ” zegt George. Zelfs al had het embargo het land lamgelegd, dan nog had hij de Amerikanen niets kwalijk genomen. De regering geeft Amerika van alles de schuld, maar de andere Iraniërs gaan bij zichzelf te rade. Het probleem ligt niet in het buitenland, vinden ze. Daarom zijn het Amerikaanse embargo of de affaire-Salman Rushdie geen onderwerpen van gesprek. Je moet er echt naar vragen.

George rijdt in een oude Paykan. Paykans worden in Iran gemaakt. Sinds 1977 zijn er geen nieuwe modellen meer ontworpen. Paykan is van de staat en de staat investeert niet. Op buitenlandse auto’s zit honderd procent importbelasting. George wil laten zien dat Iran kleurrijker en levendiger is dan de mensen denken dat het is.

Veel vrouwen dragen fleurige doeken om hun hoofd. Die zijn zover naar achteren getrokken dat je een toef haar kunt zien en als het mee zit een opzichtige gouden speld. De hijabs worden korter. Er steken spijkerbroeken onderuit. Of ragdunne zwarte panty’s, wat officieel niet mag. Zwarte chadors, de “sluiers tot op de grond”, dragen vooral de vrouwen die voor de overheid werken. Zij zijn in de minderheid. Vrouwen zitten achter op de brommer, met hun jurk opgeschort. Ze rijden auto, ook midden in de nacht. Ze kletsen op de stoep, met mannen. Ze zijn meer aanwezig dan elders in het Midden-Oosten. Minder timide.

De winkels worden ook steeds leuker, zegt George, en hij wijst op een hippe pizza-tent. De huizen ook. Tot voor kort bouwde de overheid gebouwen van het treurige Oostblok-type. De flats die nu worden opgetrokken, hebben zuilengalerijen en ruime balkons. Sommige zijn ronduit klassicistisch. Mooi mag weer, er zijn altijd mensen die ervoor willen betalen. Iraanse architekten winnen zelfs internationale prijzen. Je ziet nauwelijks moskeeën, nergens liggen mensen op kleedjes te bidden, zoals in Caïro of Damascus. In Teheran word je niet gewekt door muëddzin, die oproepen tot het gebed, maar door het geraas van auto’s.

Uit een parfumerie met roze gemarmerde muren klinkt Vivaldi’s “Vier jaargetijden”. In de uitvoering van Nigel Kennedy. De eigenaar is een zesentwintigjarige zakenvrouw. Ze heeft de laatste keratine-mascara’s van Lancôme. Zelfs de herfst-lipsticks van Estée Lauder zijn al binnen. Estée Lauder is een Amerikaans merk. De eigenares haalt het uit Dubai. Net als bijna alle Iraanse importeurs heeft ze twee bedrijven. Eén in Dubai en één in Teheran. In Dubai koopt ze een fles parfum voor, zeg, twintig dollar in. Dubai verkoopt ze voor zestig aan Teheran. Teheran zet ze voor 120 dollar in de etalage. Maar Teheran maakt nauwelijks winst. Want de helft gaat op aan hoge importbelasting en de rest aan smeergeld, vergunningen, importlicenties, inklaren, dat soort dingen. Deze vrouw maakt haar winst dus in Dubai. Haar favoriete geur is Calvin Klein One. Ook uit Amerika. “Een hit in Iran voordat het een hit was in Amerika. “

ZAKGELD.

George woont in een kale tweekamerflat in het zuiden van de stad. De meeste meubels heeft hij verkocht. Dit is de “achterbuurt” van Teheran. Hier woedde laatst een opstand toen de regering de buskaartjes duurder maakte. Vergeleken met de sloppen van Delhi of metropolen in het Midden-Oosten (Teheran telt, met voorsteden, vijftien miljoen inwoners) is dit een keurig aangeharkte arbeidersbuurt. Schoon, weinig bedelaars. De debiele zoon van George heeft zijn zusje een blauw oog geslagen. Er is geen geld om hem in een tehuis te plaatsen of zelfs kalmerende pillen te geven.

Dan gaat de bel. George, zijn afgesloofde vrouw en hun dochters verstijven. In Iran gaat de bel zelden onverwacht. Mensen bellen op voor ze op bezoek komen, ook al hoeft het niet meer. De zoon klemt een stapel Niki-Laudaplakplaatjes tegen de borst en steekt zijn enorme hoofd uit het raam. Als hij begint te boeren, loopt George naar de kast en schenkt iets doorzichtigs uit een karafje in een glas. Hij loopt naar beneden en is meteen weer terug. Met een leeg glas.

Later, als zijn vrouw het avondeten van gekookte eieren, dun brood en augurken heeft opgediend, komt hij weer met een glas van dat spul aanzetten. Trots : “zelfgemaakt. ” Het was een politieagent, daarnet aan de deur. Van de afdeling zeden. Die komt een paar keer per week. In het glas zit pure wodka.

Een leger van paupers, dat was wat de sjah de kop kostte. Toen het demonstreren begon, liepen alle soldaten over naar Khomeiny. Op de een of andere manier is niemand bang dat zoiets weer zal gebeuren.

De soldaten worden gevoed en gekleed met het geld van rijke jongeren die zich uitkopen uit het leger. Verder krijgen ze haast geen soldij. De politieagenten leven van fooien. Ze houden dure auto’s aan waar een man en een vrouw inzitten. Ze vragen naar de trouwpapieren. Wie die niet heeft, is strafbaar behalve als je vader en dochter bent of broer of zus. Vroeger moest je dan mee naar het bureau. Er zijn echtparen die per ongeluk hun papieren niet bij zich hadden, en dagenlang in de cel werden opgesloten. Nu kan iedereen met iedereen in de auto zitten. Als je wordt aangehouden, is het de bedoeling dat je de agenten omkoopt. Er wordt geen bon meer geschreven voor parkeren op de snelweg of voor door rood licht rijden. Agenten zijn niet geïnteresseerd in bonnen schrijven. Ze willen zakgeld. Voor zichzelf. Vierduizend rials is meestal genoeg, iets meer dan een dollar. Gewone agenten verdienen omgerekend 1.200 à 1.500 frank per maand. Ze wonen nog bij hun ouders, of hebben er zwarte baantjes bij.

Farah was net aan het vertellen dat ze al zes jaar zonder rijbewijs rijdt en nog nooit problemen heeft gehad. Niet stoer of zo, veeleer op medelijdende toon. Dan stopt ze in het donker. Er staat een agent langs de weg. Hij is piepjong en stinkt een beetje naar zweet. Zij ruikt naar een goed Frans parfum. Ze heeft haar hoofddoek ongeveer op haar achterhoofd, maar ze trekt het ding niet naar voren. Ze lacht en kletst met hem in Farsi. Ze stopt hem een paar duizend rials toe. Hij geeft haar een hand. Dat is verboden, maar hij kijkt alsof hij de hele dag niet anders doet. Wat waarschijnlijk zo is. “Hij kan niet trouwen, ” zegt Farah als ze weer gas geeft. “Geen geld. Zielige jongen. Hij staat hier altijd. “

Geen vrees, geen spanning, niets. Gewoon, een arme agent langs de weg. “Trouwens, ” zegt Farah, “voor ik het vergeet. Morgen gaan we naar de bergen. Zwemmen. Neem je badpak maar mee. “

Caroline De Gruyter

Copyright Knack/Elsevier

De hervormers zitten met hun kop tegen het plafond van de behoudende mollahs.

In Teheran word je niet gewekt door de muëdzin, maar door het geraas van het verkeer.

De revolutie bracht niet meer gelijkheid en vrijheid. En de ekonomie ligt in puin. Daar gaat de klacht over ; niet over het alkoholverbod of de kledingvoorschriften.

De portiers namen na de revolutie de plaats van de direkteur in.

Het leven in het openbaar en het leven thuis zijn gescheiden.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content